Lucifer in het gras

Joost Zwagerman (1963-2015) was een tobber, dat was duidelijk voor iedereen die hem een beetje kende. Onvermoeibaar als schrijver, alomtegenwoordig in de media, niet bang om tegendraadse meningen te verkondigen, was hij een uitzonderlijk succesvol literator.

Toch kon die rusteloze activiteit de laatste jaren niet verhullen dat de bloei van zijn schrijverschap al geruime tijd achter hem lag, terwijl hij misschien aan het echte schrijven nooit was toegekomen. Zwagerman leek permanent op zoek te zijn, naar liefde, schoonheid en opwinding, maar op de een of andere manier kon hij er steeds net niet bij. Zijn vorige dichtbundel, Voor alles (2014), gaf alleen al in de vorm blijk van een diepe gespletenheid, daar de eerste helft werd gedomineerd door angst en verdriet, terwijl de tweede helft een bijna manisch enthousiasme voor beeldende kunst tentoonspreidde, waarbij hij probeerde zijn geliefde te laten opgaan in alles wat hij bewonderde. Maar ook van die laatste reeks ging een zekere vermoeidheid uit, als geloofde hijzelf niet helemaal in zijn eigen constructie. Een tobber dus, maar behalve zijn intimi misschien zal niemand verwacht hebben dat hij een einde aan zijn leven zou maken.

De postuum verschenen bundel Wakend over God laat zien dat Zwagerman in zijn laatste maanden geprobeerd heeft in contact te komen met God. Het is niet gemakkelijk over dit boek te schrijven. Voor iemand als Zwagerman kun je alleen maar respect hebben, maar het gros van deze gedichten is zo verschrikkelijk slecht dat je vervuld wordt van plaatsvervangende schaamte. Het is bijna onmogelijk de bundel anders te lezen dan als egodocument van een man die al te ver heen was om in te zien dat een preek geen poëzie is. Tegelijkertijd heeft dat, in het licht van zijn dood, weer iets ontroerends.

Wat maakt Wakend over God tot een hopeloos mislukt project? Een deel van het probleem schuilt in Zwagermans keuze voor een techniek die sinds de Late Oudheid een hoge vlucht heeft genomen in met name christelijke literatuur: de allegorese. Theologen als Augustinus gingen ervan uit dat God de wereld door middel van het woord had geschapen, hetgeen impliceerde dat de kosmos een boek is. Dat boek vertelt het verhaal van Gods heilsplan, maar om het de mensen niet te gemakkelijk te maken heeft Hij zijn boodschap enigszins verhuld. Het komt er dus op aan de code te kraken en de raadsels op te lossen, maar als je daar enige scholing in hebt gehad zul je zien dat alles betekenisvol is. De opkomst van de zon, die eerder was ondergegaan, staat voor de wederopstanding, seksueel verlangen is een verlangen naar God, wie in bad gaat wordt eigenlijk gedoopt in de Jordaan. ‘Mij spreekt de blomme een tale’, zegt Guido Gezelle. Dichters en schrijvers imiteren Gods schepping door hun werken zo op te zetten dat de lezer wordt uitgenodigd ook daarin op zoek te gaan naar theologische waarheden, wat met een beetje wringen natuurlijk altijd lukt. Vaak zijn ze overigens niet te beroerd er de beoogde interpretatie kant-en-klaar bij te leveren. Aangenomen dat in alles uiteindelijk Gods vinger te vinden moet zijn, maakt allegorische literatuur het zich vaak erg gemakkelijk. Neem een willekeurige anekdote, associeer even door, en ja, ze blijkt een diepere lading te hebben die, hoe kan het ook anders, precies aansluit bij wat de bijbel ons leert. Mogelijk zonder het te beseffen heeft Zwagerman zich in deze traditie geplaatst. Het gedicht Sprong begint als volgt:

Aan de slootkant vond ik in

het gras een lucifer, gebruikt,

en zei fijnzinnig dat die lucifer

een wit-met-zwarte polsstok was.

Typerend voor de allegorie is dat de dingen nooit gewoon zijn wat ze zijn. Zo wordt de lucifer, die geassocieerd mag worden met Lucifer, een magisch voorwerp waarmee je naar de Overkant hoopt te kunnen springen. Dat moge een fijnzinnige observatie zijn, de formulering van de vondst is dat zeker niet. De eerste regel eindigt op het betekenisarme ‘in’, de herhaling van ‘lucifer’ is overbodig, en hoe een gebruikte lucifer eruitziet is algemeen bekend. Na enige aarzeling besluit de spreker de sprong te wagen, maar hij haalt ‘de annalen/ noch de overkant’, omdat de lucifer ‘als een polsstok’ afbrak – alsof dat het gebruikelijke lot van polsstokken is.

Daarna wordt het pas echt erg:

God stak maar weer een sigaret op.

Hij pufte wolkjes in het zwerk.

De sigaret verloor de eerste as.

Zijn lucifer bleek een gemikte straf.

De zondaar realiseert zich zijn misstap en is God dankbaar voor de straf. ‘De sloot en ik, we huiverden./ Alles laaide van bezield verband.’ De verwijzing naar Marsman onderstreept nog eens de futloosheid van Zwagermans poëzie.

De dichter maakt toespelingen op Reve en Lucebert, wier wanhopige mystiek heel wat diepzinniger is dan die van Zwagerman, hij zevert over zijn jeugd en herschrijft het verhaal van de zondvloed, hij fantaseert over de dood van zijn dochter en worstelt als Jacob met de engel, en enkele malen speelt hij met het motief van de zelfdoding. Zo wordt, in een puur reviaans gedicht, de oerknal gezien als het schot waarmee God zichzelf van kant maakt.

Zwagerman realiseerde zich terdege dat zijn God op projectie berustte, want ‘gek genoeg gelooft God niet/ in zichzelf, daar heeft Hij ook wel/ alle reden toe’:

Neem een anekdote, associeer even door, en ja, ze blijkt een diepere lading te hebben

Het resultaat

moet zijn dat Hij, de Betwijfelde en

Twijfelaar, overal en altijd maar,

tot in de interpunctie van dit

in beginsel vroom gedicht, in

Zijn kern en wezen wordt bespot.

Dat klopt, helaas.


Drie-eenheid

Een filosoof – weet niet meer wie –

schreef ooit: God heeft heel veel

te danken aan Johann Sebastian Bach.

Geniaal en godgelijk heb ik

geen lijntje met hen beiden. We

konden dus niet afspreken

dat ik met ziel en zaligheid en met

het laatste woord van dit gedicht

die goddeloze spreuk in mag.