Van arm wittes naar white trash

Luie Afrikanen

Het verschijnsel arm wittes is een begrip geworden in Zuid-Afrika: werkloze blanken bungelen onder aan de sociale ladder, zijn afhankelijk van liefdadigheid of moeten byt en zula. Ze zoeken de schuld voor de ellende niet bij zichzelf. ‘Het begon met (ex-president) De Klerk, en het gaat maar door. Hij gaf alles weg aan de zwarten. Nu is de zwarte de baas.’

‘STUPID PEOPLE SHOULDN’T BREED’, roept een bezonnebrilde man vanuit zijn witte BMW naar een vrouw bij een kruispunt. Zwaarlijvig en met een ogenschijnlijk tandeloze mond staat ze in de felle zon en houdt een kartonnen bord voor haar buik met de tekst: ‘Vier kinderen, geen werk, alle giften welkom, God bless.’ Je ziet ze bij stoplichten, kruispunten en parkeerterreinen: de aan lager wal geraakte blanken met hun verweerde koppen en lege blikken. Sommigen bedelen, anderen verkopen kranten of werken gehuld in een fluorescerend hesje als autowacht. De meesten zijn Afrikaans. Ze gedragen zich anders dan hun zwarte lotgenoten, minder theater, beschaamd bijna. In- en intriest ogen ze. En toch, je eerste gedachte is: hou toch op, jullie hadden veertig jaar de tijd om jezelf te verrijken.
Het verschijnsel arm wittes is een begrip in Zuid-Afrika. Zelfs Jacob Zuma voelde zich – nog voordat hij president werd – geroepen om een sloeberkampement te bezoeken. Volgens de hulporganisatie Helpende Hand, een initiatief van de Afrikaner vakbond Solidariteit, is wat je op straat ziet slechts het topje van de ijsberg. De ellende tast als een virus de blanke gemeenschap aan. In een rapport betoogt Helpende Hand dat deze mensen door de ‘raciaal vooringenomen’ regering worden genegeerd. ‘Het is waarschijnlijk de enige vorm van armoede in de wereld die vanwege politiek correcte redenen wordt verzwegen.’
De hoofdoorzaken van deze alarmerende ontwikkeling, aldus Helpende Hand, zijn gedwongen ontslagen, vervroegde pensioenen en een regeringsbeleid dat er middels positieve discriminatie voor zorgt dat banen vooral naar zwarten gaan. Tussen 1998 en 2002 nam de blanke werkloosheid met 74 procent toe, bijna twee keer zo veel als het nationale gemiddelde (maar ze is nog altijd vele malen lager dan de zwarte werkloosheid). Een geschatte tien procent van de blanke bevolking leeft inmiddels in armoede, dat wil zeggen met een gezinsinkomen van maximaal driehonderd euro per maand. Bijna tweederde van hen is Afrikaans.De verschoppelingen van het nieuwe Zuid-Afrika? Slachtoffers van de rassenpolitiek? Of gewoon luie donders die te beroerd zijn om hun handen uit de mouwen te steken? En als het er inderdaad zo veel zijn, waar zitten ze dan?
In de afgelopen jaren heeft een steeds grotere groep zijn toevlucht gezocht in plakkerskampen (informele nederzettingen), achtertuinkrotten of overbevolkte flats, zegt Mariana Kriel van Helpende Hand: ‘In december 2008 waren er 38 plakkerskampen in Pretoria, in februari 2009 waren dat er 77.’ En in tegenstelling tot de eindeloze zwarte krottenwijken zie je ze niet. Letterlijk verborgen armoede. Kriel wijst de belangrijkste kampementen in Pretoria op de kaart aan: Sonheuwel, Eagle’s Nest, Westfort en het door Zuma bezochte Bethlehem. Maar, voegt ze toe, je vindt ze nu in het hele land.

DE WEG GAAT DOOR PRETORIA-NOORD, langs autohandelaren, lommerds, seksshops en fastfoodrestaurants. Allengs wordt de omgeving minder urbaan. De R101 naar Bela Bela wordt voornamelijk geflankeerd door schroothopen (‘Cash for scrap’) en handelaren in tweedehands auto-onderdelen. Bij een drankzaak rechtsaf, daarna weer rechts een hek door, en je bent bij Eagle’s Nest (ook bekend als Sonskynhoekie), een plakkerskamp van zes hectare dat uitkijkt op de vier koeltorens van de Rooiwal-elektriciteitscentrale.
