Luisteren naar moeder aarde

Het is niet eenvoudig de ‘ecokosmos op koers te houden’. De Nederlandse milieufilosofie legt haar oor te luisteren bij Gaia. Maar wat zegt zij eigenlijk?
Wim Zweers, Participeren aan de natuur: Ontwerp voor een ecologisering van het wereldbeeld. Uitgeverij Jan van Arkel, 528 blz., f49,50.
DE TWEEDE MILIEUGOLF, die in 1989 door het Brundlandt-rapport Our Common Future aan het rollen werd gebracht, leidde tot een drastische omslag in het beleid van de overheid en het bedrijfsleven. Er werden ambitieuze Nationale Milieu- en Natuurbeleidsplannen in elkaar getimmerd, waarvoor de verschillende maatschappelijke sectoren jaarlijks tussen de vijftien en twintig miljard gulden moeten neertellen. De overtuiging dat ecologische duurzaamheid en economische groei per definitie haaks op elkaar staan, is inmiddels in brede kring opgegeven.

De end of pipe-oplossingen in de vorm van hogere schoorstenen en betere filters behoren vrijwel tot het verleden. Onder het motto ‘pollution prevention pays’ maakt deze symptoombestrijding momenteel binnen het bedrijfsleven plaats voor structurele aandacht voor milieufactoren, waarmee reeds aan de tekentafel rekening wordt gehouden. Als gevolg van deze 'ecologische modernisering’ zijn oude ideologische scheidslijnen in toenemende mate aan het vervagen: steeds vaker treft men milieuorganisaties om een tafel met het bedrijfsleven.
Deze tweede milieugolf lijkt echter aan de Nederlandse milieufilosofie voorbij te zijn gegaan. De milieufilosofie is qua teneur en toonzetting blijven steken in de tijd dat het doemdenken allerwegen hoogtij vierde. Terwijl Marx elders in de filosofie dood werd verklaard, blijkt hij voor de Nederlandse milieufilosofen nog springlevend. Daaraan heeft ook de gigantische rotzooi die zichtbaar werd na de val van de Muur en de verdwijning van het IJzeren Gordijn niets veranderd. De milieuproblematiek blijft voor de Nederlandse milieufilosofie de schuld van het kapitalisme, dat vanwege zijn inherente economische en technologische groeitendensen de natuur op den duur wel moet vernietigen. Dit doemdenken gaat gepaard met een uitgesproken radicalisme: alles is slecht en dus moet alles anders. De milieufilosofen hekelen het reformisme als oppervlakkig en bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Het zogenaamde Wetenschappelijk-Technologisch- Kapitalistische bestel is niet voor hervorming vatbaar en moet dus worden ontmanteld en omvergeworpen. De politiek is niet in staat de nodige ingrijpende maatregelen te treffen omdat ze niet verder kan kijken dan de neuzen van de kiezers lang zijn. Het electoraat is samengesteld uit calculerende burgers, die de rekening voor een schoon milieu bij buurman of buurvrouw leggen. In het WTK- bestel gedraagt iedereen zich als homo economicus en verkeert iedereen in de ban van de mimetische begeerte, waardoor schaarste een endemisch verschijnsel wordt en Moeder Aarde uiteindelijk berooid achterblijft.
Zoveel wantrouwen in de politiek en in het kiezersvolk roept de vraag op of de democratie volgens de milieufilosofen soms ook op de helling moet. Op deze vraag, die Michiel Korthals in zijn vorig jaar verschenen boek Duurzaamheid en democratie al aan de orde heeft gesteld, zal men zelden een rechtstreeks antwoord vernemen, maar een nadere analyse van de teksten roept ernstige twijfels op omtrent het democratisch gehalte van de Nederlandse milieufilosofie.
