Oorlogsvoorlichting

Luchtspiegelingen in de Golf

Tijdens de Golfoorlog van tien jaar geleden werden media en publiek ernstig misleid door de geallieerde voorlichters. Dat zoiets later uitkomt, doet er weinig toe. De schade is dan al geleden.

De Golfoorlog heeft niet plaatsgevonden. Dat was de provocerende titel van een boekje dat de Franse filosoof Jean Baudrillard het licht deed zien. Hij betoogde daarin dat de beeldvullende gebeurtenis het schoolvoorbeeld was van een «simulacrum» waarin schijn en werkelijkheid, waarheid en leugen, een onontwarbare kluwen vormden.

Inmiddels is ook in het Engels zeker een dozijn boeken verschenen waarin de manipulatie van media en publiek nauwkeurig is gereconstrueerd. Tien jaar na de Iraakse inval in Koeweit van augustus 1990 is er daarom volop reden nog eens terug te kijken op hoe dat is gegaan.

De vanzelfsprekendheid waarmee tot op de huidige dag de aanduiding «de Golf oorlog» wordt gebruikt, is tekenend voor de mate waarin de media, het publiek en de politici destijds zijn misleid. Verreweg de grootste oorlog in het Golf-gebied van de laatste decennia was namelijk die welke van 1980 tot 1988 tegen Iran werd gevoerd en die was begonnen door het buurland Irak. Schattingen van het aantal doden dat daarbij viel, lopen uiteen van een kwart tot een heel miljoen. In vergelijking daarmee was de oorlog die in 1990 en 1991 tegen Irak werd gevoerd van veel geringere omvang. Schat tingen van het aantal doden lopen uiteen van tien- tot honderdduizend.

De laatste, kleinere oorlog kwam rechtstreeks voort uit de eerste, maar dat bleef goeddeels voor de wereldopinie verborgen. Dat kwam doordat er op het eerste gezicht geen westerse betrokkenheid leek te zijn. Officieel was er zelfs een wapenembargo, officieus voorzagen de Verenigde Staten van president Reagan Irak evenwel van de allermodernste technologie en knowhow — bewijzen daarvoor kwamen later boven water in de Iran-contra- en Irak-gate-schandalen. Ook wapenhandelaren uit de vier grootste West-Europese landen speelden daarbij een bedekte rol, zo werd bij stukjes en beetjes duidelijk.

De bedoeling van die stille steun was Iran een lesje te leren nadat de pro-westerse sjah ten val was gebracht door de anti-westerse ayatollah, nadat radicale studenten meer dan een jaar lang Amerikaans ambassadepersoneel hadden gegijzeld en een bevrijdingsactie onder president Carter jammerlijk mislukte. Mediacriticus Neil Postman tekende daarbij later aan dat driekwart van de Amerikanen, ondanks duizenden uren emotionele tv-coverage, tien jaar na dato blijkens een onderzoek van het National Geographic Magazine nog steeds niet in staat bleek om de Golf op een wereldkaart ook maar bij benadering aan te wijzen.

Na afloop van de oorlog met Iran in 1989 bleek overigens dat Irak aan een superkanon en raketten werkte, alsmede aan atomaire, biologische en chemische wapens. Experts verschillen tot op heden van mening over de vraag of het land slechts één jaar of nog wel tien jaar van succes was verwijderd. Maar het was duidelijk dat Irak op termijn een ernstige bedreiging voor westerse bondgenoten in het gebied zou kunnen gaan vormen, zoals voor Israel en de olierijke, feodale Golfstaten.

Organisaties als Amnesty International en Human Rights Watch vroegen bij de opeenvolgende presidenten Reagan en Bush vergeefs om aandacht voor mensenrechtenschendingen door de regering van Saddam Hoessein. De Amerikaanse president dreigde medio 1990 nog met een veto tegen een wetsvoorstel als daarin op sancties tegen Irak werd aangedrongen. Pas een week daarna veranderde hij van gedachten, toen Irak op 2 augustus opeens het kleinere buurland Koeweit binnenviel. Veel westerse burgers hoorden overigens nooit de redenen die Saddam daarvoor aanvoerde.

