H.J.A. Hofland

Luitenant Chirac en piloot Bush

President Chirac doet wat voor de hand ligt. Kundig, hoffelijk maakte hij gebruik van de situatie die hem door collega Bush is opgediend. Want hoe we het ook wenden of keren, de Amerikaanse onderneming in Irak is vastgelopen, en wel op alle denkbare manieren. Een bezettingsmacht van honderdvijftigduizend man slaagt er niet in de veiligheid te herstellen, hulp van bondgenoten mag alleen worden verwacht als dat wel zou lukken, het Iraakse volk of de massa’s of de stammen beginnen zich tegen de bevrijders te verzetten, de regeringsraad wil dat de coalitie zo snel mogelijk vertrekt, de operatie gaat steeds meer geld kosten. Om maar een paar aspecten te noemen.

Dan komt Chirac. «Frankrijk is niet die automatische vijand van Amerika.» «Wij zeggen niet dat iets wit is, als de Amerikanen het zwart noemen.» «Het doet ons pijn als uw soldaten sneuvelen.» Hij heeft een alternatief: snel naar de nieuwe onafhankelijkheid, niet meer onder supertoezicht van Amerika maar van de Verenigde Naties. Hij heeft goede argumenten. De hoogste macht «in een islamitisch land toebedeeld aan een christen, een vreemdeling, is gevaarlijk, en zeer moeilijk te aanvaarden voor ieder volk in de 21ste eeuw».

Dat was in de twintigste en negentiende eeuw ook al het geval, maar zo’n toevoeging maakt een moderne indruk. De Franse president heeft recht van spreken, herinnert zich zijn ervaringen als officier in het Algérie Française. Hij weet van de meedogenloze oorlog tussen een volk en een vreemd leger dat, officieel bezield met de beste bedoelingen, in een guerrilla van jaren werd verslagen. Charles de Gaulle heeft de Fransen toen gered. Misschien heeft Chirac wel willen zeggen dat George Bush de Amerikaanse De Gaulle zou kunnen worden. Dat zou wel heel genereus zijn. Als er al zo’n wenk gegeven is, moet die in Washington nog worden begrepen.

In ieder geval bieden de Franse denkbeelden een mogelijkheid, niet alleen voor Washington, om aan een historische mislukking in verregaande staat van aanbouw te ontsnappen zonder de al aangerichte ruïne de rug toe te keren. De Amerikanen zouden, hoe merkwaardig dat ook op het eerste gezicht mag zijn, via de «internationale gemeenschap» hun wereldleiderschap weer een begin van aanvaardbaarheid kunnen geven, en tegelijkertijd hun altijd noodzakelijke medewerking verlenen om een stagnerend beleid door nieuwe perspectieven te vervangen. Eigenlijk zou een dankbare Bush in New York zijn wijze redder in de armen moeten vallen.

Deze column op dinsdag schrijvend, terwijl de heren zich voorbereiden op de ontmoeting, voorspel ik dat dit niet gebeurt. Voor deze grote verzoendag is de tijd niet rijp.

Daarvoor zijn drie argumenten. Ten eerste wil Washington niet dat de militaire bevelsstructuur door betrokkenheid van de VN (of welke internationale organisatie dan ook, desnoods de Navo) zal verwateren. Amerikaanse soldaten vechten alleen onder Amerikaans opperbevel. Ten tweede willen Bush en de zijnen niet het risico lopen dat na een snelle militaire ontruiming de chaos groter wordt. En wat misschien het belangrijkste is: door uitvoering te geven aan de denkbeelden van Chirac zouden de neoconservatieven feitelijk hun grand design voor het Midden-Oosten prijsgeven, zelfs hun ideologie voor de hele wereld op stal zetten.

Want Irak — in het concept van de briljante Wolfowitz en zijn mededenkers bedoeld als voorbeeldige opening naar de democratisering, de bekering tot de «moderniteit» van de regio — wordt dan teruggebracht tot een afzonderlijk vraagstuk, dat met zijn eigen specifieke oplossing misschien tot een goed einde zal worden gebracht. En daarmee uit. De feitelijke erkenning van de Amerikaanse ontoereikendheid in Irak (door toelating van de VN op hun voorwaarden) impliceert de nederlaag van het unilaterale neoconservatisme. Dat is feitelijk een ontmaskering van dit bewind van Bush, namelijk als een gezelschap van even beperkte als bevlogen ideologen die in een roes van zelfoverschatting hun spel hebben gespeeld. Dat spel is dan uit.

Irak is een demonstratie van hoe een door een ideologische blauwdruk bepaalde, voornamelijk op een verpletterende militaire overmacht steunende politiek, een onbeheersbare situatie kan veroorzaken. Iedere dag verzekert in Washington wel iemand dat Irak geen Vietnam is. Voor een dergelijke ramp is het nog te vroeg. Bovendien zou niet Irak het nieuwe Vietnam kunnen worden, maar het hele Midden-Oosten hoe langer hoe meer gelijkenis met dat uitzichtloze strijdtoneel gaan vertonen. En het verschil met Vietnam zou dan zijn dat dit drama nog als een min of meer geïsoleerd Amerikaans probleem kon worden behandeld, terwijl het Midden-Oosten de hele wereld aangaat.

Dat Chirac onverkort zijn zin zou krijgen, is uitgesloten. Maar hij heeft de aanzet gegeven tot de bevrijding van de Amerikanen uit een bezetting waarvan de president zelf het opmerkelijkste slachtoffer begint te worden. Om van de kans gebruik te kunnen maken, moet dit bewind zichzelf bevrijden uit zijn door een ideologie vergiftigd wereldbeeld. Als de nieuwe ontmoeting tussen het «oude Europa» (dat van Venus en de afwassers) en Amerika (dat van Mars en de koks) op een confrontatie uitdraait, moeten we nog meer dan een jaar wachten, namelijk tot de Amerikanen hun nieuwe president hebben gekozen. Laten we hopen dat ze dan Wesley Clark zullen kiezen. Die heeft persoonlijke ervaring met de oorlog, ook in Vietnam. Piloot Bush moet het allemaal nog leren.