Luis roldan

Slim, charmant en stinkend rijk. Luis Roldan had zo in een soap-serie kunnen meespelen. Helaas had hij een fatale zwakte: hij wist niet van ophouden. En zo groeide de ex-directeur van de Spaanse Guardia Civil de afgelopen maanden uit tot het symbool van corruptie.
AL BIJNA DRIEHONDERD dagen maakte de Spaanse politie jacht op Luis Roldan, ex-directeur van de Guardia Civil, toen ze een serieuze tip ontving: de voortvluchtige zou zich ergens in Zuidoost-Azie bevinden. Vijf politiemannen begaven zich naar Thailand. Op 20 februari ging de telefoon van commissaris Juan Antonio Gonzales in zijn hotelkamer in Bangkok. ‘Ik ben kapitein Khan, uw man is in Laos’, zei een stem aan de andere kant van de lijn.

Een week later bevonden Gonzalez en de vier andere Spaanse politiemannen zich op het vliegveld van de Thaise hoofdstad. Een man die zich identificeerde als kapitein Khan van de politie van Laos, bracht twee van hen naar een hotelkamer in de transitruimte. De deur van de badkamer ging open en daar stond hij: Luis Roldan, de meest gezochte man van Spanje. Zo kwam er een einde aan de tien maanden durende vlucht van de ex- politiechef, een vlucht over de halve wereld die hem tot het symbool van een tijdperk maakte.
Roldan zou Roldan niet zijn als zijn terugkeer niet was omgeven door mysteries. De vangst leek in eerste instantie een welkome opsteker voor de regering van premier Felipe Gonzalez, maar de feeststemming was van korte duur. Uit uitgelekte documenten bleek dat Laos Roldan had overgedragen onder de voorwaarde dat hij slechts voor twee van de zeven delicten waarvan hij werd verdacht, zou worden berecht. Dat zou betekenen dat Roldan voor hoogstens twaalf jaar de gevangenis in kon gaan. De verwarring werd nog groter toen de autoriteiten in Laos een dag later beweerden dat de documenten waarin deze voorwaarden waren gesteld, vals waren. Sterker, Roldan was volgens hen officieel niet eens in het land geweest. Er was geen visum aan hem verstrekt en hij was ook niet door Laos uitgewezen. Bovendien bleek dat er in heel Laos geen politiekapitein met de naam Khan bestond. De faxen die het ministerie van Justitie had ontvangen waren gesteld in een soort Frans dat vrijwel zeker door een Spanjaard was geschreven. In een volstrekt chaotische situatie waarin niemand meer wist wie of wat te geloven, was slechts een ding zeker: Luis Roldan was terug in Spanje.
LUIS ROLDAN IBANEZ, de man die glimlachend en ogenschijnlijk ontspannen na 305 dagen weer voet op Spaanse bodem zette, lijkt rechtstreeks uit een culebron, een Zuidamerikaanse soap-serie, te komen. Leugenachtig en doortrapt, voorzien van vele minnaressen, grenzeloos hebzuchtig: alles aan de ex-directeur van de Guardia Civil beantwoordt aan het beeld van de ouderwetse televisieschurk. Roldans frauduleuze manipulaties als hoofd van de Guardia Civil waren zo buitensporig brutaal dat hij in Spanje op een mengeling van afkeer en een lacherig soort respect kon rekenen. Hij had het toch maar voor elkaar gekregen, die ongediplomeerde vrijbuiter. Maar hoe goed Roldan ook wist hoe hij geld en macht kon verzamelen, een ding wist hij niet: van ophouden. Als hij voorzichtiger was geweest had hij nog jaren aan het hoofd van de Guardia Civil kunnen blijven staan.
Roldan diende om ‘persoonlijke redenen’ in november 1993 zijn ontslag in als directeur van de Guardia Civil. Dit nadat er in het dagblad Diario zestien berichten waren verschenen over de spectaculaire groei van het persoonlijke vermogen van de politiechef sinds zijn benoeming in 1986. Roldan bezat ettelijke huizen en appartementen die hij onmogelijk van zijn salaris had kunnen bekostigen. De verdenkingen tegen hem groeiden en er werd een parlementaire commissie in het leven geroepen die de activiteiten van Roldan moest onderzoeken. Toen de rechter eind april vorig jaar op het punt stond de ex-directeur te arresteren op verdenking van systematische fraude, nam Roldan de benen.
Vermoedelijk vluchtte hij via Portugal naar Parijs, waar hij een interview gaf aan het dagblad El Mundo. Daarin dreigde hij dat hij, mochten de Spaanse autoriteiten hem ooit in handen krijgen, een boekje zou opendoen over de corrupte activiteiten van de PSOE-politici en hoge ambtenaren. Daarna verdween de ex-politiechef spoorloos. Zwitserland, Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Angola, het Midden-Oosten en uiteindelijk Zuidoost-Azie waren de plekken waar de Spaanse politie hem zocht. Uiteindelijk gaf Roldan zich, volgens zijn eigen versie, vrijwillig aan in Laos.
