Luisteren, niet luisteren

Toen ik vorige week op de bank van mijn beste vriendin naar Nederland – Canada keek, vroeg ze me of het pijn deed dat ik zelf niet op dat veld stond. Het is een vraag die me met regelmaat wordt gesteld, zo regelmatig zelfs dat ik inmiddels met enige tegenzin naar de wedstrijden van het Nederlands vrouwenelftal toeleef. Ik geloof niet dat het pijn doet, en zelfs wanneer dat het geval zou zijn komt het mijn eer te na om daarover te gaan zitten klagen op een bank. Zoiets antwoordde ik dan ook, mompelend en vagelijk bescheiden, waarna we weer terugkeerden bij onze favoriete bezigheid: het afkraken van Sherida Spitse.

Na de wedstrijd zagen we een interview met Daniëlle van de Donk, die glimlachend en met gebogen schouders een journalist van de NOS te woord stond. Of ze met het goede spel van vandaag hun criticasters de mond hadden gesnoerd, vroeg hij. ‘Ja’, antwoordde ze giechelend, om vervolgens te constateren dat de media ook veel positieve dingen voor hen teweeg hadden gebracht. Op dat moment draaide ik me om naar mijn vriendin, en zei ik dat ik voetballend waarschijnlijk niet veel zou hebben toegevoegd – maar de interviews toch beter had aangepakt.

Presteren én spreken. Dat was wat Zlatan Ibrahimović zich voornam, toen hij een jaar of dertien was en Muhammad Ali zichzelf tot de beste ter wereld zag kronen. Op een dag zou hij niet alleen de meest weergaloze voetballer aller tijden worden – hij zou het benoemen ook. En zo geschiedde, min of meer. Hij werd een van de grootste voetballers ooit, en concludeerde als aanvoerder van Zweden dat alleen God de uitslag van hun wedstrijd tegen Engeland zou kunnen voorspellen. De journalist met wie hij sprak antwoordde dat we het die lastig konden vragen. ‘Nee hoor’, stelde Ibrahimović, ‘Hij zit voor je.’

Een ander vroeg voornemen, zo schrijft hij in zijn autobiografie Ik, Zlatan, was om ‘te luisteren, en niet te luisteren.’ Afgaande op zijn boek komt dat motto vooral neer op niet luisteren, en zo nu en dan glimlachen wanneer de situatie daar om vraagt. Het deed me denken aan de tijd dat ik al voetballend mijn land vertegenwoordigde, en we van onze coach een vrije trap nooit direct op doel mochten schieten. We moesten ’m afleggen, altijd afleggen, en dat heb ik gedaan ook. In de jaren daarna heeft dat bevel nog vaak door mijn hoofd gespeeld, en dan met name de gretigheid waarmee mijn medespeelsters en ik het inwilligden. Het vormde het bewijs, naar mijn idee, van de verregaande en nooit aflatende eis die in dit leven aan vrouwen wordt gesteld: vooral niets fout doen.

Een indirect, maar daarom niet minder noodzakelijk gevolg van die eis is diepe schaamte, op het moment dat je ongevraagd voor eigen succes gaat. Het voelt dan ook weinig toevallig dat ik in mijn voetballende leven vooral vrouwen ben tegengekomen die liever de beslissende pass gaven dan de bal zelf in het net ramden. En dat is zonde, want ik heb altijd geloofd dat voetbal een uitdrukking is van wat je in je draagt – iets, kortom, waar geen rem op zou mogen zitten.

Kijkend naar de met vlagen zelfzuchtige Lieke Martens en Vivianne Miedema merk ik dat daar gelukkig verandering in komt. Een belangrijke vervolgstap lijkt me een flinke dosis branie buiten het veld. Meer dan op de winst van het wereldkampioenschap van de Oranje-leeuwinnen hoop ik dan ook op een direct genomen vrije trap, raak of niet, met een achteraf breed glimlachende Van de Donk in de catacomben. Waarom ze op zo’n beslissend moment geen voorzet gaf? ‘Vraag het God’, luidt haar antwoord. ‘Ze staat toevallig voor je.’