DE NEDERLANDSE MILIEUFILOSOFIE zag rond 1980 het licht. De bakermat bevond zich in de Verenigde Staten; met name de radicale ecologen rond het tijdschrift Environmental Ethics bepaalden de Nederlandse discussie. Binnen de radicale ecologie kunnen globaal drie stromingen worden onderscheiden, die meestal in de een of andere combinatie bij praktisch alle Nederlandse milieufilosofen aan te treffen zijn: de 'diepe ecologie’ van Arne Naess, die de milieucrisis toeschrijft aan het antropocentrisme van de moderne mens; het eco- anarchisme van Murray Bookchin, die ons natuurvijandige gedrag terugvoert op het bestaan van hierarchische verhoudingen tussen mensen onderling; en het eco- feminisme, dat het androcentrisme in plaats van het antropocentrisme als hoofdverdachte aanwijst. Omdat de diepe ecologie zonder twijfel de grootste gemene deler van de Nederlandse milieufilosofie vormt, wil ik mij hier beperken tot een boek waarin deze stroming centraal staat: Participeren aan de natuur van Wim Zweers, een stevige pil van meer dan vijfhonderd bladzijden, die blijkens de ondertitel het 'ontwerp voor een ecologisering van het wereldbeeld’ tot doel heeft.
De diepe ecologie vertoont verwantschap met de inmiddels alweer wat belegen aandoende New Age- beweging, waarmee vooral de namen van Fritjof Capra en Marilyn Ferguson zijn verbonden. Zij putten voor een groot deel inspiratie uit dezelfde bronnen, die varieren van het animisme en sjamanisme van 'natuur’-volken (Indianen, Aboriginals), de heidense godinnencultus, oosterse religies (taoisme, boeddhisme) en middeleeuwse mystiek tot de transpersoonlijke psychologie van Abraham Maslow, de theorie van morfogenetische velden van Rupert Sheldrake, het holografische paradigma van David Bohm en de Gaia-hypothese van James Lovelock. Ondanks deze gemeenschappelijke inspiratiebronnen verzetten de diepe, 'donkergroene’ ecologen zich met evenveel kracht tegen het New Age-denken als tegen de reformistische, 'lichtgroene’ vleugel van de milieufilosofie. De New Age-beweging droomt van een Aquarius-tijdperk waarin de mens zich als bestuurder van het Ruimteschip Aarde opmaakt het heelal te koloniseren, een droom die de diepe ecologen als een nachtmerrie ervaren. De diepe ecologen, die zich als behoeders van Moeder Aarde opwerpen, zien het technologisch optimisme en imperialisme van de New Age-beweging als uitwas van de menselijke hoogmoed.
ONDER AANROEPING van Martin Heidegger, die samen met Alfred North Whitehead tot hun voornaamste huisfilosofen gerekend kan worden, schrijven de diepe ecologen de huidige milieucrisis toe aan het antropocentrisch humanisme van de moderne tijd. Wanneer de mens zich tot maat aller dingen opwerpt, verschijnt de natuur, met inbegrip van de menselijke natuur, nog slechts als 'materiaal’, waarover hij naar eigen inzicht en goeddunken kan beschikken. Om te voorkomen dat deze crisis in een catastrofe eindigt, moeten we ons volgens de diepe ecologen van het antropocentrisme afwenden en tot het ecocentrisme bekeren: we mogen de dingen niet meer benaderen onder het aspect van hun bruikbaarheid en beschikbaarheid voor onze onverzadigbare wil tot macht, maar dienen juist een houding van behoedzaamheid en bezonnenheid aan te nemen. De mens moet leren zich eerder als hoeder of herder dan als heerser van de natuur te gedragen.
