Lucky luke is de held dan toch vermoord?

Vijftig jaar trekt Lucky Luke nu al door het Wilde Westen. Alwaar hij de goeden van de kwaden scheidt, zonder ook maar een dodelijk slachtoffer te maken. Maar wordt het ondertussen niet tijd voor een verschoninkje?
IN DE TREIN naar Brussel, de vestigingsplaats van het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal, hernieuw ik, na al die jaren, de kennismaking met Lucky Luke - de beroemde stripfiguur aan wie in de Belgische hoofdstad een expositie is gewijd. Het album, even voor Lucky Lukes vijftigste verjaardag verschenen, heet De Daltons op de bruiloft. Het gaat hier om de bruiloft van de sheriff van Hadley City, de man dank zij wie de desperado’s Joe, Jack, William en Avarell Dalton tot levenslange dwangarbeid zijn veroordeeld.

Zij breken uit, een dure eed zwerend dat zij de man nog voor het jawoord opgeknoopt zullen hebben. Lucky Luke krijgt de taak het leven van de bruidegom te redden. Maar wat gebeurt, tot onze ontzetting! Voor de eerste keer in zijn vijf decennia omvattende carriere wordt Lucky Luke in een revolverduel verslagen. Ontzield ligt de held op de plankieren van de saloon. Joe Dalton, de kleinste en slechtste van de vier, is buiten zichzelf van vreugde. Eindelijk is het gelukt. ‘Ik heb Lucky Luke neergeschoten! Ik heb Lucky Luke neergeschoten!’ stottert hij. De klapdeuren wijken. Daar staat de lijkbidder, met de kist. 'Wat een tijden’, verzucht de ondernemer, 'straks moet ik nog personeel in dienst nemen.’ De barman ('Alstublieft, mister Dalton’) serveert de bruiloftschampagne in borrelglazen. Gekist wordt Lucky Luke op de lijkwagen geschoven. Jolly Jumper, zijn trouwe paard, kan zijn ogen niet geloven. 'Dat is toch niet mijn cowboy, mag ik hopen!’ Helaas. Het paard van de lijkbidder maakt aan elke onzekerheid een einde. 'Bent u familie?’ vraagt het stomme beest. 'Dan bied ik u mijn innige deelneming aan’. De rouwstoet begeeft zich in de richting van de begraafplaats. 'I’m a poor, lonesome horse’, verzucht Jolly Jumper. Onderwijl brengt de lijkbidder Chopins marcia funebre op de mondharmonica ten gehore.
Dit is een korte samenvatting van de pagina’s 34 en 35, drieendertig gags, ondersteund door briljant tekenwerk. De strip blijkt in de loop van al die jaren niets aan kwaliteit te hebben ingeboet. Op de vraag waarom tekenaar en tekstschrijver de jubilaris uitgerekend in zijn jubeljaar besloten neer te knallen, mag ik omwille van de ontknoping van het verhaal geen antwoord geven.
DIE TEKENAAR IS de zich Morris noemende Belg Maurice de Bevere en de figuur van de lijkbidder is een van zijn specialiteiten. Het is een roofvogelachtige lijkenpikker, hopend en biddend dat de lokale onlusten in een maximum aan klanten zal resulteren. Maurice de Beveres lijkbidders zijn gemodelleerd naar de jezuieten bij wie hij als jongeman is schoolgegaan. 'Ik heb om precies te zijn twee inspiratiebronnen voor mijn lijkbidders en begrafenisondernemers’, zei hij in een vraaggesprek. 'De jezuieten uit mijn jeugd en de sociologen en psychologen die ik ontmoet heb op sommige van die stripfestivals in Lucca en Bordighera.’
Deze confrontaties hebben veel indruk op de kunstenaar gemaakt, want hij komt er in elk vraaggesprek op terug. 'Het was een volkomen belachelijke zaak, zoals daar zwaarwichtig werd gediscussieerd over de kolonialistische tendensen bij de Fantoom en Mandrake, de seksuele frustraties van Desime en het masochisme van Donald Duck. Flauwekul. Er was een klein groepje professionelen uitgenodigd - tekenaars en tekstschrijvers -, dat ergens helemaal verbluft bij elkaar in een hoekje zat; men kon boven ons aller hoofd een vraagteken zien zweven.’
Heeft Lucky Luke dan werkelijk geen enkele boodschap? 'Als er een boodschap in mijn werk zit, dan zit die zodanig verborgen dat ik het zelf niet weet’, zei Maurice de Bevere.