Het kamp wordt gerund door de 66-jarige Hans Duvenhage, die met zijn witte baard en getatoeëerde onderarmen het midden houdt tussen kerstman en zeebonk. In 2001 begon hij mensen uit te nodigen om zich op zijn land te vestigen. Puur uit altruïsme, zegt hij op een stoeltje in de schaduw. ‘Ik rij over de weg, zie iemand tegen een boom liggen, en zorg dat hij weer een leven krijgt. Vanaf mijn dertiende zet ik me al in voor mensen. Ook zwarten. Voor mij zijn dat ook mensen. Het is een gift van God. Mijn moeder was ziek, mijn vader dronk te veel. Wij voedden onszelf op.’
Het is een komen en gaan van berooiden – een subcultuur met zijn eigen jargon: outies (vagebonden) zwerven van stad naar stad, waar ze byt (je als een teek aan mensen vastklampen voor een paar centen) of zula (schooieren). Er zijn koppelbazen die ’s ochtends de outies met hun bakkie ophalen en ze afzetten bij ‘hun’ stoplicht om ze dan ’s avonds weer bij hen ‘thuis’ af te leveren, na een deel van hun daginkomsten te hebben afgeroomd. Soms verblijven hier wel 185 mensen, zegt Duvenhage. Dan slapen ze zelfs in zijn huis. Op het moment zijn er 35 blanken en achttien zwarten. ‘Ik stuur nooit iemand weg. Je weet nooit wanneer het jouw beurt is om voor God te verschijnen. Alleen dronkies en drugs wil ik hier niet zien. Soms heb je mensen die hier door hun kinderen worden gedumpt. Of andersom: ouders die hun kinderen hier komen brengen. Ik probeer ze moed in te spreken, en zeg dat er best weer goede tijden komen. Ik ben als een vader voor ze.’ Een vrouw komt zeuren om vijf euro. Nu niet, hij is even bezig. Van de echte sloebers verlangt hij geen huur, vervolgt hij. Gepensioneerden moeten 35 euro per maand betalen, bijna een derde van hun pensioen. Eten en drinken krijgt hij van supermarkten. Soms geeft een weldoener hem een paar honderd euro. Iedere maandag bezoekt een (zwarte) arts het kamp.
En Helpende Hand? Die komen ook regelmatig. Of tenminste, Duvenhage denkt dat die kerel die maandelijks voedselpakketten komt afleveren van Helpende Hand is. ‘Ze zijn ook met een bijbel gekomen, een nieuwe. Een gouden bijbel… Ik lees nog gewoon in mijn oude bijbel.’ En de kerk? Die zijn een keer langs geweest, maar de zangkwaliteiten van de bewoners lieten te wensen over. ‘Nooit meer teruggezien. Ach, ze weten hier ook niet veel van Jezus.’
Eagle’s Nest is een verzameling houten huisjes, tenten, caravans en golfplaten onderkomens. Er is een tuck shop, een miniwinkeltje. Er zijn enorm veel honden, bijna nog meer varkens, om van vliegen maar te zwijgen. Geen elektriciteit en het lege veld ernaast doet vermoeden dat het toilet zich daar uitstrekt. Een schare bewoners trekt die middag voorbij, allemaal met hun eigen verhaal van een leven dat onherstelbare schade heeft gelopen, met Eagle’s Nest als tussenstation of laatste halte. Met de gevolgen van positieve discriminatie heeft het weinig te maken, en niemand geeft de schuld voor hun misère aan ‘de zwarten’. De meesten voelen zich ook niet per se Afrikaans. Het leven in de marge heeft alles, inclusief taal en cultuur, afgevlakt.
De 46-jarige Lynette Upton, flesje cola in de hand, bekent dat ze een dronkie was en nu probeert te stoppen. Maar toen haar man onlangs overleed aan uitdroging, nadat hij jarenlang bij een stoplicht had staan byt, werd de verleiding te groot. Twee dagen verkeerde ze in dronkenschap in een karaokebar. Ze viel om zonder dat ze dat merkte. ‘Dat kwam gewoon van de stress’, bezweert ze. ‘Sommige mannen in het kamp zien me nu als prooi. Maar ik ben daar nog niet klaar voor.’
Een zwaar opgemaakte vrouw grijpt me bij de arm. ‘Parlez-vous français. Moi, je parle français très bien’, zegt ze giechelend. Ze komt naast me zitten op een platte boomstam. Als ze opstaat om naar de drankwinkel bij de R101 te lopen, strijken vliegen neer op de natte plek die ze op het gladde hout heeft achtergelaten.