Op grond van deze gedachte heeft Zweers, die samen met Wouter Achterberg en Hans Achterhuis tot de pioniers van de Nederflandse milieufilosofie moet worden gerekend, een typologie van grondhoudingen ontworpen. Gaande van de antropocentrische naar de ecocentrische pool onderscheidt hij zes grondhoudingen: die van de despoot, de verlichte heerser, de rentmeester, de partner, de participant en die van wat hij als Unio mystica aanduidt. Hijzelf kiest voor 'participatie aan de natuur’ maar houdt de weg naar mystieke eenwording met de natuur uitdrukkelijk open. Zo'n eenwording is toekomstmuziek omdat ze op dit moment niet weggelegd schijnt voor de massa van de bevolking.
De partner, de participant en de natuurmysticus delen de overtuiging dat de natuur niet langer uitsluitend op haar instrumentele betekenis voor onze zelfhandhaving mag worden beoordeeld, maar dat we in plaats daarvan haar intrinsieke waarde moeten erkennen en haar dus ter wille van zichzelf moeten respecteren. Over de vraag welke stukken natuur intrinsieke waarde bezitten, lopen de meningen weliswaar uiteen, maar doorgaans zijn de diepe ecologen op dit punt niet bepaald zuinig. Zo noemt Zweers moleculaire structuren, kristalvormingen, mineraalgroei, rotsformaties, individuen, soorten, populaties, biotopen, landschappen, ecosystemen en Gaia - de aarde, opgevat als een groot levend organisme - als het ecosysteem par excellence. In overeenstemming met het 'ecocentrisch egalitarisme’ van zijn Angelsaksische bentgenoten huldigt Zweers ten aanzien van het begrip van intrinsieke waarde het principe van 'non-differentialiteit’: verschillende stukken natuur moeten niet volgens een hierarchische orde worden gerangschikt maar zijn strikt genomen allemaal evenveel waard. Zoals Zweers volmondig erkent, verschaft de notie van intrinsieke waarde dan ook geen enkel handvat voor de politieke praktijk, waarin van dag tot dag keuzen ten gunste van het ene en ten koste van het andere stuk natuur moeten worden gemaakt. Het gaat Zweers om het klimaat waarin deze keuzen tot stand komen. Hij wil met de notie van intrinsieke waarde voorkomen dat we hierbij al te lichtvaardig te werk gaan en alleen maar instrumentele belangen in onze afweging betrekken. Zweers spreekt in dit verband van een onvermijdelijke 'tragische schuld’ en hij wantrouwt elke ethiek die hem langs rationele of argumentatieve weg van dat schuldgevoel wil ontlasten.
Zoals Hans Achterhuis in zijn recente bundel Natuur tussen mythe en techniek terecht heeft opgemerkt, dreigt zo'n visie tot een algehele en alles verlammende moralisering van het dagelijkse leven te leiden, waarbij wij voor elke handeling die we verrichten en elke stap die we verzetten rekenschap verschuldigd zijn. Op grond van een wel zeer tegendraadse lezing van het werk van Michel Foucault pleit Achterhuis ervoor deze moralisering van het dagelijkse leven te voorkomen door een moralisering van de techniek, met als voorbeeld de snelheidsbegrenzer die ons de keuze voor al of niet milieuvriendelijk rijgedrag uit handen neemt. Hoe verfrissend dit voorstel tot een nieuw beschavingsoffensief met behulp van technische apparaten en instrumenten in het licht van de onder milieufilosofen virulente techniekfobie ook mag klinken, het roept wel de vraag op wie op grond van welke deskundigheid bepaalt wat goed is voor het milieu en wat niet. Hoe kan worden vermeden dat onder het mom van een schoon milieu en een goede gezondheid andere legitieme belangen opzij worden gezet? Dreigt hier niet naar analogie van de door Foucault zo indringend geanalyseerde medicalisering een sluipende ecologisering van het maatschappelijke leven, met alle normaliserende en disciplinerende gevolgen vandien?