ER ZIT DUS niets achter, geen postfreudiaanse broeiingen en geen nabokoviaanse driedubbelduidingen. Het is louter grappenmakerij en vertelplezier, gesitueerd in het Wilde Westen van even na de Amerikaanse burgeroorlog. Een tijdvak dat lang tot de verbeelding heeft gesproken, in en buiten de Verenigde Staten, getuige de vele westerns en wildwestverhalen. But high noon is over.
De western en het wildwestverhaal zijn tegenwoordig ernstig in de rui, de cowboy en de revolverheld zijn in film en literatuur verdrongen door de serial killer en de soap-miljardair. Men zou dus verwachten dat Lucky Luke, de cowboy die al een halve eeuw sneller schiet dan zijn schaduw, langzamerhand ook wel met de vut was gegaan. Niet Lucky Luke. De prairielucht houdt een mens blijkbaar jong. Men zou de vijftigjarige strijder voor recht en wet nog steeds geen dag meer dan 22 jaar geven.
Hij heeft alle groten uit het Wilde Westen in de loop der tijden voor de loop van zijn colt 1873 six shooter kaliber 45 11.4 gehad - Jesse James, Billy the Kid en vanzelfsprekend de fameuze gebroeders Bob, Grat, Bill en Emmet Dalton. Zij sneuvelden bij de beroving van de First National Bank van Coffeyville. Het was een tragedie - voor ons, lezers en kijkers, die zich al snel aan dit bizarre boevenpak waren gaan hechten. Dus nam De Bevere een voorbeeld aan Sir Arthur Conan Doyle, die ooit per ongeluk de navenant populaire Sherlock Holmes uit de circulatie heeft genomen. De Bevere reincarneerde de gebroeders Dalton zes albums later in de nog stompzinniger neven Joe, Jack, William en Averell Dalton, die al snel vele malen beroemder werden dan de historische, slechtgeschoren beroepsmisdadigers naar wie zij zijn gemodelleerd.
Tegen Lucky Luke zijn zij, tot hun wilde woede, kansloos, elk avontuur weer. Niettemin is hij de minst bloeddorstige scherpschutter ter wereld, die zijn schotvaardigheid uitsluitend richt op de haan van een concurrerende revolver, op speelkaarten of geldstukken. 'Het is fantastisch hoeveel geldstukken we in de loop der jaren hebben stukgeschoten; dat zal langzamerhand wel een klein kapitaaltje zijn’, zegt De Bevere.
HET BELGISCH Centrum van het Beeldverhaal is ondergebracht in een oogverblindend fin de siecle-monument. Pascal Lefebre, een van de stafleden, leidt mij rond. Nee, er is in de loop der jaren nog een vijfde dode gevallen, zegt hij en wijst mij de tekening van de scene waarin de schurkachtige Phil IJzerdraad door Lucky Luke vol lood wordt gepompt.
Censor en uitgever hebben blijkbaar zitten slapen. 'Want dat mocht niet’, zegt Lefebre. 'Er mochten in dit soort strips beslist geen doden vallen. Er mocht trouwens sowieso niets. Bier, cola, limonade, melk, dat was geen probleem. Maar een plaatje waarop een fles sterke drank stond afgebeeld, werd onherroepelijk afgekeurd. En wat vrouwen betreft: Het was zelfs niet gepermitteerd een portretje van zo'n saloon-girl aan de muur van het cafe op te hangen.’
Totdat Morris van de conservatieve uitgeverij Dupuis ('Monsieur, nous avons une responsabilite enorme’) naar de wat liberalere uitgeverij Dargaud verhuisde. De kunstenaar transporteerde onmiddellijk een karrevracht van die saloon-girls naar Daisy Town. 'Het gaat inmiddels wat soepeler dan vroeger’, zegt Lefebre, 'maar nog zijn de Belgische striptekenaars tot uiterste terughoudendheid gedwongen. Het is allemaal de schuld van wat wij “de wet van 1949” noemen - een initiatief van de katholieken en communisten, die in die tijd elk hun eigen beweegredenen hadden om een front tegen de verderfelijke invloed van de Amerikanen te maken.’
Zie ik het goed, is de kettingroker Lucky Luke inmiddels van de sigaret af? 'Dat klopt’, zegt Lefebre. 'Onder druk van diezelfde Amerikanen, ironisch genoeg. Daar heeft Morris een paar animatiefilmpjes voor gemaakt, waarin het natuurlijk streng verboden was een sigaret op te steken. Sindsdien rookt Lucky Luke niet meer. Daar heeft hij overigens inmiddels een prijs van de Wereldgezondheidsorganisatie voor gekregen.’
