Ernst Timmer, Florijn

Luisteren naar Frits Spits

Soms zit het mee voor de romanbespreker.
Terwijl ik Ernst Timmers nieuwe roman rondom de zorghulp las, verscheen vorige week in De Groene een adembenemend artikel over de thuiszorg in Nederland: ‘Thuiszorg voor tussenmensen’. Voor een aanstaand tussenmens als ik een absolute must.

Ernst Timmer, Florijn, € 15,-
e-book
, € 9,99

Medium timmer   florijn

Niet eens in erg schrille kleuren, schetste Sjors van Beek een verpletterend beeld van thuiszorg. In de Volkskrant vroeg de weekbladbespreker zich af of zes bladzijden hierover niet wat veel van het goede was: weer iemand die net als ik liever zijn kop in het zand steekt. Vooral het citaat uit de CIZ Indicatie­wijzer 2013 over de gemiddelde tijd van de ‘afzonderlijke handelingen’ (heerlijke woorden!) bleef bij mij lang hangen. Alles is in de zorg in stukjes geknipt en van tijd voorzien. Steunkousen aantrekken (tien minuten), hulp bij het eten van de broodmaaltijd (exclusief drinken) tien minuten, medicijnen aanreiken vijf minuten et cetera. Bij mij zou er dan nog boeken voorlezen bijkomen (drie uur) maar dat is natuurlijk weer niet geïndexeerd. Het gaat allemaal om ‘gemiddelde tijden’ stelt men geruststellend vast in het 223 pagina’s dikke boekwerk dat dit allemaal tot in de puntjes beschrijft. Je hebt daarbij ‘enkelvoudige handelingen’, ‘basisminuten’ voor de klant die zich nog normaal kan bewegen en geen gedragsproblemen heeft en ‘samenvallende activiteiten’. Alles is in ‘zorgmomenten’ vastgelegd. Gelukkig bestaat mijn leven tot nu toe vooral uit leesmomenten, seksmomenten, ouwehoer­momenten, drankmomenten en verveelmomenten; de zorgmomenten moeten nog komen.

Timmers roman Florijn is te lezen als een illustratie bij bovenbeschreven gang van zaken. Het is duidelijk dat hij die van binnenuit op z’n duimpje kent of kende. En hij wist er een pakkende, geestige roman van te maken waarbij hij erin slaagde zijn evidente onderliggende woede niet aan de oppervlakte te laten komen. Want schrijverswoede werkt niet in een roman, dat weet hij heel goed, het gaat erom dat de lezer kwaad wordt, de schrijver heeft het allemaal al achter de rug. Geen al te erge verschrikkingen dus, geen zwarte pieten, geen scheldpartijen, niet te veel bedoel ik. Wel een laconieke schrijfstijl, waarin veel te raden blijft, de lezer moet aan de slag in deze kleine maar fijne roman. ‘Ik ben: Joost Beekman, mens. Mijn product heet: begeleiding.’ Zo introduceert de schrijver de ik-figuur. Af en toe is die Beekman ook beest, in het weekend als hij vrij is. Dan wordt er gefeest. ‘De drank komt op tafel. De mascaralijntjes worden getrokken, de haren ingewreven. De douche stoomt, sensuele geurtjes dansen door de gang. Als ze weg zijn ga ik slapen. Op zondag neemt mijn vrouw mij mee uit wandelen en zet me met een bord op schoot voor Sport in beeld. Maar maandag ben ik weer mens.’ Let op de korte zinnetjes, waaruit de afweer over dit bestaan opborrelt. De ik wil geen emotie meer toelaten, zijn woede is naar binnen geslagen. Let op de manier waarop zijn vrouw hem uit wandelen meeneemt en voor de televisie zet. Alsof hij zelf een klant is van de verzorgingsindustrie. Juist in dit soort beschrijvingen maakt Timmer de dilemma’s pijnlijk zichtbaar, toonbaar. De held is zowel ‘dader’ als slachtoffer.

Timmer beschrijft de langzame ondergang van de Heer Florijn, principieel kluizenaar, die zich nauwelijks normaal kan bewegen en duidelijk gedrags­problemen heeft, ik neem nu maar even het jargon over. Meneer Florijn woont nog steeds thuis, hij heeft een wond in zijn buik van een mislukte operatie, hij wil geen zorg, maar toch ook wel, hij haat en beledigt iedereen, is totaal onhandelbaar, valt alleen enigszins te paaien met onderhandelingen. Hij heeft een hondje dat hij niet uitlaat, dat moeten de hulpverleners doen, hij wil alleen drop eten plus zes haringen per dag. Hij luistert naar Frits Spits. Hij wil niet naar een verpleeghuis. En daar zit hij dus. Zijn teksten beperken zich tot: ‘Hond uitlaten’, ‘Ik teken niks! Hond uitlaten’, ‘Ik mot tweehonderd gulden hebben’, ‘Ga toch weg man!’ En daar probeert Joost Beekman samen met de andere verzorgers enige lijn in aan te brengen, al gaat het niet bij iedereen van harte. De een wil niet meer bij Florijn langskomen, de ander verdomt het zich te laten beledigen, een volgende wil hem zo snel mogelijk dumpen in een verpleeghuis. Maar er zijn ook trouwe volgers. Bijvoorbeeld Jeannette, een van de mooiste figuren uit de roman, die Timmer uiterst fraai aan het woord laat komen.

Ze houden hardnekkig vol. Alles tevergeefs natuurlijk en Timmer laat Beekman er met enige verwondering en af en toe bewondering naar kijken. ‘Hier woonde een kettingroker die zijn hond nooit uitliet. Zelf plaste de heer Florijn in een urinaal die pontificaal op tafel stond. In die omstandigheden verzorgden deze dappere wijkverpleegster en haar collega’s dagelijks een open buikwond.’

De roman kreeg me in zijn greep. Hoe Timmer dat voor elkaar kreeg weet ik niet zeker. Het zijn de geestigheden die heel klein zijn en zich verschuilen in het voorzichtige cynisme dat af en toe een uitweg zoekt. Misschien toch de afgemeten, koele stijl waaruit de emotie zo veel mogelijk is weggehouden. En dus extra ingrijpend opborrelt. Het zit ’m toch ook in de herhaling van alles, deze roman heeft iets weg van een dodendans op weg naar het verpleeghuis en de laatste ogenblikken. Maar het allermeest: ik werd er niet somber van, Timmer probeerde me niet te begraven onder een zompige deken van medelijden en zelfmedelijden. Daar is hij allang voorbij. Hoe gek het ook klinkt: ik heb deze roman met steeds toenemend plezier gelezen.


Ernst Timmer, Florijn, Prometheus, 175 blz., € 15,-