WANNEER WE HET intrinsieke-waardebegrip tot uitgangspunt verheffen, ontnemen we volgens Zweers de natuur het karakter van een object, dat onbeperkt kan worden gecontroleerd en gemanipuleerd, en verlenen we haar opnieuw de status van een subject, dat om morele consideratie vraagt en respect afdwingt. Opnieuw, want de degradatie van de natuur tot louter object is van recente datum en gaat terug op Rene Descartes, die samen met Francis Bacon en Isaac Newton als zwarte schapen van de Nederlandse milieufilosofie figureren. Het wetenschappelijke wereldbeeld dat zij ontwierpen, wordt gekenmerkt door een strikt dualisme (van geest en materie), door een analytisch reductionisme, dat complexe verschijnselen verklaart uit de eigenschappen van de samenstellende elementen, en door een mathematisch mechanicisme, dat zowel de dode als de levende natuur naar het model van een gigantisch uurwerk beschouwt. Dit moderne, door en door antropocentrische wereldbeeld werd voorafgegaan en volgens Zweers in zekere zin ook voorbereid door het middeleeuwse wereldbeeld, dat een uitgesproken theocentrisch karakter vertoonde. Kenmerkend voor dit wereldbeeld is dat God buiten of boven de natuur wordt geplaatst. Hierdoor werd een eerste stap gezet op weg naar de onttovering en de hiermee gepaard gaande uitbuiting van de natuur. Deze ontwikkeling kwam in een stroomversnelling terecht toen de mens God van zijn troon stootte en zijn eigen heerschappij over de natuur vestigde.
Door de natuur haar subjectkarakter terug te geven scheppen we volgens Zweers ruimte voor de mogelijkheid van verbondenheid met en participatie aan de natuur. Zo'n participatie kent drie dimensies: een biologische, een sociaal- culturele en een psychische. De laatste dimensie is veruit de belangrijkste; ecologische spiritualiteit vormt de quintessens van het door Zweers verdedigde type milieufilosofie. Hij stelt ons hier de 'natuur’-volken ten voorbeeld, die het als hun roeping zouden zien om door ceremonien en rituelen en door een innerlijke concentratie en een volgehouden act van wil en verlangen de natuurlijke orde der dingen in stand te houden. We moeten opnieuw aandachtig leren luisteren naar wat Gaia ons te vertellen heeft en daar vervolgens naar handelen, als we tenminste van plan zijn 'de ecokosmos op koers te houden’, zoals Zweers het uitdrukt.
Zweers pleit dan ook voor de eerder door de Twentse milieufilosoof Petran Kockelkoren in De natuur van de goede verstaander geopperde mogelijkheid om natuurverschijnselen net als cultuuruitingen hermeneutisch te benaderen. Zweers beschouwt de natuur als een absolute grootheid en de cultuur als een soort afhankelijke variabele, 'als iets wat zich binnen die alles omvattende en overkoepelende natuur afspeelt’. Maar zo'n opvatting roept meteen de vraag op wie er in naam van de natuur met gezag het woord mag voeren. Waaraan ontleent iemand het recht zich tot spreekbuis, tot tolk van de natuur op te werpen? En wat nu als de natuur eens meerstemmig zou blijken te zijn en in vele verschillende tongen tot ons zou spreken, of zich juist in diep stilzwijgen zou hullen?
OP DIT SOORT VRAGEN, die allemaal onmiddellijk raken aan de kwestie van het democratisch gehalte van de milieufilosofie, lijkt Zweers het antwoord paraat te hebben: het is de ecologie die ons kan helpen de natuur te ontsluiten. Het ecocentrische wereldbeeld dat Zweers als ideaal voor ogen heeft, is nauw verwant aan het kosmocentrische wereldbeeld, dat aan het theocentrische en antropocentrische wereldbeeld voorafging. Maar het wijkt hiervan op een belangrijk punt af: Zweers’ ideaal betreft namelijk een kosmos die wel degelijk wetenschappelijk verkend en in kaart gebracht is. Met instemming citeert hij Wolfgang Sachs, die de ecologische beweging afschildert als de eerste antimodernistische beweging die de vijand met zijn eigen middelen probeert te verslaan. Immers, met een beroep op de systeemecologie kan deze beweging de strijd met het vooruitgangs- en verlichtingsdenken aanbinden in naam van de wetenschap zelf. Een dergelijk beroep is volgens Zweers echter niet geheel onproblematisch. Het gevaar is geenszins denkbeeldig dat de systeemecologie zich ontwikkelt in de richting van een op de cybernetica gestoelde beheersing van de natuur, waardoor het baconiaans-cartesiaans- newtoniaans programma alleen maar in versneld tempo wordt voortgezet.