DE NEDERZETTING waar Zuma tweemaal zijn gezicht liet zien heet Bethlehem, en ligt aan de westelijke rand van Pretoria, tegenover begraafplaats Zandfontein. Vanaf de weg is ze niet zichtbaar. De bouwsels gaan verscholen achter een breed crèmekleurig woonhuis met een bord ‘To God The Glory’, dat toebehoort aan de eigenaar van de plot, die in 2005 het eerste groepje berooide blanken toestemming gaf om zich hier te vestigen. Bethlehem oogt meer geordend dan Eagle’s Nest, met volkstuinachtige houten huisjes (wendies) om een stuk beplante grond.
Momenteel wonen er 32 mensen, zeventien mannen en vijftien vrouwen. De jongste is vijftien, de oudste tachtig. ‘Het aantal neemt toe’, zegt coördinator Carisa Nel in de gezamenlijke eetkeuken, waar maïspap in een grote zwarte pan pruttelt. Nel, wier echtgenoot en kinderen bij een auto-ongeluk om het leven kwamen en die daarna een zwervend bestaan leidde om uiteindelijk in Bethlehem te belanden, is het no nonsense-type. Zij was het die Zuma uitnodigde. ‘Ik zei dat hij ons hier met zijn eigen ogen moest zien, in plaats van al die buitenlandse reizen. Hij at uit die pot daar’, zegt ze, en wijst op de zwarte pot. ‘Ik zei: zelf opscheppen. Hij heeft ons eten, vervoer en elektriciteit beloofd… Ik ga hem binnenkort weer eens bellen.’ Het probleem voor Zuma is dat hij arme blanken geen voorrang kan geven. Zijn voorspelbare boodschap na een tweede bezoek aan Bethlehem dit jaar luidde: ook blank kan op overheidssteun rekenen.
Ze nemen het hem niet kwalijk. Waar Helpende Hand vooral met de beschuldigende vinger naar de ANC-regering wijst, zijn Nel en haar mensen eerder geneigd de hand in eigen boezem te steken. ‘Ik ga er geen doekjes om winden’, zegt ze. ‘Het is niet de schuld van de regering dat we hier zitten, niet van God en niet van onze ouders. Sommigen schelden op de Heer. Maar het is onze eigen schuld.’
‘Schuld’ is hier een relatief begrip. De vijftigjarige Esther Bloem laat me haar wendy zien, piepklein, maar keurig opgeruimd. Bloem werkte een paar jaar voor een telecenter, maar verloor die baan om ‘gezondheidsredenen’. Die gezondheidsredenen, komt er met horten en stoten uit, hadden te maken met haar man, een marechaussee die haar zo ongenadig sloeg dat ze een hersenoperatie moest ondergaan. Drie jaar na de mishandeling scheidden ze. Haar man trouwde met haar beste vriendin en liet haar berooid achter. Bloem krijgt nu een arbeidsongeschiktheidsuitkering van honderd euro per maand, waarvan ze er twintig afstaat als huur. Ze heeft drie kinderen. Alleen haar zoon komt haar eens per maand opzoeken, zegt ze, en staart naar de groene heuvels in de verte. ‘Ja… ze zouden meer voor me kunnen doen. Maar ze zeggen dat zij ook moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen.’
We lopen terug naar de keuken, waar Nel aan de thee zit. Haar mobieltje gaat. ‘Op ’n berg in die nag…’ zingt de omineuze stem van Bok van Blerk; Nel heeft de megahit De La Rey als beltoon, het lied over de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) en onversaagde Afrikaners.
Maar het was diezelfde Anglo-Boerenoorlog die het probleem van de arm wittes in hoog tempo vergrootte. De Engelsen brachten de Afrikaners ondanks heldhaftige generaals als Koos De La Rey een vernietigende nederlaag toe, compleet met concentratiekampen en platgebrande akkers. Het trauma, de chaos, de goedkope zwarte rurale arbeid en de industrialisatie in en rond Johannesburg leidden tot een Afrikaner exodus. Met duizenden tegelijk trokken mensen naar de steden, waar ze een leger van ongeletterde, ongeschoolde, haveloze werklozen vormden, arm wittes, afgeleid van de term ‘poor whites’ die eind negentiende eeuw in het zuiden van de Verenigde Staten in zwang kwam. In 1890 woonden minder dan tienduizend Afrikaners in steden, in 1926 waren dat er 391.000. Een zes jaar later gepubliceerd rapport van de Carnegie Commissie wees uit dat ongeveer een kwart van alle Afrikaners als ‘erg arm’ kon worden geclassificeerd.