OOIT ZOU DE BEVERE, zei hij tegen zijn journalistieke ondervragers, die ene, grote scene willen tekenen waarin de saloons tot bordelen zijn vertimmerd, waar het bloed van de muren spat. Het voornemen van de vader van Lucky Luke is tussen droom en daad blijven steken. Deze taak is overgenomen door De Beveres alternatieve collega-striptekenaars die zijn werk een jaar of tien geleden hardhandig persifleerden en erotiseerden. Als reactie op de kleinburgerlijke kuisheid in het Belgische stripmilieu - met een schuin oog naar de kassa - werd de internationale markt plotseling overspoeld door een vloedgolf van seks en smeerlapperij. Geen stripheld of stripheldin die niet uit de kleren ging. Plotseling leerden wij Kuifje en de zijnen in een geheel andere gedaante kennen. Steunend beklom de jonge reporter het Italiaanse hooggebergte van de sopraan Bianca Castafiore: 'Haaa, ik kom! Ik kom! Haaa! Huuu! Garig!’. Suske wist wel raad met Wiske: 'Ik arriveir! Ik arriveir!’. Ook het vooruitstrevende Nederland werd niet gespaard: Juffrouw Doddel werd feestelijk door Olivier B. Bommel het hemelbed ingeleid: 'Ooh! Ach! Jaah! Ik heb altijd al geweten dat ik het in mij had.’
Ook Lucky Luke schoot plotseling met scherp, volgens een vrij archetypisch patroon. De western moge, naar kenners ons verzekeren, op slechts twintig varianten zijn gebaseerd, in sexualibus is het aantal mogelijkheden nog beperkter. Voorbeeld: De uitgebroken Daltons laten een spoor van verkrachtingen na. Lucky Luke grijpt hen in de kraag en laat zich ondertussen de kans niet ontgaan de slachtoffers op zijn eigen wijze te troosten. Dat er zoveel viriliteit in zo'n schriele gestalte steekt! 'Het is verdomd moeilijk het verschil te zien tussen helden en schurken, in het Westen’, verzucht de dame - haar achterwerk in de richting van haar redder geheven.
Voorbeeld nummer twee: De gevreesde Billy the Kid viert, een pistool onder handbereik, zijn lusten bot op een sidderende blondine. 'Mister B… B… Billy, het is - snik - heerlijk’, zegt zij, terwijl de tranen over haar wangen stromen. Ha, nu heeft Lucky Luke de kans de schoft achter de tralies te krijgen. Maar het slachtoffer is veel te bang om te getuigen. 'Ik verkracht? Hoe komt u erbij?’ Razend neemt Lucky Luke op zijn beurt zijn machtige wapen ter hand teneinde de leugenares een lesje te leren. Gevolgd door de klassieke afmaker in deze parodieen: 'Ik vraag me af wie de goeden en wie de slechten zijn in dit verhaal.’ Voor de volledigheid: Billy the Kid wordt uiteindelijk tot 1247 jaar dwangarbeid veroordeeld wegens het stelen van een chocoladetoffee, want ook hier is Lucky Luke uiteindelijk de sterkste en de slimste.
De expositie documenteert hoe vergaand De Bevere door de cinematografie is beinvloed. Heel Hollywood is via het witte doek op zijn tekentafel beland - Gary Cooper, Christopher Lee, George Gainsbourg en Lee van Cleef. Hadden Groucho Marx, Louis de Funes, Jean Gabin en Alfred Hitchcock ooit kunnen dromen een rol in een western te zullen spelen?
Wij zien foto’s uit Pacific Express en Virginia City. De laatste met afgescheurde hoekjes, want de jonge De Bevere, arm als een kerkrat, jatte zijn inspiratiebronnen uit de vitrines van de buurtbioscoop. Zijn oeuvre is een hilarische parodie op de verzamelde koeiejongens van MGM en Paramount. Diep was hij onder de indruk van William Wylders The Westerner (1940), met Walter Brennan in de rol van 'the hanging judge’ Roy Bean. Dus herschiep hij deze in het album De rechter, waarbij hij de extreme trekjes van de gezagsdrager nog wat aanscherpte. Zijn rechter Roy Bean is een corrupte, alcoholische malloot, een analfabeet die rechtspreekt vanachter de tap van de door hemzelf uitgebate slempgelegenheid, het wetboek van strafrecht ondersteboven in de hand houdend. 'Pas lire? Moi!!??’ roept hij verontwaardigd.
