Luisteren naar de zee

Dieren en dingen hebben ook belangen, zeker vandaag. Maar ze hebben een menselijke vertegenwoordiging nodig om gehoord te worden. Wie luistert het best naar de Noordzee? We lezen Latour en anderen voor een antwoord.

De Noordzee bij Dishoek, Zeeland © Mischa Keijser / de Beeldunie

‘Mensen zijn geconditioneerde wezens, omdat alles waarmee ze in aanraking komen onmiddellijk hun bestaan mee gaat bepalen.’ Dat schreef Hannah Arendt meer dan zestig jaar geleden als een filosofische vanzelfsprekendheid in de inleiding van haar grote studie De menselijke conditie. Die conditionering betrof allereerst de pluraliteit, de verscheidenheid van mensen die de aarde bewonen. ‘De mens’, waar filosofen zo graag over willen nadenken, bestaat niet. Hij gaat op in wat Arendt het netwerk van de menselijke betrekkingen noemt.

Mensen worden ook geconditioneerd door de aarde, de natuur waarin zij zich vestigen en bewegen. Die kunnen ze ongetwijfeld veranderen met de technische mogelijkheden die ze ontwerpen, maar ook deze dingen conditioneren voortdurend hun menselijke makers. Dat geldt ook voor de cultuur in brede zin. ‘Alles wat direct of indirect een min of meer blijvende rol in het menselijk leven gaat spelen, neemt onmiddellijk het karakter aan van een conditie van het menselijk bestaan.’

Wat Arendt hier als een vanzelfsprekendheid poneert, blijft moeilijk te pruimen voor moderne mensen. Descartes gaf de toon aan toen hij in de zeventiende eeuw de mens als ‘heerser en bezitter van de natuur’ definieerde. Ook al weten wij als postmoderne mensen in theorie dat wij niet zo autonoom en vrij zijn als de Verlichtingsfilosofen dachten, toch hebben wij in de praktijk er moeite mee om dit ronduit te erkennen. Hoe kunnen wij onszelf als geconditioneerde wezens begrijpen en hoe kunnen wij vanuit dit begrip handelen? Dit is de centrale problematiek van de Franse filosoof en socioloog Bruno Latour, die afgelopen jaar de Spinozalens uitgereikt kreeg voor zijn ‘grensverleggende en inspirerende theorie’ over de relatie van mens en techniek.

Met schitterende, vaak hilarische voorbeelden laat Latour in zijn vroege werk zien dat mensen en technieken altijd intrinsiek verbonden zijn. Niemand heeft ooit een mens gezien zonder techniek, noch een techniek los van mensen. De lichte toets verdwijnt gelukkig niet helemaal in zijn latere werk, maar dit wordt wel meer gedreven en politiek gericht. De klimaatcrisis komt hierin centraal te staan. Hoe is het mogelijk, vraagt Latour, dat de massale uitroeiingsgolf van dieren en planten en de bedreiging van veel menselijke gemeenschappen ons onberoerd lijken te laten? Waarom die rust, terwijl onze wereld als woonplaats in brand staat?

Het belangrijkste antwoord op dit soort vragen luidt dat modern denkende mensen de catastrofe die onder hun ogen plaatsvindt niet kunnen bevatten. Nog steeds zijn wij ervan overtuigd dat wij er met behulp van technische oplossingen aan kunnen ontsnappen. Ons vaste geloof in economische en consumptieve vooruitgang belemmert ons daarnaast om een ander soort vooruitgang voor de samenleving te verbeelden. Vandaar dat Latour, ook met behulp van de kunst, op zoek gaat naar een benadering en een taal die ons de ogen kunnen openen.

In het verleden ontwierp hij hiervoor de actor-netwerk-theorie. Daarin betoogt hij onder meer dat in de uitgebreide netwerken van mensen en dingen deze laatste ook als ‘actor’ kunnen fungeren. Dat klonk velen belachelijk in de oren. Hoe kun je aan dingen bedoelingen toeschrijven? Was het niet onzinnig om een artefact of een natuurlijk gegeven als een bezielde actor te omschrijven? Bij ons had Abram de Swaan, zelf als socioloog een groot stilist, het misprijzend over het ‘smurfentaaltje’ waarvan men zich in de actor-netwerk-theorie bediende.

Latour ging ondertussen nog een stap verder. Als dingen actoren konden zijn, moesten ze ook politiek vertegenwoordigd kunnen worden. Vandaar zijn fameuze voorstel voor ‘Het parlement van de dingen’, dat als titel fungeert voor de bundel artikelen die ter ere van de Spinozalens gepubliceerd zijn. Ik ben overigens bang dat ze een socioloog als De Swaan, maar ook velen met hem, niet zullen overtuigen van het nut van het nieuwe vocabulaire dat Latour introduceert. Daarvoor zijn de opgenomen teksten te programmatisch en te algemeen. De smaak van de pudding is ook hier afhankelijk van de goede bereiding, niet van het uitschrijven van recepten.

Hoe kan het dat de uitroeiingsgolf van dieren en planten en de bedreiging van menselijke gemeenschappen ons onberoerd laten?

Misschien hebben de samenstellers van de recente bundel dit smaakprobleem beseft. Tegelijk ermee kwam er, ook ter ere van Latour, een aantrekkelijke bundel uit over ‘De stem van de Noordzee’. Het idee dat dingen, planten, mensen en ‘andere díeren’ onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en daarom politiek moeten worden vertegenwoordigd, wordt hier specifiek op de Noordzee gericht. Sinds 2018 bestaat er een Ambassade van de Noordzee, die ernaar streeft om de Noordzee als rechtspersoon te laten erkennen, zodat de belangen ervan ook politiek behartigd kunnen worden.