De Afrikaner bourgeoisie aanschouwde die situatie met groeiende bezorgdheid: ineens waren zij omgeven door rasgenoten die zich niet of nauwelijks onderscheidden van de zwarten. En, erger nog, die zich ook met niet-blanken leken te mengen. Een combinatie van calvinisme, eugenetica en Afrikaner nationalisme (die tezamen de basis zouden vormen voor apartheid) zorgde ervoor dat politieke, kerkelijke, sociale en culturele organisaties zich over hun berooide taalgenoten, ons eie mense, gingen ontfermen om te voorkomen dat het ondenkbare zou gebeuren: afglijden naar het niveau van de zwarte. Met name de Nederduits Gereformeerde Kerk (NG Kerk) was al heel vroeg actief en hielp wezen, ouderen en gehandicapten. De arm wittes kregen eigen wijken en huisvestingsprojecten, zodat ze konden worden weggehouden van hun zwarte lotgenoten, die swart gevaar, en de communisten, die rooi gevaar. Bij gebrek aan klassensolidariteit werd Afrikaner nationalisme de bindende kracht. Zo succesvol was die alliantie dat de Nationale Partij in 1948 de verkiezingen won, aan de macht kwam en apartheid institutionaliseerde.
De rehabilitatie van de arm wittes slaagde gedeeltelijk. Hun aantal nam gestaag af. Ze kregen werk bij de spoorwegen, in fabrieken en als ongeschoolde krachten bij de overheid. In de jaren zestig waren ‘Afrikaners van alle sociale klassen er dankzij overheidsmaatregelen in materieel opzicht immens op vooruit gegaan’, schrijft socioloog John Hyslop. ‘Ze waren ingekapseld in een netwerk van scholen, sociale verenigingen, kerken, culturele en zakelijke organisaties, die tezamen een zichzelf in stand houdende Afrikaner wereld schiepen.’ Maar er vielen nog steeds mensen buiten de boot. Zij werden als een afwijking beschouwd; arm wittes betekende white trash, een scheldwoord voor hen die er ondanks alle geboden mogelijkheden niet in waren geslaagd aansluiting te vinden bij de middenklasse.
Eind jaren zestig was het gedaan met de blanke solidariteit. De Afrikaner bourgeoisie had er weinig trek meer in om haar mislukte broeders nog bij de economische vooruitgang te betrekken. ‘Het Volk had zichzelf gered, en zij die het niet hadden getrokken, waren het vermelden niet waard’, vat antropologe Annika Björnsdotter Teppo die mentaliteit samen in haar boek The Making of a Good White. Bovendien waren ze niet meer nodig als stemvee, want de Afrikaner elite had politieke en economische pacten gesloten met andere elites.
De arm wittes waren de nieuwe onderklasse, die aanvankelijk voornamelijk bestond uit alleenstaande moeders, ouderen, mensen met geestelijke en lichamelijke problemen en alcoholisten. Met het einde van apartheid in 1994 kwam er ook een einde aan het ras-exclusieve zorgsysteem dat hen nog net uittilde boven zwart. Afrikaner buurten in het noorden en westen van Pretoria, zoals Danville, Booysens en Claremont, verpauperden. Niet alleen bewezen ze dat het zo geroemde Afrikaner helpmekaar-concept had gefaald, ze symboliseerden bovendien een huiveringwekkend toekomstvisioen voor de Afrikaner middenklasse: gedegenereerd in het nieuwe Zuid-Afrika.

OP HET EERSTE GEZICHT valt het mee. Danville oogt als een Zuid-Afrikaanse tuinwijk voor arbeiders, gebouwd met het achterhaalde idee dat een aantrekkelijke woonomgeving automatisch leidt tot sociale verheffing. Maar die vrijstaande huisjes met hun tuintjes maskeren de ellende. Sociaal werker Marlie Van Vuuren neemt me mee naar een huis in Knight Street. In de kleine achtertuin, aan het oog onttrokken, staan maar liefst zes wendies, twee caravans en een dienstbodevertrek, die allemaal afzonderlijk worden verhuurd aan arme blanken.
