Luchtige beweging

De kubussen in de sculptuur van Antony Gormley zijn op een breekbare manier met elkaar verbonden, in een losse groepering. Het is alsof de vormen onderbroken werden terwijl ze aan het dansen waren.

Eerst valt in het oog hoe precies deze slanke sculptuur, Lot II, van Antony Gormley is geformuleerd. Het werk lijkt groot maar dat komt door hoe het, van dichtbij, is gefotografeerd. Onwillekeurig ga je er ook heel aandachtig naar kijken omdat je wilt zien hoe de recht­hoekige maar sierlijke constructie zo in elkaar is geraakt. Het is een assemblage van negen open kubussen die vernuftig in elkaar zijn geschakeld als de schakels van een ketting – alleen op een zo terloopse of sluikse wijze dat de verbindingen bijna niet opvallen. Intussen is het ding net geen meter breed. De hoogte is 35 centimeter, 72 is de diepte. Links is de grootste kubus, rechts is de kleinste. De grote kubus is ongeveer zes keer groter dan de kleine. Daar, rondom en dwars doorheen de grote, zien we kleinere kubussen met elkaar verbonden – recht en scheef in elkaar geschakeld zodat daar een transparante verknoping ontstaat. De kubussen bestaan uit kantige ribben, of contouren, van dun roestvrij staal (vier millimeter). Het verloop in maat van de grootste naar de kleinste (van links naar rechts) ziet er zo regelmatig uit dat de vormen, in elkaar geschoven, allemaal samen in de grootste kubus lijken te passen, als bij een Russische pop met kleine poppetjes in haar buik. Uit de grote kubus, die een doos lijkt, zijn de kleinere doosjes als het ware te voorschijn gevallen en wat rommelig blijven liggen. Het woord lot, in de titel, is de benaming voor een losse hoeveelheid dingen, en zo ziet het werk er ook uit.

De kubussen zijn op een fragiele, lichte manier met elkaar verbonden. Omdat ze afwisselend recht en scheef staan ziet de groepering er los uit, alsof de vormen onderbroken werden terwijl ze dansende bewegingen maakten. Het is dus ook een groep van luchtige bewegingen die zijn stilgezet en toen roerloos werden. Want het ding is zeker niet met de losse hand in elkaar gezet. Alleen al aan de zorgvuldige manier waarop de open kubussen in elkaar zijn geschoven (en hoe de ribben elkaar schroom­vallig beroeren) kun je zien dat dit werk met overleg gecomponeerd is, op de beschouwelijke manier waarop de mise-en-scène van een stilleven tot stand komt. Dan heb ik het niet over het schema van een compositie maar over hoe teder in een stilleven de voorwerpen zijn samengevoegd.

In de plastische kunst is het stilleven een zeldzame categorie. Ging het die kant op, dan werd het al gauw sierkunst: glanzend zilveren bokalen bijvoorbeeld, of elegante figuren van porselein. Ook prachtig, maar grote sculptuur is gegroeid uit de retorische vormgeving van de menselijke gestalte waarvan de beroemde Laocoön de klassieke matrix is. Later, in de Renaissance, heette dat soort energieke sculptuur, van meester Donatello bijvoorbeeld, statua virile. Eigenlijk kunnen we die kloekheid als geesteshouding in de plastische vormgeving volgen tot waar de sculptuur abstract werd. Werken van Donald Judd, bedoel ik, staan altijd opmerkelijk stevig en resoluut op de grond. Ten aanzien van Gormley had ik het niet voor niets over een spoor van dansende beweging in de groepering der dingen dat als een guirlande in zijn sculptuur hangt. Vergelijk die vormgeving met de bevende aquarel van twee appels van Gerhard Richter, dan voel je de tederheid ervan nog meer. Beide werken beogen iets vergelijkbaars. In de natte, behoedzame vlekkerigheid van de aquarel komen de appels, in kleur even transparant als de ruimte, alleen heel behoedzaam in elkaars buurt. Ze moeten zo dun blijven als hun vloeibare omgeving, die dan, voor het oog, zo in langzaam vloeiende beweging blijft. Daar kijken wij naar: vol verwachting kijken we naar dingen die in wording zijn.


PS Werk van Antony Gormley is van 28 maart tot 4 mei te zien in Brussel, in de galerie van Xavier Hufkens, Sint-Jorisstraat 6-8 www.xavierhufkens.com