Luilekkerland is nooit ver weg

De reis van Sint Brandaan: Een reisverhaal uit de twaalfde eeuw. Vertaald door Willem Wilmink, ingeleid door W. P. Gerritsen, uitgeverij Prometheus, 154 blz., f29,90
MET DE OPKOMST van de steden in de twaalfde eeuw verscheen eveneens de man die van schrijven en onderwijzen zijn broodwinning ging maken: de intellectueel. Tot voor die tijd was er rond hof en kerk maar weinig belangstelling geweest voor de geestelijke ontwikkeling van de mensen en de middelen die daarvoor nodig waren. Boeken werden eerder gezien als economisch dan als geestelijk goed. Hun waarde kwam nog het meest overeen met kostbaar vaatwerk. De monniken die ze met niet aflatende ijver in de scriptoria van de kloosters vervaardigden, waren nauwelijks geinteresseerd in de inhoud ervan. Hen ging het in de eerste plaats om de toewijding, om het werk dat erin werd gestoken. Schrijven was een vorm van boetedoening, een manier om het rijk der hemelen te verdienen.

Geheel anders gingen de intellectuelen uit de twaalfde eeuw om met het geschreven woord. Zij wisten maar al te goed dat ze daarmee iets geheel nieuws konden brengen, dat ze er een nieuw mensbeeld mee mogelijk konden maken. Om dat te onderstrepen noemden ze zich ‘moderni’. Modern waren ze vooral vanwege hun herontdekking van de antieken. Door hen lieten ze zich inspireren, want, zo laat iemand als Petrus van Blois weten: 'Men verruilt de duisternis van de onwetendheid slechts voor het licht van de wetenschap als men met groeiende liefde de werken van de antieken herleest. Laat de honden maar blaffen en de varkens knorren, ik laat de antieken niet vallen. Ik wijd mij geheel en al aan hen. Elke dag treft de dageraad mij aan terwijl ik in hen studeer.’
Die klassieke filosofen en denkers waren heel wat jaren van het Westeuropese podium weg geweest. Van de verschillende Griekse geleerden uit de Oudheid had men in het christelijke Westen nauwelijks meer dan de namen onthouden. De kennis van het Grieks was verloren gegaan, en daarmee ook het gedachtengoed. Daarentegen was de erfenis van de antieken in de Arabische wereld wel bewaard gebleven en daar van onschatbare waarde gebleken. Ze had zelfs een stevige progressie in het wetenschappelijk denken op gang gezet. Toen de christenen schoorvoetend hun wantrouwen tegenover de islamitische wetenschap wisten te overwinnen en de nieuwe denkbeelden gingen overnemen, kwam er een schat aan gegevens vrij uit het oeuvre van figuren als Aristoteles, Euclides en Ptolemeus.
Hun ideeen inpassen in de bestaande kennis bleek overigens niet gemakkelijk. Want volgens de Griekse filosofen zag de wereld er nogal anders uit dan de Latijnse kerkvaders tot dan toe hadden onderwezen. De discussies over de onderlinge verschillen speelden zich vaak af op de grens van wat acceptabel was voor de kerk. Uiteraard werd de scheidslijn regelmatig overschreden ten gunste van het ontoelaatbare. De explosieve veranderingen, die niet zelden diep ingrepen in denken en handelen, brachten onzekerheid en twijfel teweeg. Heel wat mensen wisten nauwelijks nog wat ze moesten geloven. Zo ontstond er strijd over de vraag in hoeverre de nieuwe opvattingen over de inrichting van de kosmos gelijke tred hielden met wat daarover via de bijbel al eeuwenlang was onderwezen.
HET UIT DIE twaalfde eeuw afkomstige verhaal over de omzwervingen van de heilige Brandaan is een van de oudste werken uit de Nederlandse literatuur en een merkwaardige vervlechting van bijbelse, mythische en volkse verhaaltradities. Het heeft zijn wortels in een verloren gegaan gedicht dat naar alle waarschijnlijkheid omstreeks 1150 in het Middelfrankisch dialect is geschreven. Dat was tevens de taal die toen langs Rijn en Moezel voor literatuur werd gebruikt. Naast de beginzin - 'Luister, het verhaal vangt aan: in Ierland heeft een man bestaan die menig wonder mocht aanschouwen’ - maken nog heel wat meer plaatsen in de tekst duidelijk dat het hier om een in schrift gegoten vorm van mondelinge overlevering gaat. Zo'n verteld verhaal was tot op zekere hoogte het geestelijk eigendom van de verteller, die zich de vrijheid nam het geheel naar eigen goeddunken om te werken of aan te passen aan de publieke opinie. En die vertegenwoordigde ook toen al bij lange na niet het progressiefste denken dat men zich kan voorstellen.