Een vrouw die zich voorstelt als Cecilia ligt op bed in een smoorhete wendy met een asbest dak, waarvoor ze ruim tachtig euro huur per maand betaalt. Het ruikt er naar kool, zweet en ontlasting. Er ligt een peuter naast Cecilia. Marius heeft vuurrode konen en is volkomen apathisch. Het is Cecilia’s achtste kind. De andere zeven zijn ondergebracht bij pleeggezinnen. Cecilia ziet ze nooit meer. Haar partner verkoopt kranten en vindt af en toe emplooi als dagloner. Het grootste deel van zijn geld gaat op aan drank.
Een paar straten verder staat het lage bakstenen flatgebouw waar Van Vuuren als vrijwilliger werkt. De Kamers is geen slechte naam voor een voormalig kantoorpand vol eenkamervertrekken, waarin nu hele gezinnen verblijven, ruim tachtig in totaal, driekwart blank en de rest zwart. Er zijn twee ruimtes met toiletten en douches. Iemand loopt langs met een eigen afschroefbare douchekop. Alles wat los en vast zit wordt gestolen. De huur in De Kamers bedraagt tussen de 120 en tweehonderd euro per maand. Soms zijn er met kasten tussenschotjes gebouwd.
‘Als je hier woont is je sociale status net iets hoger dan in de plakkerskampen’, zegt Van Vuuren. Het verschil komt neer op de mogelijkheid van gratis kleuterschool en lager onderwijs en meer mogelijkheden tot zula, schooieren. Die iets hogere status vertaalt zich in een andere mentaliteit. De meeste blanke bewoners wonen al generaties lang in Danville. Ze voelen zich nog Afrikaner, ondersteunen het Blou Bulle-rugbyteam en zoeken de schuld voor de ellende niet bij zichzelf. ‘Het begon met (ex-president) De Klerk, en het gaat maar door. Hij gaf alles weg aan de zwarten. Nu is de zwarte de baas’, zegt de 46-jarige bewoonster/opzichter Hannetjie Venter, wier vader bij de spoorwegen werkte en zeventien nakomelingen verwekte.
Van Vuuren houdt zich bezig met de kinderen van De Kamers: spelletjes, creatieve oefeningen en taalles. ‘De meeste ouders hebben geen idee hoe ze dat moeten doen.’ Ook krijgen ze luiers en melk. Maar om daarvoor in aanmerking te komen moeten de moeders minimaal twee keer per week zelf komen opdagen, zodat ze wat opsteken over voeding en hygiëne, want de meeste vrouwen verschonen hun kinderen niet op tijd en houden ze zoet met cola. ‘We willen voorkomen dat de mensen verwachten dat jij alles voor ze doet. Een aantal is al afgehaakt. Die blijven nu op hun kamer. Het kost ze te veel moeite om even naar de gemeenschappelijke ruimte te lopen’, zegt Van Vuuren. Ze noemt het ‘de cyclus van opstaan, verveling, depressie’.
Van Vuuren maakt zich vooral zorgen om de kinderen. De gratis scholen waar de berooide Afrikaners op aangewezen zijn, hebben het zwaar en kunnen zich alleen handhaven door zwarte township-kinderen aan te trekken en tweetalig te worden. Aan de lokale Laerskool Gen. Nicolas Smit (jazeker, een held uit de Anglo-Boerenoorlog) maakt een zesde van de leerlingen gebruik van een speciaal voedingsprogramma voor de meest behoeftigen. ‘95 procent van hen is Afrikaans’, zegt directeur Chris Sealy.
Ouders die het niet aankunnen, drinken en slaan. Bij de kinderen leidt dat tot agressief gedrag, de noodzaak tot bijlessen en problemen met ordehandhaving. ‘De leerprestaties van de Engelstalige (lees zwarte) kinderen zijn beter’, verzucht Sealy. Zijn school heeft een parttime psychologe in dienst. Phoebe Foucher noemt ook seksualiteit als een problematische kwestie. Aangezien de gezinnen dicht op elkaar wonen ‘horen en zien de kinderen dingen die niet voor hun ogen en oren bestemd zijn. Je ziet een toename van ongepast seksueel gedrag, elkaar op bepaalde plekken aanraken. We hebben nu een programma voor de kleuterschool waar ze leren dat niemand hen mag aanraken, nergens.’

IN VELE OPZICHTEN is het een terugkeer naar de jaren twintig, met een deel van Het Volk dat is afgegleden naar een sub-basaal niveau, en dat grotendeels afhankelijk is van liefdadigheid. Het grote verschil met toen is dat ze nu in rap tempo voorbij worden gestreefd door zwarten. Steeds lager aan de ladder bungelen ze. ‘Bij de zwarten zie ik hoop’, zegt Van Vuuren. ‘Voor hen is De Kamers een stapje opwaarts. Blanken zijn veel negatiever en zien vaak geen uitweg meer.’