Enerzijds had Irak altijd volgehouden dat Koeweit een provincie van het land was die de koloniale mogendheden ten onrechte onafhankelijk hadden gemaakt om toegang tot de olierijkdommen te behouden. Anderzijds beweerde Irak dat Koeweit in het geheim zijn productiequotum overschreed om de wereldmarktprijzen laag te houden. Binnen de Organisatie van Olie Exporterende Landen (Opec) bestond hierover al vanaf het begin een steeds terugkerende tegenstelling tussen radicale, arme, grotere landen en feodale, rijke, kleinere landen.

Het probleem was natuurlijk dat een dergelijke plotselinge machtsuitbreiding van Irak, na de omwenteling in Iran, een ernstige bedreiging inhield voor de westerse energievoorziening. Het westerse bondgenootschap had eerder de inlijving van de noordelijke helft van Cyprus door het pro-westerse Turkije getolereerd, net als de inlijving van de oostelijke helft van Timor door het pro-westerse Indonesië, alsmede grootschalige, aanhoudende en grove schendingen van mensenrechten door beide landen. Het ging in Koeweit echter niet alleen om ethische beginselen, maar ook om materiële belangen.

In verreweg de meeste pro-westerse Golfstaten vergaarde een kleine bovenlaag wanstaltige rijkdommen, werd het overgrote deel van het werk door buitenlanders gedaan en bestonden geen algemeen kiesrecht en burgerlijke vrijheden. Men had daar nooit een probleem van gemaakt, maar om nu westerse dienstplichtigen te vragen om voor deze oliesjeiks de kastanjes uit het vuur te halen, dat was moeilijk aan het thuisfront te verkopen. Of toch niet?

Een dozijn uitgeweken kapitaalkrachtige, hoge functionarissen vormde de lobby Citi zens for a Free Kuwait (CFK). De lobbyisten huurden een groot pr-bureau in dat de belangen voor twijfelachtige regimes (zoals het genoemde Turkije en Indonesië) waarnam: Hill & Knowlton (h&k). Het bureau ontving in vijf maanden ruim tien miljoen dollar, zette landelijk 120 mensen op de zaak en begon een stroom «sound bytes» en «photo-ops» te organiseren die de media en de publieke opinie moesten omturnen.

Er zijn vele studies verschenen over hoe de media en de publieke opinie destijds werden bewerkt. Zo waren er berichten over mishandelingen en martelingen, maar daarvan waren natuurlijk geen beelden beschikbaar. Volgens John McArthur van Harper’s Magazine zette het CFK daarom een aantal van die vermeende incidenten in scène en verspreidde er vervolgens vage foto’s van. Het Franse weekblad Paris Match kreeg later door een andere bron foto’s toegespeeld waarop was te zien hoe een Iraaks vuurpeloton een groep Koeweiti’s executeerde. Toevallig kwam het weekblad erachter dat de terechtgestelden juist Iraakse soldaten waren geweest die zich zouden hebben misdragen. Het publiceerde die informatie echter pas na afloop van de oorlog, «om Saddam Hoessein niet in de kaart te spelen».

Veel succesvoller was een ander verhaal dat Citizens for a Free Kuwait met hulp van Hill & Knowlton verspreidde, namelijk dat Iraakse soldaten maar liefst 312 couveuses hadden gestolen, de vroeggeborenen eruit hadden gehaald en op de grond hadden laten sterven. CFK en h&k instrueerden daartoe een dozijn Koeweiti’s om als «ooggetuigen» op te treden. Hun emotionele verklaringen vormden de onmiddellijke aanleiding voor de Veiligheidsraad van de VN en voor het Congres van de VS om een gewapend ingrijpen goed te keuren (in het geval van de Senaat met een krappe meerderheid van slechts drie stemmen). Aanvankelijk werden de beschuldigingen zelfs door Amnesty International overgenomen. Later distantieerde Amnesty zich ervan. The Second Front, een boek van John McArthur, en een Canadese tv-documentaire lieten gedetailleerd zien dat het verhaal op weinig of niets gebaseerd was geweest.

