Luiheid en verveling

Er bestaat ongetwijfeld een zeker verschil tussen luiheid en verveling, al ken ik het niet, als neurotische werkezel. Een ding weet ik zeker: al die lieden die hun luiheid tot principe hebben verheven, vervelen zich te barsten.

Paul Lafargue, de schoonzoon van de overijverige Karl Marx, heeft het boek Het recht op luiheid geschreven waarin ‘de woedende hartstocht om te werken’ wordt gehekeld. Werk, meent de auteur, is de bron van alle geestelijke verwording. Het ware zinvoller ons te spiegelen aan de klassieke beschaving, die immers slechts minachting had voor elke vorm van werkezelarij. 'De vrije mens kende alleen de lichamelijke oefeningen en de spelen van de geest. Het was de tijd waarin men wandelde en ademde temidden van lieden als Aristoleles, Phidias en Aristophanes.’
Allicht, want die 'vrije mensen’ hadden allemaal een villa vol slaven om de tuin aan te harken en de vaat te spoelen.
'Het recht op luiheid’ wordt opgeeist door de oblomovisten, die in werkelijkheid niet zozeer aan arbeidsinertie lijden, alswel gewoon niet weten wat zij met het leven aan moeten. Persoonlijk heb ik meer sympathie voor het 'recht op arbeid’, zoals dat sinds 1948 een bestanddeel is geworden van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De principiele luiaard is namelijk niet goed bij zijn hoofd. Ik weet, het begrip 'arbeidsethos’ is bij sommigen in ongerede geraakt. Niettemin ontleent het overgrote deel van de bevolking een belangrijk deel van zijn geluk respectievelijk zijn ongeluk aan het feit dat het werkt respectievelijk werkloos is.
Werk maakt ziek, zegt de filosoof Hans Achterhuis, maar werk is tegelijkertijd nodig om beter te worden. Werk, zegt het maandblad Gezond, maakt een mens immers tot een sociaal wezen. 'Men wordt samen opgeleid, men werkt samen in dezelfde ploeg. Er ontstaan contacten, eventueel vriendschappen; er ontstaat een gevoel van solidariteit als collega’s.’
Die constatering lijkt mij juist. Niettemin bestaan er, tot mijn spijt, in sommige vooruitstrevende kringen tamelijk idiote theorieen over 'de mogeljkheid en wenselijkheid van vrijwillige werkloosheid’, vanzelfsprekend van overheidswege gefinancierd. Diegenen die dit soort nep-ideologie hebben uitgebroed, staan ons levendig voor de geest: oudere jongeren met een flinterdunne, geheel op de eigen navel gerichte levensfilosofie. Zij zitten uit levensovertuiging met hun handen over elkaar, handen die slechts worden uitgestoken om het maandelijkse bedrag aan bijstand te incasseren, dat wij, werkenden, in het zweets ons aanschijns bij elkaar hebben geschoffeld.
Voor elke werkzame en eerzame belastingbetaler moet een dergelijke beredeneerde vorm van parasitisme onverdraaglijk zijn. Nee, de keuze tussen het recht op luiheid en het recht op arbeid is niet moeilijk. Tragisch dat meer dan een miljoen van de beroepsbevolking geen keuze heeft, hoe graag het ook zou willen.