Bij gebrek aan een politiek of economisch programma resteert het geloof. Veel liefdadigheidsorganisaties organiseren bijbelmiddagen. Ze behandelen dan positieve christelijke films als Fireproof en het bijbehorende boek The Love Dare. In ruil voor het bijwonen van zo’n bijeenkomst krijgen de vrouwen een voedselpakket. ‘De meesten zijn nu echte christenen. Dat geeft ze hun gevoel voor eigenwaarde terug’, zegt vrijwilligster Tertia Morgan.
En de kerk zelf? In Booysens steekt de toren van de NG Kerk nog altijd fier boven de huisjes uit. Op een vrijdagochtend kijkt dominee George Nel in het kerkkantoor samen met een collega naar het rugby op de televisie. Nel ziet eruit alsof hij in zijn jeugd zelf ook een goeie scrum-half was. Met dieven en leugenaars heeft hij weinig geduld. ‘Ek donner hulle’, zegt hij. Zijn calvinistische motto: ‘De Heer heeft ons geschapen om de mouwen op te stropen en te werken.’
Toen hij in 1995 naar Booysens kwam, trof de toen 42-jarige Nel een zieltogende gemeente van een paar honderd man aan. Veel mensen werkten bij de staalfabriek Iscor en waren met vervroegd pensioen gestuurd met een premie van zo’n dertigduizend euro. Dat leek heel wat. Alleen hadden de meesten geen flauw benul van geldzaken. Sommigen begonnen een bedrijfje, dat al snel over de kop ging, anderen vergokten het in het nabijgelegen Marula Sun Casino (dat volgens Nel speciale pendeldiensten verzorgde), en een derde groep ging in zee met charlatans die twintig procent rente beloofden. ‘Kortom, de meeste mensen waren hun geld al snel kwijt.’
Van arbeiders werden ze overlevers. En in de wijk werd het concept ‘werk’ iets uit die goeie oude tijd, toen vadertje apartheid nog over zijn blanke kinderen waakte. Als dominee kun je weinig uitrichten. ‘Ik predik veel over hoop’, zegt Nel, die na zijn aantreden zijn gemeente zag groeien tot duizend geregistreerde leden, van wie de helft actief is. ‘Want ze verliezen alle hoop. Zwarten kennen veel meer een gemeenschapsgevoel. Wij zijn als individualisten grootgebracht. Dat idee van helpmekaar uit de jaren twintig en dertig is bijna helemaal verdwenen. Mijn centrale thema is wat God tegen Abraham zei: “Ik zegen jou, maar dan moet jij anderen zegenen.” Dus onthouden dat er altijd mensen zijn die het slechter hebben dan jij. En anderen helpen, want dat geeft je zelfrespect.’
Nel veert op, Zuid-Afrika scoort weer een try. ‘Ik hou van aanpakken, en de meeste mensen vinden dat niks. Dan vind ik een baantje voor ze, maar dan zijn ze er na een paar dagen al weer mee opgehouden. Dat zit in hun cultuur. En ik heb geen idee hoe je dat er nog uit krijgt. Andere dominees in de wijk hebben de hoop al grotendeels opgegeven; na een tijdje word je net zo als je achterban.’ Hij wordt geroepen. Buiten staat Piet Potgieter, een proto-outie: bruine, verweerde kop, borstelhaar, onbestemde leeftijd. Pa werkte bij de spoorwegen. Ma pleegde zelfmoord. Huwelijk op de klippen. Drank. Ontslag. Leven als vagebond. Potgieter slaapt op straat, scharrelt wat geld bij elkaar door schroot te verkopen. Vrijdags komt hij naar de kerk om de boel schoon te maken. In ruil daarvoor krijgt hij eten en waspoeder. ’s Zondags bewaakt hij de auto’s van de congregatie. Echt werk? ‘Hulle sal eerder die swarte aanvat. Hy is goedkoper en betrouwbaarder’, zegt Potgieter. Nel tilt Potgieters vaalrode T-shirt op en slaat hem met vlakke hand op de buik. Pats. ‘Kijk, geen greintje vet. Die man kan gewoon werken.’
Als ik Booysens uitrijd zie ik bij een stoplicht in Transoranjestraat een man, een soort replica van Potgieter. Een dwingende blik en een kartonnen bord voor zijn buik met de tekst. ‘Geen werk, alle giften welkom, God bless.’ Geven of schreeuwen?