Inmiddels waren de geallieerde bombardementen op Bagdad begonnen. De New York Times interviewde later een Iraakse arts die vertelde dat veertig vroeggeborenen in de bombardementen waren omgekomen omdat ze inderhaast uit hun couveuses moesten worden gehaald. Volgens sommige experts hadden de gebruikte bommen gezamenlijk een grotere explosieve kracht dan alle luchtoffensieven uit de Tweede Wereldoorlog bij elkaar. Maar de geallieerde voorlichters hielden vol dat het om precisiebombardementen ging die nauwelijks nevenschade veroorzaakten. Westerse omroepen lieten trouwhartig steeds opnieuw die ene geslaagde video zien waarop men een cruiseraket recht de luchtkoker van een Iraakse bunker in zag gaan. Pas veel later werd bekend dat 93 procent van de bommen geen precisiewapen was geweest, dat driekwart zijn doel had gemist en dat er dus wel degelijk veel nevenschade was geweest.

Slachtoffers werden evenwel de eerste weken door de westerse media spontaan buiten beeld gehouden. Ramsey Clark was Amerikaans minister van Justitie ten tijde van de Vietnamoorlog. Later kreeg hij spijt en werd pacifist. Hij kreeg toestemming om met een televisieploeg Irak binnen te reizen, de gewonden en de schade te filmen. Zijn opnamen werden door alle omroepen geweigerd, in de Verenigde Staten, in Nederland, in de hele westerse wereld. Inmiddels hadden bijna alle westerse journalisten Bagdad verlaten. Niet gedwongen, zoals werd gezegd, maar omdat hun veiligheid niet kon worden gegarandeerd.

Een van de twee overblijvers was oorlogsverslaggever Peter Arnett van CNN, die zich eerder in Vietnam kritisch had betoond. De beelden vanuit zijn comfortabele hotelkamer van het afsteken van «een nachtelijk vuurwerk» boven Bagdad worden nog steeds herinnerd als een live-reportage over de oorlog. Maar toen hij later Iraakse slachtoffers begon te tonen, werd hij beschuldigd van heulen met de vijand. Ook aan de andere kant, op de geallieerde thuisbases in Saoedi-Arabië, stond CNN vooraan, maar de omroep deed daar verder niet zo veel mee. Met goede reden: pas veel later werd bekend dat er gedurende de hele oorlog voor de zekerheid een censor van het Pentagon op de redactie was geweest. Baudrillard meldde een hilarisch moment toen CNN om meer te weten te komen overschakelde naar een groep verslaggevers in de woestijn, die bekenden dat ze naar CNN zaten te kijken om meer te weten te komen.

Over de media-arrangementen ter plaatse is veel geschreven. Hoewel de Golf nu opeens van «vitaal strategisch belang» werd verklaard, was er voor de oorlog vrijwel geen enkele westerse correspondent gestationeerd geweest; «bevriende» landen in de regio als Saoedi-Arabië lieten zelfs principieel nooit westerse journalisten toe (en waren ook in ander opzicht geenszins de democratische rechtsstaten waartoe ze opeens werden gerekend). Nu werden plots honderden verslaggevers met mobiele apparatuur en satellietschotels ingevlogen. Zij deden elke avond in kaki uniform trouw hun stand up in de woestijn en vertelden dan wat de opperbevelhebber of zijn woordvoerders eerder op persconferenties hadden gemeld.

