Lulpraatjes

Man zoekt op datingsites, vindt een meisje, ze zijn gelukkig, dan gaat het uit. Zo kun je Stephan Enters nieuwe, kleine roman samenvatten. De liefde, de liefde, meer is het niet, maar minder ook niet en Enter maakte er een hartverscheurend verhaal van dat me handenwringend deed toekijken en lezen.

Denk dit soort dingen toch niet, wilde ik de mannelijke hoofdpersoon toeroepen, zoek het toch niet in allerlei rationalisaties die jezelf buiten schot houden. Neem haar toch in je armen, kus haar. Tevergeefs natuurlijk, al laat Enter op de laatste pagina’s in het gekwelde gemoed van zijn held toch enig licht doorbreken.

Niet de eerste keer dat Enter de man-vrouwrelatie op de pijnbank van zijn schrijfverlangen legt. In Lichtjaren (2005) ging het om de teloorgang van de liefde tussen Nils en Hella, hier om de verhouding tussen Frank en Jessica. En opnieuw speelt de rationalisatiedwang van de mannelijke hoofdpersoon een grote rol. Frank analyseert, observeert, rationaliseert, psychologiseert, tot hij er zelf zo ongeveer bij neervalt en het te laat is om nog onbevangen te durven of te mogen kijken. Hoe verover je onbevangenheid, dat is het kernthema, of: hoe hou je haar in stand. En op het einde blijft een verpletterend gevoel van melancholie over dat deze roman ver laat uitstijgen boven ‘normale’ liefdesboeken.

Enter zet deze keer een tamelijk ijdele man neer, hij kijkt neer op de medemens en de vrouw, vindt zichzelf intelligent en niet onaantrekkelijk. ‘Eigenlijk ben ik nu zo ongeveer op mijn best, vooral als ik mijn baard een week laat staan.’ Ik moest hier keihard om lachen. En als de held een keer voor de spiegel zichzelf staat te bewonderen, verbaast hij zich over ‘mijn kinderlijk blozende gezicht, waarin voortdurend een spottende gedachte lijkt op te wellen’. Narcisme, vermeende kinderlijkheid en ironie, een gevaarlijk en op ontploffen staand mengsel dat je bij veel in het wild rondlopende hoogopgeleide mannen kunt aantreffen. Zie je ze voor je? Dat lachje, dat misprijzende, die weerzin over de oppervlakkigheid van anderen, dat neerkijken op vrouwen, dat in de grond op zichzelf verliefde – dat toch ook duidt op latente minderwaardigheidsgevoelens –, dat zelfbevrijdende georeer. Kortom, daar heb je hem, deze neuroot, dit geval, de gemiddelde mannelijke _Groene-_lezer en schrijver dus.

Medium enter
Stephan Enter lijkt op de arts die zijn patiënt een zo zacht mogelijke dood wil laten sterven

Enter treft dit alles duizelingwekkend precies, natuurlijk ook omdat hij er zelf eentje is, juist dat maakt deze roman zo melancholiek en toch ook, als je hem uit hebt, dat je een beetje voor je uit gaat zitten staren en even diep zucht. Ben ik ook zo? Ja hoor, jij bent ook zo. De schrijver maakt geen gehakt van deze ik-figuur. Hij laat er eentje zien in al zijn halve glorie en misplaatst zelfvertrouwen en brengt hem langzamerhand vlak bij de afgrond. Via heel precies schrijven. Hij heeft zowaar met hem te doen, hij houdt van hem, Enter lijkt op de arts die zijn patiënt een zo zacht mogelijke dood wil laten sterven. Hij laat zijn wereldbeeld wankelen. En hij laat hem zichzelf nooit helemaal doorzien, dat zou deze roman terug hebben gebracht tot een dor traktaat over mannen en vrouwen. Enter doorziet hem, maar wil het niet te erg laten merken, en op het einde laat hij hem met lege handen staan. En laat hij het zelfmedelijden als een vette walm over hem heen komen: ‘Ik haal de foto waarmee ze destijds op de datingsite stond erbij. Ik kijk er een tijdlang naar, klik hem weg, klik hem meteen weer terug. Ik blijf kijken. Minutenlang. En ik denk: wat een gezicht. Wat een ongelooflijk bijzonder gezicht.’ Maar wat ziet hij toch? Zichzelf? Zijn eigen wanhoop?

Jessica doorziet hem, dat weet je, maar nooit helemaal zeker, omdat je haar alleen door zijn ogen te zien krijgt. Ziet hij haar wel echt? Ze doorziet zijn doorgedreven gerationaliseer, dat voel je gewoon, Enter is hier werkelijk op z’n allersterkst, ze kent zijn psychologische lulpraatjes en lulgedachten over vrouwelijke seksualiteit, ze weet dat hij haar vergelijkt met alle andere vrouwen die hij ‘had’. Ze aanvaardt dat, terwijl Frank alleen zichzelf aanvaardt en voor het overige de wereld interpreteert als een dorre opeenvolging van oorzaken en gevolgen. Al strijdt hij daar wel tegen. Hij is niet in staat onbevangenheid te accepteren, terwijl dat bij Jessica een uitgangspunt is.

Enter laat ‘zijn’ Frank steeds in het duister tasten, ik zie hem peinzend zitten schrijven, ik zie het voor me hoe hij schrijft. Zo moet je schrijven. Frank houdt beslist van Jessica, maar dan alleen op zijn eigen egocentrische manier. Hij komt er langzamerhand achter dat hij haar niet seksueel begeert, ook al omdat zij niet in staat is een orgasme te bereiken. Alles is bij hem egocentrisch, ook al doet hij, in een geestige, maar vooral uiterst pijnlijke scène, nog zo z’n best haar zover te krijgen. Hij wil haar gelukkig maken en denkt dat zo te kunnen. Wat een ramp! Hij kan niet buiten zijn oevers treden, Jessica weet dit en uiteindelijk zegt ze het hem.

Dit is een pijnlijke, mooie roman, geschreven in een pijnlijk mooie en precieze stijl waarin alle middelen worden aangegrepen om de onderliggende duistere emotionaliteit zonder al te zware pathetiek aan het licht te brengen. Overal staan kleine, maar o zo gedetailleerde beschrijvingen van de lucht, een straat, wolken, een interieur. ‘Er staat een zacht briesje dat lauw aanvoelt.’ ‘Een fietsbel rinkelt als een kristallen glas.’ ‘Links van ons, ongeveer honderd meter van de wal, ligt één boot stil voor anker, met gestreken zeil en een zwak deklicht.’ Deze zinnen brengen de wanhoop in beeld, ze zijn de boodschappers van het geheim in deze fraaie Enter-roman dat zich ook nu weer niet laat ontraadselen.


Beeld: Stephan Enter laat zijn hoofdpersonage in het duister tasten (Alessandro Cani)