Maar beste man, zo zou men de heer Zweers op dit punt willen toeroepen, systeemecologie en cybernetica kunnen helemaal niet apart van elkaar worden gedacht maar zijn van meet af aan onlosmakelijk met elkaar verbonden. Evelyn Hutchinson, de vader van de systeemecologie, was een gezaghebbend figuur binnen de technocratische beweging die meteen na de Tweede Wereldoorlog in Amerika tot grote bloei kwam. De politici waren volgens de technocraten niet in staat gebleken het hoofd te bieden aan de problemen van een complexe industriele samenleving en dienden het veld te ruimen voor sociale ingenieurs die de maatschappij naar analogie van een zichzelf regulerende machine opvatten. In een baanbrekend artikel uit 1946, 'Circular Causal Systems in Ecology’, vergelijkt Hutchinson de biosfeer, met inbegrip van mens en maatschappij, met een reusachtig systeem dat dank zij de aanwezigheid van een reeks terugkoppelingsmechanismen binnen bepaalde grenzen in evenwicht verkeert. Deze door en door cybernetische visie op de natuur werd nadien uitgewerkt door Hutchinsons leerling Howard Odum. De enige ecoloog van naam die Zweers ter onderbouwing van zijn betoog aanhaalt, is Howards broer en medewerker Eugene. Het is diens holistische retoriek die Zweers en velen met hem op het verkeerde been heeft gezet. Want het systeemecologisch holisme verschilt in feite hemelsbreed van het milieufilosofisch holisme. De systeemecologie heeft de opvatting dat 'gehelen’ realistisch moeten worden geinterpreteerd - en dus meer zijn dan methodologische constructen - als pure metafysica achter zich gelaten.
Deze opvatting werd gedurende het interbellum niet alleen aangehangen door filosofen zoals Whitehead, maar ook door ecologen van naam die populaties en vegetaties als een soort superorganismen zagen, die net als individuele organismen een bepaalde ontwikkeling doorlopen. Hun boodschap luidde dat de overlevingskansen van een gemeenschap volledig afhankelijk zijn van de onbaatzuchtige en onvoorwaardelijke dienstbaarheid van haar leden aan het grotere geheel, van hun bereidheid tot zelfdiscipline, zelfverloochening en zelfopoffering. Deze tegen het liberale individualisme gerichte boodschap verloor met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op slag elke aantrekkingskracht. Het metafysisch holisme maakte nadien binnen de ecologie plaats voor een puur methodologisch holisme.
DE SYSTEEMECOLOGIE is in werkelijkheid niet minder reductionistisch dan de klassieke natuurwetenschappen, maar dit reductionisme is wel van een geheel andere orde. In de klassieke natuurwetenschappen gaat het om een reductie tot elementen, zoals atomen of moleculen, die in stoffelijk opzicht aan elkaar gelijk zijn. In de systeemecologie draait het daarentegen om componenten die in functionele zin aan elkaar gelijk zijn, omdat zij binnen een ecosysteem dezelfde rol vervullen, bijvoorbeeld die van producent (groene planten), consument (herbivoren, carnivoren) of destruent (bacterien en schimmels).