De stem van de Noordzee bevat drie essays. Het eerste van Evanne Nowak kan beschouwd worden als een inleiding in de klimaatpsychologie. Wat betekent het verlies van een leefbare omgeving voor planten, mensen en dieren? Het hoofdthema is rouw. Nowak doet verslag van gespreksgroepen waarin de deelnemers hun ‘eco-angst’ en ‘klimaatdepressie’ verwoorden. Belangrijker dan een onmiddellijk activisme is volgens haar het luisteren en aandachtig kijken naar wat de bedreigde natuur ons te zeggen heeft.

Dat laatste is ook het hoofdthema van dierfilosofe Eva Meijer. ‘Wat vertelt de zee ons als handelend wezen?’ luidt de latouriaanse vraag waar Meijer naartoe werkt. Hoe moeilijk het vervolgens is om de zee als rechtspersoon te erkennen, wordt zichtbaar in het informatieve artikel van Laura Burgers dat de juridische ontwikkelingen van de beroemde beschouwing over de ‘Vrije Zee’ van Hugo de Groot tot het VN-zeerechtverdrag van 1982 beschrijft. Met een mooie indirecte verwijzing naar een beroemde uitspraak van Churchill over de democratie eindigt ze met de constatering dat rechtspersoonlijkheid ‘de slechtste juridische vorm zou kunnen zijn om de Noordzee in te vatten, op alle andere na die tot dusver zijn uitgeprobeerd’.

Hebben de schrijfsters mij overtuigd van de meerwaarde van het nieuwe vocabulaire dat een stem wil geven aan dingen, planten en dieren? In artistieke zin is dat zeker het geval. Net als Latour zelf vallen ze vaak terug op literaire teksten of kunstmanifestaties. Maar wat levert dit op in de praktische politiek? Als de Noordzee of een deel ervan vertegenwoordigd moet worden, zal dat toch door een menselijke stem moeten worden vertolkt. Hoe ingewikkeld dit is, zal de Groene-lezer duidelijk zijn geworden uit het aangrijpende verhaal van Jaap Tielbeke ‘Wat vertelt de orka ons?’ (10 december 2020). Uiteindelijk blijken de orka’s die boten zouden aanvallen niet woedend op ons te zijn, hoewel ze volgens menselijke redenering daar alle reden toe zouden hebben. Wetenschappers die met hun uitgebreide onderzoek de orka’s zouden kunnen vertegenwoordigen, menen dat deze vermoedelijk ‘gewoon wilden spelen’. Wie de orka’s boosheid toeschrijft, is toch waarschijnlijk te antropomorf gericht. Maar hoe kunnen zij anders een stem krijgen?

Om nog een actueel voorbeeld te geven, in de NRC van 18 december stond een fel ingezonden stuk van ecoloog Ben Helming die Natuurmonumenten verweet het belang van natuur en landschap te verkwanselen. Op ludieke wijze roept Helming planten, dieren en landschappen, de achterban van Natuurmonumenten, op om als protest massaal naar het hoofdkantoor van hun vertegenwoordiger op te trekken. Moeten ze nog verder marcheren naar het parlement om daar hun stem te laten horen? Welke menselijke partij kan het best luisteren om zich als vertegenwoordiger van dieren en dingen te mogen opwerpen?

Misschien moeten we om de benadering van Latour goed te vatten niet alleen naar de kunst maar ook naar de geschiedschrijving kijken. Zelf hoor ik de stem van de Noordzee oorverdovend luid in de literair ook schitterende geschiedschrijving Aan de rand van de wereld: Hoe de Noordzee ons vormde van Michael Pye. De titel laat al zien hoe de Noordzee als handelend subject optreedt. Door het samenspel van vissen en vissers, vechtende Vikingen en vreedzame handelaren wordt zij tot een verbindende en voedende ruimte gemaakt, maar ze bleef ook bepalen hoe mensen zich tot elkaar verhielden en zich gingen gedragen.

Nog overtuigender vind ik zelf de drie dikke delen van de Franse historicus Fernand Braudel over de Middellandse Zee. Die wordt als ruimtelijke eenheid inderdaad een soort personage dat de hoofdrol speelt in de lange geschiedenis die Braudel beschrijft. Het eerste deel gaat over het landschap, het klimaat en de mens, het tweede over de samenleving en de staat. Pas in het derde deel komen mensen als historische actoren naar voren. Dat is, zo geeft Braudel toe, wel het soort geschiedschrijving dat wij moderne mensen goed kennen en waar wij op gesteld zijn. Maar de meeste gebeurtenissen die hier met menselijke bedoelingen en handelingen verbonden zijn, vormen volgens hem niet meer dan bliksemflitsen die de zich voortrollende bredere geschiedenis inzichtelijk kunnen maken.

Ik geef als modern mens graag toe dat, hoe gefascineerd ik ook was door zijn beschouwingen, ik toch stiekem even doorbladerde naar mij uit de vaderlandse geschiedenis bekende personages als keizer Karel V en de hertog van Alva. Dat viel tegen. Volgens Braudel hebben ze de gang van de geschiedenis nauwelijks veranderd.

Dat maant tot bescheidenheid als mens. Maar de vraag blijft hoe dit politiek vertaald kan worden. In elk geval lijkt het aan te raden om, zoals de schrijfsters van De stem van de Noordzee betogen, eerst maar eens goed te luisteren. Daar zijn politici tenslotte nauwelijks aan gewend, zo weten wij recent, zelfs als het om de stemmen van mensen gaat.