Luchtballonnen

Het Nederlands muziekleven is met een grote inhaalmanoeuvre bezig waar het haar eigen geschiedenis betreft. Zo hebben de uitgeverijen Donemus en CNM de laatste jaren in de vorm van een continue stroom cd’s een pijnlijke achterstand in de documentatie van Nederlandse muziek weggewerkt. En omdat veel naoorlogse organisaties nu hun vijftig jarig bestaan vieren, verschijnen verschillende publikaties waarin op de eigen historie wordt teruggeblikt en en passant het reilen en zeilen van de Nederlandse muziek in kaart wordt gebracht.

Sinds kort hebben deze geschiedvorsers een nieuwe bron tot hun beschikking: het Haags Gemeentemuseum heeft een Oral History-project - een reeks van tien interviews (georganiseerd door het Walter Maas Huis) met vooraanstaande figuren uit het naoorlogse muziekleven. De interviews zijn beschikbaar op video, audioband en in uitgeschreven vorm. De tien mannen - onder wie Marius Flothuis, Jo Elsendoorn, Peter Diamand, Ton de Leeuw en Henk Stam - zijn in sessies van twee uur door een vijftal historici en journalisten aan de tand gevoeld over de periode 1945-1955.
‘Een speurtocht naar de troebele machinaties achter de officiele geschiedenis’, zo formuleert Johan Kolsteeg, een van de initiatiefnemers, het doel van het project. Of anders gezegd: het checken van vooronderstellingen en het doorprikken van mythes. De mate van 'geschiedvervalsing’ varieert van opgeblazen anekdotiek tot een ronduit verkeerde beeldvorming. Een voorbeeld van zo'n anekdote is het contact tussen Eduard Reeser, die kortstondig adviseur was van het ministerie van OKW, en de toenmalige minister van Financien Lieftink. Reeser was gewoon om dagelijks met Lieftink in de auto van Rotterdam naar Den Haag mee te rijden. En aangezien Reeser nogal wat invloed op het regeringsbeleid leek te hebben, werd alom aangenomen dat tijdens deze autoritjes belangrijke zaken werden gedaan. Nu onthulde Reeser dat Lieftink en hij nooit een woord hebben gewisseld. Lieftink zat te werken en de reis verliep volkomen zwijgend.
Een voorbeeld van verkeerde beeldvorming betreft de wederopbouw. Terwijl wij menen dat in die naoorlogse jaren met vereende krachten en vanuit dezelfde idealen een nieuw muziekleven uit de grond werd gestampt, was in werkelijkheid sprake van een archipel van eilandjes. Een gemeenschappelijk visie ontbrak, laat staan dat er op een constructieve manier werd samengewerkt. De enige persoon die overzicht had en een soort totaalplan probeerde te ontwikkelen was Henk Reinink, jarenlang directeur-generaal van de kunsten. Een aangezien hij, samen met Jan Kassies, de enige is die niet meer in leven is, kan dit Oral History-project beschouwd worden als een poging zijn regie te reconstrueren.
In plaats van saamhorigheid was vaak sprake van rivaliteit. Tekenend was de positie van het Holland Festival (opgericht in 1947) dat, gezien zijn dominante invloed op het muziekleven, een grote plaats in de interviews inneemt. Met optredens van jonge sterren als Maria Callas en Kathleen Ferrier was het festival ronduit spraakmakend. Tegelijk was het een dankbaar onderwerp van kritiek voor mensen die het te duur en elitair vonden. Nog destructiever was de competitie tussen Amsterdam en Den Haag, die in 1952 zelfs culmineerde in de intrekking van de Amsterdamse subsidie.
Aan de hand van deze tien gesprekken passeren alle belangrijke gebeurtenissen uit die naoorlogse jaren nog een keer de revue: van de affaire-Van Kempen (die uiteindelijk leidde tot de formele scheiding tussen Concertgebouw en Concertgebouworkest) tot de pijnlijke situaties rond de zuiveringen; van de aanvaringen rond het Wilhelmus tot de positie van Nederlandse muziek. Vanwege het succes van dit Oral History-project is besloten ermee door te gaan. Er zal gepoogd worden de vooroorlogse geschiedenis in gesprekken vast te leggen, maar ook zullen de jaren zestig nog eens tegen het licht worden gehouden. Ook daar zullen ongetwijfeld heel wat luchtballonnen sneuvelen.