Remco Campert, Het satijnen hart

Lusteloos

Remco Campert
Het satijnen hart
De Bezige Bij, 190 blz., e 16,50

Een ooit beroemde kunstenaar blikt op het eind van zijn leven terug op zijn carrière. Remco Campert vertelt in deze roman de geschiedenis van de oude, vroeger zeer succesvolle, maar nu bijna vergeten schilder Hendrik van Otterlo, in wie je een mengeling van Karel Appel, Corneille en Constant zou kunnen herkennen. Van Otterlo schildert al jaren niet meer, is een in zichzelf verzonken en enigszins bozige man die alleen nog vegeteert en het verdomt zich de les te laten lezen door wie dan ook. Langzamerhand dringt het tot hem door dat dit iets te maken moet hebben met zijn egoïstische houding ten opzichte van anderen: familie, vrouwen en kunstenaars. Wanneer hij leest dat zijn voormalige vriendin Cissy is overleden – ze verliet hem ooit zonder opgaaf van redenen – beseft hij dat zijn bozige houding haar niet meer terugbrengt en dat hij haar destijds bijzonder bot behandelde. Hij ontwaakt uit zijn lethargie en laat zijn oude atelier, waar hij al jaren niet meer kwam, opknappen.

Tot zo ver de samenvatting, maar waar ligt het toch aan dat dit boek niet in me begon te bewegen, om het zo eens te zeggen? Misschien scheldt die oude schilder niet hard genoeg, dacht ik en bleef het daardoor zo’n beetje lusteloos in me voortkabbelen. Een kankerende kunstenaar die alles niks vindt en flink tekeergaat over zijn leven en tegen zijn collega’s, dat zou aan mij wel besteed zijn geweest. Zo’n Thomas Bernhard-kankeraar, in zichzelf mompelend terwijl hij op een podium langzaam al zijn werk aan stukken scheurt. Schatrijk geworden met kleurrijke vlekken, maar achteraf iedereen voor lul zetten. Dan heb je een roman, dacht ik af en toe stiekem. De hele beerput open, met naam en toenaam, nou vooruit, met een beetje veranderde namen: Rudi Fuchs heet Billy Boeks en Willem Sandberg heet Willem Teerheuvel. En dan in af en aan golvende scheldpartijen lekker tekeergaan, zodat de tragiek en de frustratie er toch in doorschemeren en later Johnny Kraaykamp triomfen viert met de toneelbewerking.

Maar Campert laat zijn held rustig en ook wel prettig een beetje ijdel en klootzakkerig zijn. Geen snijdende kretologie die uiteindelijk toch doel treft. Wel voorzichtige bespiegelingen: «Het komt me niet erg goed uit om op mijn oude dag nog aan een heroverweging van mijn leven te beginnen.» Deze man kankert alleen een klein beetje, maar een obsessie wordt het niet, eerder het verongelijkte gezwatel van een over het paard getilde kunstenaar die niet verder komt dan alles ijdelheid te vinden. «Ik vervloek de kunst, het idee dat die belangrijker zou zijn dan al het andere, de ijdelheid ervan, de innerlijke pochhanzerij, het egocentrisme dat me zelfs belette om kinderen te verwekken en als een vader voor ze te zijn.» Dit toont niet genoeg de rancune en tragiek van de man, dit legt uit, dit is geen Hoger Schelden, dit is alleen een schilder aan het woord die in clichés denkt. Die dus nooit een goeie schilder is geweest, misschien wilde Campert dat laten doorschemeren.

Medium webcampert2

Misschien zit het ’m ook in de psychologie van het verhaal. Van Otterlo leest dat Cissy is overleden en ineens wordt hij wakker en begint hij aan het verleden terug te denken. Maar wat was er toch zo bijzonder aan Cissy? Zij blijft grotendeels in het duister, ja, ze vergezelde hem een tijdje op zijn reizen en lag dan vaak op een bed mooi te zijn. Waarom heeft hij over haar ineens wroeging? «Maar meestal sliep ze uit, zwom, lag op het strand of ging de stad in. Aan het einde van de werkdag haalde ze me op, beladen met pakjes in mooi dun papier met kleurige lintjes eromheen.» Een echte verhouding had hij blijkbaar niet met haar, ze kon hem feitelijk geen bal schelen en dan nu ineens wel, als ze dood is. Ik kreeg er geen vinger achter. Natuurlijk, Campert legt er steeds de nadruk op dat Van Otterlo, alweer zo’n cliché, alleen voor de kunst leefde en dus niet in staat was goede relaties met vrouwen aan te gaan, maar dan nog. Waarom die Cissy niet meer in het licht gezet?

Misschien zat ik te lang en te vergeefs te wachten op Camperts verwilderde blik die hij in eerdere romans zo mooi over de wereld laat glijden, die zijn helden en heldinnen in zacht licht zet en zijn zinnen laat glanzen. Ook dat laatste lukte in deze roman niet altijd, ik bleef soms vastzitten aan van die zinnen die ik liever wilde veranderen. «Het grootste deel van mijn leven, waarvan ik niet weet hoe lang het nog zal duren, is geschiedenis.» Waarvan ik niet weet hoe lang het nog zal duren? Nee, natuurlijk niet. En als Van Otterlo over zijn sterven peinst, staat er: «Denken hierover is een bezwering om het spook van de dood nog even rustig te houden.» Er zijn meer van die zinnen. Misschien ben ik teleurgesteld omdat vooral een roman over kunst het allerhoogste moet nastreven, zich niet bij algemeenheden moet neerleggen, de duisternis in moet, of het licht, of de verloedering, of de bewondering, of de wanhoop.