Om de kloof die de academische van de radicale ecologie scheidt te kunnen peilen, dient men te beseffen dat de systeemecologie, die tot op zekere hoogte als opvolger van de vooroorlogse ecologie kan worden beschouwd, vanaf circa 1950 in toenemende mate concurrentie heeft gekregen van de evolutionaire ecologie, die van een individualistisch in plaats van holistisch gemeenschapsconcept uitgaat. Als de controverse tussen systeem- en evolutionaire ecologie iets duidelijk maakt, dan is het wel dat het voortdurende beroep van de milieufilosofen op 'de’ ecologie op zijn zachtst gezegd misleidend is. Als proefondervindelijke wetenschap is de ecologie constant in beweging. Haar resultaten zijn per definitie omstreden en dus voorlopig. De ecologie bezit dan ook een fallibilistisch in plaats van fundamentalistisch karakter. Juist vanwege haar onmiskenbaar natuurwetenschappelijke inslag moet zij zich wel onthouden van uitspraken over de ware aard van de natuur, laat staan dat het geoorloofd zou zijn op grond van dergelijke uitspraken, zo ze al mogelijk zouden zijn, conclusies te trekken ten aanzien van de inrichting van ons publiek bestel en ons priveleven.
NIET ALLEEN zal de ecologische wereldbeschouwing die Zweers cum suis willen vestigen het noodgedwongen zonder wetenschappelijke basis moeten stellen; het streven naar zo'n alomvattende wereldbeschouwing dient op zichzelf als buitengewoon restauratief te worden afgewezen. Het verlangen naar een nieuwe wereldbeschouwing is een reactie op de ontbinding van de quasi-organische eenheid die de samenleving gedurende het ancien regime kenmerkte. Onder democratische verhoudingen gaat deze eenheid definitief teloor en verkrijgen politiek, economie, rechtspraak, wetenschap en kunst een betrekkelijke zelfstandigheid ten opzichte van elkaar. Het postmodernisme bezegelt het lot van de 'grote verhalen’ die vanaf het begin van de negentiende eeuw in roulatie werden gebracht om de verloren eenheid te herstellen. Vanwege hun totalitaire consequenties neemt het postmodernisme resoluut afscheid van dergelijke wereldbeschouwingen of ideologieen, die de meerzijdige werkelijkheid geweld aandoen.
Zo niet Zweers; hij veroordeelt zo'n deconstructief postmodernisme als nihilistisch en pleit voor een constructief postmodernisme. Wat we volgens hem nodig hebben om een algehele culturele en maatschappelijke desintegratie tegen te gaan is een nieuw 'wervend’ totaliteitsbesef, het bewustzijn namelijk dat er maar een orde is die alles omvat. We moeten een stuk van onze autonomie opgeven en leren ons te voegen, ons te 'laten gezeggen’ door het grotere geheel. Wij vormen slechts een onaanzienlijk deel van dat geheel, de oikos, 'de wereld bewoond door dieren, planten, dingen, mensen en de verbindingen waartoe deze zich groeperen, de ecosystemen, tot en met de aarde als geheel: Gaia’.
Zo'n verlangen naar nieuwe grote verhalen deelt Zweers met andere milieufilosofen. Zo pleit bijvoorbeeld Hans Achterhuis niet alleen voor een moralisering van de techniek maar eveneens voor een 'gereflecteerde terugkeer naar de mythe’ - voorwaar een bizarre combinatie! Een dergelijk pleidooi kunnen we maar beter naast ons neerleggen, en wel in naam van de democratie die leeft van verschillen die alleen door discussie en deliberatie tijdelijk kunnen worden overbrugd. Wat ons anders te wachten staat blijkt uit het volgende citaat van Thomas Berry, dat Zweers met instemming aanhaalt: 'Als er een parlement voor alle schepselen zou bestaan, dan zou zijn eerste beslissing kunnen zijn de mensen uit de gemeenschap weg te stemmen, omdat hun aanwezigheid te dodelijk is om nog langer te tolereren.’