FOTOGRAFIE

Luchtwoestijn

Alexander Gronsky

Elke bezoeker van het Arctisch gebied riskeert desoriëntatie, omdat alles er wit is, en er weinig accenten in het landschap zijn die houvast bieden. Dimensies vervagen dan; de timmerman Gerrit van der Veer, die met Willem Barents overwinterde op Nova Zembla, meldde in zijn dagboek dat de overwinterende bemanning soms het spoor volledig bijster was. ‘Alst claer weder was, hebben wy ons dickwils laten duncken dat wij’t landt saghen, ende wesent malcanderen int z[uiden] van ons huijs, als een berghachtich landt’ - dat er dus helemaal niet was.
De desoriëntatie van een besneeuwd landschap is een belangrijk middel in de foto’s van de Estische Rus Alexander Gronsky, te zien in Foam, Amsterdam. Zijn landschappen zijn volledig besneeuwd; wat de kijker ziet zijn gebouwen, bomen, menselijke figuren in het landschap, en onmiddellijk is duidelijk hoezeer die zichtbare elementen dienen als houvast voor het oog. Gronsky laat - in de serie The Edge, die aan de randen van Moskou gemaakt is - steevast een hek of een elektriciteitskabel dwars door het beeld lopen, als een zelfgekozen horizon, zodat we weten waar we zijn. Het zijn prachtige beelden. Het cliché van de nietige mens, die maar weinig te betekenen heeft in zulke machtige witheid, komt op, maar dat is bij nader inzien niet toepasselijk. Wat Gronsky laat zien is dat de menselijke aanwezigheid een ijle, maar concrete verschijning is. De mottige flatgebouwen, de voetbalveldjes, de opblaasbare sleetjes in het park, het huisvuil, dat alles hangt in een ledig niets, maar het ís er - want je herkent het, ook al heeft ’t geen schaduw. Het landschap is er, omdat 'wij’ er zijn. Dat wij er niet veel te zoeken hebben, misschien, en dat in die Russische grenzen van de stad en daarachter, in Jakoetië en aan de Amoer, weinig verheffends wordt verricht, tiens, dat is vers twee.
Nog sterker is dat gevoel van onwezenlijke aanwezigheid te voelen in de serie Less than One, foto’s gemaakt in de territoria van de Russische Federatie waar gemiddeld minder dan één bewoner per vierkante kilometer verblijft. Hier is het echt zoeken naar een teken van leven. Je ziet een kleumend groepje, verzameld op de oever van de Jakoetsk, in afwachting van het pontveer naar joostmagwetenwaar. Je ziet twee mensen op een bevroren veld, omringd door achtergelaten kartonnen dozen. Je ziet één naakte figuur, liggend op een handdoek op het dak van een fabrieksgebouw, met verder in de wijdste omgeving niets, een brede rivier of een binnenzee, in de verre verte heuvels. Die vrouw ligt daar te zonnen, dan zal het dus wel zomer zijn - maar verder is er niets dat daarop wijst. Bestaan die heuvels echt? Of laat de uitgestrektheid het ons duncken?
Hoewel dit alles onverbiddelijk Russisch is, hangt het in Nederland volkomen op zijn plaats. Veel van de 'Hollandse Velden’ van Hans van der Meer, bijvoorbeeld, hebben een vergelijkbaar karakter: ook daarin is het de eenzame keeper, of de man bij de bal-in-de-sloot, die wordt getoond als het enige teken van leven in de oneindige luchtwoestijn die het Nederlandse landschap is. Gronsky werd de Paul Huf Award toegekend, een geldprijs én een jaar verblijf in Amsterdam. Hij zal nog opkijken van de desolaatheid, hier.

Paul Huf Award 2010: Alexander Gronsky, t/m 10 oktober. Foam Fotografiemuseum Amsterdam. www.foam.nl