EIGENLIJK WETEN WIJ niet zoveel van Lucky Luke. Een priveleven heeft hij niet. Vrouwen gaat hij uit de weg, hij slaapt in de flanken van Jolly Jumper, zijn omnipotente, sprekende paard, dat tussen de bedrijven door een heel aardig partijtje schaak speelt. Lucky Luke jaagt op schurken, dag in dag uit. Dit zijn zo'n beetje de biografische gegevens. Hij galoppeert van de oostkust naar de westkust, zodat wij kunnen veronderstellen dat hij naar woestijnwind en naar okselzweet ruikt, want hij heeft zich in zijn vijftigjarige leven nog niet een keer verschoond.
De Luke-vorsing heeft gewezen op het feit dat deze cowboy, die overigens nog nooit in de directe omgeving van een koe is gesignaleerd, al een leven lang met hetzelfde gele overhemd, dezelfde rode halsdoek, dezelfde witte hoed en dezelfde blauwe broek is uitgedost. Onverslijtbaar, Lucky Luke zowel als zijn kledij. Ondertussen verwondert het ons niets dat hij al die tijd geen meisje heeft kunnen krijgen.
De held heeft zich moeten troosten met een ruiterstandbeeld bij het metrostation van Charleroi. Nee, Lucky Luke c.s. zijn niet meer omstreden. Belgie heeft zich inmiddels tot het hoofdkwartier van de 'negende kunst’ uitgeroepen. 'Wij striptekenaars werden beschouwd als de bedervers van de jeugd’, zegt De Bevere. 'Wij hadden dezelfde status als de drugsdealers nu. Als iemand ontdekte dat je striptekenaar was, kreeg je vaak dezelfde vraag gesteld als een meisje van lichte zeden: “Weet uw moeder ervan op welke wijze u uw brood verdient?” ’
Alles is anders geworden. De geestelijke vaders van de nationale stripfiguren zijn bekroond en worden bejubeld en de eerste strips zijn inmiddels geaccepteerd op de lijst voor het eindexamen.
DE VIJFTIGSTE verjaardag van Lucky Luke valt samen met de honderdste verjaardag van het stripverhaal. Het wordt in Belgie tot in de kleinste uithoeken gevierd tijdens gelegenheden als het 'Tweede stripfestival van Brussel - Eregenodigde: Kobe de Koe’, het 'Zevende stripfeest van Ganshoren - Honderd uren strippret in het Rivierenkasteel op initiatief van Villa Diffusion en De Zeyp’, het 'Negende stripfestival van Kortrijk - In het kader van de Sinkensfoor’ en het 'Elfde Fristi-stripfestival van Koksije - Met Billie en Bollie, Dan Cooper en Sam’. Meer dan honderd manifestaties in totaal.
Morris De Bevere is voorzitter van het Eeuwfeestcomite, Koning Albert II is beschermheer. In een brochure van het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal wordt geconstateerd dat de strip 'de meest vruchtbare creatieve sektor’ van de natie is, 'een van de hoogvliegers van onze ekonomie’ en 'een uitverkoren onderzoeksterrein voor universitaire vorsers, kritici en de hele intelligentsia’. Hopelijk is dit ironisch bedoeld. Niets tegen Billie en Bollie, Suske en Wiske, laat staan tegen Lucky Luke, maar een natie waarvan deze figuren zowel de artistieke, economische als de wetenschappelijke fundamenten vormen, moet zich werkelijk op enig kritisch zelfonderzoek beraden.
TWINTIG VLAAMSE kindertjes dartelen de trap van de expositieruimte op, blaffend tot discipline gemaand door een Franstalige suppoost. Zij begeven zich braaf langs de panelen. 'Kijk, Jesse James!’ 'Kijk, Calamity Jane!’ De helden uit onze jongens- en meisjeskamer hebben niets aan glans verloren. Al snel zijn de kindertjes op het gebodene uitgekeken. Zij verzamelen zich rond het televisiescherm, midden in de tentoonstelling, vlak voor een gereconstrueerde saloon. Op het scherm bewegen zich cowboys, kroegbazen, veefokkers en beroepsgokkers. De kijkertjes mogen er met een elektronisch pistool op schieten. Daar wordt enthousiast gebruik van gemaakt. Pief, paf, poef - en de lijken, van helden en schurken, tuimelen bij bosjes de prairie in.
Want in de praktijk is tegen de bloeddorst van de lieve jeugd geen censor opgewassen.