Ze kregen gelegenheid om plaatjes met een praatje te schieten van vertrekkende en terugkerende vliegtuigen en piloten die speciaal voor de gelegenheid van leuke slogans en petjes waren voorzien. Zij hadden zich contractueel moeten verplichten om geen anonieme soldaten aan het woord te laten (die kritiek zouden kunnen uiten) en geen gewonden te laten zien (wat het moreel kon ondermijnen). Aan het front werden ze trouwens sowieso niet toegelaten. Af en toe werd er voor een pool verslaggevers een schoolreisje in die richting georganiseerd en dat was dan dat.

Ondertussen werd de beeldvorming zorgvuldig bijgestuurd. Omdat pacifisten zich vooral onder de «Groenen» van Noord-Amerika en West-Europa bevonden, was het van groot belang om de milieuramp ter plaatse (als gevolg van massale bombardementen over en weer op olie-installaties) toe te schrijven aan welbewust handelen van Saddam Hoessein. Omdat men niet zo snel besmeurde vogels kon vinden om te filmen, werden oude opnamen uit het archief gehaald van de Exxon Valdez-ramp in Alaska en de Amoco Cadiz-ramp in Bretagne. Daarnaast maakten de westerse media gebruik van de «situatieschetsen» waarvan zij met tussenpozen door geallieerde voorlichters werden voorzien. Als men per ongeluk toch burgerdoelen had geraakt, liet men op die manier zien dat er «zeker» militaire schuilkelders onder hadden gezeten.

Overigens ging het aan het eind van de grondoorlog nog bijna fout. De geallieerde luchtmacht voerde massale bombardementen uit op een colonne auto’s die vanuit Koeweit op de terugtocht was naar Bagdad. Daarbij zaten niet alleen militaire maar ook veel civiele voertuigen. Erger nog: westerse cameramensen maakten voor het eerst opnamen van verkoolde wrakken en honderden gruwelijk verminkte lijken. Men vreesde dat de weekhartige westerse publieke opinie daartegen niet bestand zou zijn en dat oorlogsmoeheid de overhand zou krijgen. Gelukkig wist men het doorgeven van deze beelden «door een technische fout» enkele dagen op te houden. Volgens sommige bronnen speelde dat zelfs een rol bij de beslissing om niet naar Bagdad door te stoten en Sad dam alsnog ten val te brengen. In elk geval kwamen de foto’s en films pas beschikbaar nadat de vijandelijkheden waren gestaakt.

Later werden ook andere zaken van psychologische oorlogvoering en mediamanipulatie bekend. Een zo’n zaak was die van een man die op het beslissende moment in Parijs opdook, beweerde een lijfwacht van Saddam Hoessein te zijn geweest en ooggetuige bij gruwelijke martelingen door Hoessein persoonlijk. Hij zei dat hij als lijfwacht de toppresentator van het avondnieuws op het eerste Franse tv-net, Patrick Poivre d’Arvor, in Bagdad had ontmoet toen die een interview met Hoessein maakte. Poivre d’Arvor bevestigde dat hij hem herkende aan zijn snor. De interviews gingen ook naar andere grote omroepen, van de RAI in Italië tot CBS in de VS. Het Franse tv-net bleek echter bij de neus genomen: de man bleek een Saoedische agent die al jaren bij de Alliance Française in Parijs stond ingeschreven… voor Franse les.

Dat zoiets later uitkomt, doet er overigens niet veel toe: het heeft dan zijn nut al gehad. Om begrijpelijke redenen besteden de media niet al te veel aandacht aan het gemak waarmee zij bij dergelijke gelegenheden op het verkeerde been worden gezet. Boven dien zijn ze het snel vergeten en trappen ze er een volgende keer weer net zo gemakkelijk in. Verder zijn er steeds nieuwe generaties van gretige reporters die de wijde wereld in trekken om verslag te doen van grote conflicten. Ze onderkennen maar zeer ten dele dat er ook andere spelers meedoen aan het grote informatiespel. Spelers die over veel meer ervaring en raffinement beschikken.