Opportunisme heeft de loopbaan van Roldan altijd gekenmerkt. Zijn eerste stap in de politiek deed hij in 1976 in zijn geboortestad Zaragoza toen hij, slechts enkele maanden na de dood van Franco, lid werd van de PSOE, de pas gelegaliseerde sociaal-democratische partij. Hij was toen 32 jaar oud en werkte in een metaalfabriek. Niet als ingenieur of econoom, zoals hij later zou beweren, maar als voorman; hij moest zijn collega’s aan het werk houden. Die leugen over zijn academische titel zou hij blijven volhouden. Hij leek er zelf in te gaan geloven.
Roldans ster steeg snel binnen de PSOE van Zaragoza: in 1979 was hij wethouder van de stad en in 1982 werd hij door de nieuwe regering benoemd tot regeringsafgevaardigde in de regio Navarra. In deze periode stond Roldan al bekend om zijn talent om mensen aan zich te binden. De ambitieuze, jonge politicus bedreef als een ware peetvader het clientelisme. Uit deze tijd stamt het verhaal dat Roldan aan Herri Batasuna (de politieke arm van de Eta) de namen van politie-infiltranten in de Eta wilde doorspelen in ruil voor hun steun aan de regerende PSOE in Navarra. Wat hiervan waar is, moet nog blijken, maar zeker is dat macht hem meer interesseerde dan ideologie.
In 1986 werd Roldan door de PSOE-regering naar Madrid gehaald. Hij werd er benoemd tot directeur van de Guardia Civil, het half-militaire speciale politiekorps van Spanje. Het was een belangrijke benoeming; Roldan was de eerste burger in honderdvijftig jaar die deze post zou bekleden. Zijn taak was het om de Guardia Civil, tot dan toe een broeinest van samenzweringen tegen de sociaal-democratische regering, om te smeden tot een modern veiligheidsapparaat. Zo werd hij plotseling verantwoordelijk voor een organisatie met 75.000 personeelsleden waarin jaarlijks miljarden peseta’s omgingen. Door aan allerlei projecten het predikaat 'geheim’ te geven, zou hij onopgemerkt zijn salaris wat kunnen aanvullen.
ROLDAN WAS NIET onsuccesvol in zijn nieuwe functie. Hij verwierf respect met onder andere belangrijke overwinningen op de Baskische afscheidingsbeweging Eta, met als grootste klapper de arrestatie, in 1992, van de gehele koepel van de Eta in Bidart (Frankrijk). Er was zelfs even sprake van dat hij minister zou worden. Intussen wist hij zijn inkomsten tot een veelvoud van zijn reguliere salaris op te voeren door illegale commissies te innen en ordinair in de staatskas te graaien. In de acht jaar van zijn directeurschap wist hij een vermogen van meer dan vijf miljard peseta’s (bijna zeventig miljoen gulden) te vergaren. Hij bezat huizen en luxe appartementen in heel Spanje, in Parijs en in San Bartolome op de Antillen.
Niets was Roldan te dol. Hij vulde zijn salaris aan met geld dat bestemd was voor geheime operaties van de veiligheidsdiensten - een gewoonte die overigens ook wijd verbreid was onder zijn collega’s. Hij verduisterde geld uit het weduwen- en wezenfonds van het korps. Maar zijn grootste fortuin verkreeg hij door systematisch steekpenningen te innen bij bouwprojecten die hij voor de Guardia Civil liet uitvoeren.
Luis Roldan groeide in de tien maanden van zijn verdwijning uit tot het symbool van een periode waarin de corruptieschandalen in Spanje over elkaar heen buitelden. Hij is de ultieme exponent van de pelotazo; de corruptie en het snelle geld die het publieke leven in Spanje de laatste jaren hebben gedomineerd. Zijn vangst sluit een jaar af waarin ook andere vertegenwoordigers van de pelotazo-cultuur van hun voetstuk zijn gevallen. Bijvoorbeeld de ex-directeur van de Banesto-bank Mario Conde en de Catalaanse zakenman Javier de la Rosa - beiden worden verdacht van diverse financiele delicten - of Mariano Rubio, de ex-directeur van de Spaanse Nationale Bank, die met voorkennis handelde en de belastingen ontdook.
Voor Luis Roldan, zoon van een taxichauffeur, leek het frauderen met gemeenschapsgeld bijna een zaak van principes. Geld dat van iedereen is, is immers eigenlijk van niemand - een denkbeeld dat hij overigens met vele Spanjaarden deelt. Kennelijk had hij het gevoel dat hij als een respectabel man recht had op al dat geld. Niet volgens de wet, maar wel volgens zijn eigen normen. Dat argument telt in een land waar je auto pas fout is geparkeerd zodra je er een bekeuring voor krijgt.
Of het tijdperk van de pelotazo met de val van de belangrijkste vertegenwoordigers definitief voorbij is, is nog de vraag. De Spaanse samenleving heeft aan de vele corruptieschandalen een stevige shock overgehouden. Het vertrouwen in de regering is daarmee grotendeels verloren gegaan. Premier Gonzalez en zijn ministers werden vorig jaar al in grote verlegenheid gebracht toen bleek dat ze de oplichter, fraudeur en chronische leugenaar Roldan aan het hoofd van een van de belangrijkste veiligheidsdiensten van het land hadden gezet. En nu het proces tegen Roldan wordt voorbereid, is de nachtmerrie voor hen nog niet voorbij. 'Als ik ga, dan gaan ze allemaal’, zei Roldan in mei 1994 in El Mundo. Hij lijkt in staat om dat dreigement waar te maken.