De Brandaan-legende is een christelijke variant van verhalen die bij de Ierse vertellers zeer in trek was en die ervaringen vastlegden die de pelgrims opdeden tijdens hun zeetochten. Dit literaire genre wordt aangeduid met de term 'immrama’, wat letterlijk 'rondroeiing’ betekent. De vertellingen thematiseren vooral de fascinatie voor de onberekenbare krachten van de oceaan en de aantrekkingskracht van een andere wereld. Van die alternatieve wereld maakten de heidense Ieren zich voorstellingen die overlopen van geuren en kleuren, die gonzen van allerlei soorten muziek en die laten zien dat Luilekkerland nooit ver weg is: het was er heerlijk eten, feesten en liefhebben. De verhalen van deze zeevaarders worden bovendien bevolkt door de meest bizarre monsters, zoals mensenetende mieren zo groot als paarden en allerhande reuzenvogels. Ze brengen een uiterst vermakelijk bestiarium bij elkaar dat nog lang deel bleef uitmaken van het officiele wereldbeeld. Dit alles keert terug in De reis van Sint Brandaan, zoals de titel van Willem Wilminks vertaling luidt, maar dan wel gekerstend, dus keurig ondergebracht in een schema waarin alles zijn plaats heeft: God en de duivel, goed en kwaad, hemel en hel, beloning en straf.
Het Middelnederlands Bradaan-gedicht begint met een boekverbranding. Terwijl de heilige in zijn studeerkamer zit te lezen in een van die 'oude boeken’ waarin de wonderen van Gods schepping zijn beschreven, wordt hij plotseling overvallen door ongeloof. Hij gooit het geschrift woedend in het vuur. Maar God straft onmiddellijk. De vloek die Brandaan over de schrijver uitspreekt, zal hemzelf treffen. Wat hij niet op gezag wil aannemen, moet hij met eigen ogen gaan aanschouwen.
Op Gods bevel gaat hij scheep in een soort ark van Noach en reist samen met ongeveer tachtig andere monniken kriskras door de wereld. Voortgestuwd door vele stormen en orkanen ontdekt hij opnieuw hoe fraai Gods schepping is. De meest vreemde wezens komt hij tegen: zeemeerminnen, vliegende herten, eenhoorns, sirenen, draken en eilandvissen, en verder ook vlammende bergen en helleputten, of monniken die op hun kale en onherbergzame rots het eten uit het paradijs krijgen. Hij ontmoet Judas en de ongelovige Thomas, is te gast in prachtige paleizen waarin de ene keer de overvloed aan balsem, olijfolie en honing hem opvalt en de andere keer de rijke decoratieve architectuur waarin kristal, elpenbeen, saffieren en vele andere juwelen zijn verwerkt. Brandaan kijkt zijn ogen uit, zoals ook de kruisvaarders zullen hebben gedaan toen ze in de Orient aankwamen. AAN HET EIND van zijn reis ontmoet Brandaan een ventje dat nauwelijks groter is dan een duim. Het drijft op een blad rond en is bezig de zee te meten. Sisyfus-arbeid dus. Wanneer de heilige hem dat duidelijk probeert te maken, krijgt hij ten antwoord:
Net zo min als ’t meten klaar is als de dag des oordeels daar is, net zo min lukt het jou en de jouwen
alle wonderen te aanschouwen die God schiep met eigen hand in het water en op het land en die jou nog verborgen zijn.
Negen jaar zijn dan voorbij, vele (vaak duivelse) beproevingen zijn doorstaan, en wat werd gezien, is onderweg nauwkeurig op schrift gesteld. De cyclus is rond, het verloren gegane boek herschreven. Dat Gods wonderen op waarheid bleken te berusten, maakt Zijn macht nog grenzelozer. Er hoeft niets meer onderzocht te worden, is de boodschap. Op God vertrouwen zoals Brandaan deed, levert pas werkelijke wijsheid op. Zoals het is, is het goed, al het andere is nieuwlichterij.
Willem Wilmink koos voor zijn bewerking van de Brandaan de wat losser vertelde variant uit het Comburgse handschrift. Het is een boek 'voor alle leeftijden’ geworden in soepel modern Nederlands. Een voortreffelijke prestatie die hopelijk als voorbeeld zal dienen bij volgende bewerkingen uit de Nederlandse klassieken. Want die zijn broodnodig. Professor W. P. Gerritsen voorzag het geheel van een informatieve inleiding. Iedereen die van literatuur houdt of literatuuronderwijs geeft, zal heel blij zijn met dit initiatief van uitgeverij Prometheus.