Lui denken

Midden in de mensenstroom in een winkelstraat op zaterdag staat een klein grijs vrouwtje. Olijke glimlach, grote zwarte bril op. In haar hand een stuk papier dat ze omhoog houdt, niet voortdurend, maar telkens heel even, alsof ze de adressanten van haar boodschap er bewust uitpikt. Zenuwgassen getest op cavia’s, staat er te lezen.

Ze draagt geen foldertjes bij zich, geen machtigingsformulieren; uitzonderlijk genoeg staat hier dus iemand in een mensenmassa zonder om geld te vragen, maar puur om dat ene zinnetje te injecteren in de shoppende zwerm. Ze lijkt er een wrang soort genot aan te ontlenen. Steeds als het briefje omhoog gaat, is het alsof ze een lichaamsdeel flasht, of iets schunnigs roept. Zenuwgassen getest op cavia’s.
Over het algemeen haat ik cavia’s. Die absurde knuffelratten zijn ontstaan in een evolutionaire off day, en daarna kapotgefokt door fanatici die hun dochters van negen een lolletje wilden bezorgen.
Maar om die kleine gedrochtjes nu gelijk met zenuwgassen te lijf te gaan, zoals ons ministerie van Defensie schijnt te doen (ja, de injectie heeft gewerkt, thuis heb ik het meteen op internet opgezocht), dat gaat ver. Het geeft de spotnaam ‘caviapolitie’ een heel nieuwe inhoud.
Mij gaat het echter om het vrouwtje en haar communicatiestrategie. Psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman haalt in zijn laatste boek (Ons feilbare denken) een experiment aan waarbij hij eerst een rijtje zelfbedachte namen geeft: David Stenbill, Monica Bigoutski, Shana Tirnana. Twee dagen na het lezen van die namen krijg je een namenlijst voorgehouden: met min of meer Bekenden ('B-sterren’), plus wat fictieve namen onder wie David Stenbill. De taak is nu om alle B-sterren aan te kruisen. Een meerderheid van de proefpersonen vinkt dan ook onze David Stenbill aan als beroemdheid. 'De illusie van bekendheid’, noemt Kahneman dit verschijnsel. Je kunt hersenen voorbereiden (primen), om ze ontvankelijk te maken en te sturen.
Zo ook met die cavia’s. De actie van het vrouwtje bereidt ons voor om cavia’s en zenuwgassen aan elkaar te koppelen. Waarschijnlijk lezen we haar mededeling nauwelijks bewust. En toch zullen we aan cavia’s denken als het later over zenuwgassen gaat.
In gedachten zag ik ze al in containers de gaskamers verlaten. Totdat ik een betrouwbaar rapport vond dat meldde dat het om een stuk of zestig van die beestjes per jaar gaat. In 2010 zijn er zelfs helemaal geen cavia’s meer misbruikt. Met ratten haalde het ministerie veel vaker narigheid uit, maar die lenen zich dan weer niet voor een campagne. Je ziet maar weinig meisjes van negen met ratten knuffelen.
Cognitief gemak, volgens Kahneman. We nemen voor waar aan wat bekend is, wat duidelijk leesbaar gedrukt staat, of wat ons verteld wordt terwijl we in een aangename stemming zijn. Denk maar eens aan Italiaans schepijs op een zwoele zomeravond in een Toscaans dorpje. Proef het fruit, ruik de geuren, ervaar het verrukkelijke plezier. Er klatert een fontein. Iemand speelt viool.
Even een simpel rekensommetje tussendoor. Vijf machines maken in vijf minuten vijf apparaatjes. Hoeveel minuten hebben honderd machines dan nodig om honderd apparaatjes te maken?
Wát zegt u? Honderd minuten? Lees het raadsel dan nog eens, en denk er eens over na. Juist, vijf minuten natuurlijk, maar uw denken is lui, vooral ’s avonds in Toscane.
Laten we Toscane achterwege en drukken we het raadsel bovendien af in een moeilijk leesbare letter, dan blijkt ineens het aantal onjuiste antwoorden te dalen. Verklaring: het langzaam denkende, kritische systeem is dan geactiveerd, en dat is klaarblijkelijk dominant over het klakkeloze automatisme. Wie zich prettig en veilig voelt (ijsjes eten in Toscane), heeft geen biologische noodzaak om alert en wantrouwend te zijn. Staat het kritisch instinct eenmaal aan, dan onderwerpt het alles aan zijn strenge blik.
Heeft het caviavrouwtje dit intuïtief begrepen, en glimlachte ze daarom zo olijk, om ons in de ontvankelijke breinmodus te krijgen?
De experimenten van Kahneman zijn onmisbaar voor iedereen die beroepsmatig communiceert. Literatoren niet in de laatste plaats. Ook die moeten hun lezers op de juiste momenten luie denkfouten laten maken om ze even later weer wakker te schudden met ongemakkelijke waarheden. Hij moet ze primen en in slaap wiegen met Toscaans schepijs, en ze streng laten redeneren over cavia- en rattenleed.
En de inzichten komen nog op een ander moment van pas: als het boek gedrukt is. Dan moet je jezelf en je boek veranderen in een David Stenbill: ze de illusie van bekendheid geven, het aureool van roem. Auteursnaam en boektitel moeten als merkjes oplichten, zo vaak dat niemand meer aan z'n cognitieve gemak kan ontsnappen en in de boekwinkel uitroept: dit boek is verschrikkelijk beroemd! Ik koop de hele stapel! Als dat niet werkt, kun je altijd nog in een drukke winkelstraat je boek omhoog gaan houden.