James Joyce’ Finnegans Wake

Lustsluiper in Feniks Park

James Joyce’ Finnegans Wake gaat over alle «lustsluipers» in Het Paradijs. Het is taalmuziek en een eeuwigdurende ballade, een weergaloos esthetisch onderzoek naar de sluimerende, slapende, dromende en komende geest die naar alle hoeken van tijd en ruimte uitwaaiert en die het hele alfabet bespeelt. Joyce blijft een feniks van de woordkunst.

«Is er iemand die mij begrijpt?» Dat vroeg James Joyce in 1904 in Dublin aan zijn nieuwe vlam Nora Barnacle. Het stond in een wanhopig liefdesbriefje waaruit al verlatingsangst en achterdocht sprak. Nora zou de vrouw worden met wie hij hetzelfde jaar nog Ierland voorgoed verliet. Zijn meesterwerken — A Portrait of the Artist as a Young Man (1916), Ulysses (1922) en Finnegans Wake (1939) — schreef hij in ballingschap. Maar of Nora, een plattelandse uit Galway die een nederig baantje had in het Dublinse hotel Finn, hem werkelijk begreep? In Ulysses, waarvan het magistrale slothoofdstuk — de eindeloos meanderende bedmonoloog van Molly Boom — op haar epistolaire stijl was geënt, is ze nooit verder gekomen dan een paar bladzijden. Ze raakte de draad al snel kwijt en noemde het boek «een monster».

«Is er iemand die mij begrijpt?» Die vraag stelt Anna Livia Plurabella in Finnegans Wake, het sluitstuk van Joyce’ indrukwekkende vernielings- en vernieuwingstocht door de literatuur van de Middeleeuwen tot de moderne tijd waarin de «holy ghost» verwerd tot «holocaust», om een wel zeer scherpe joyceaanse woordspeling te noemen. Anna Livia ontleent haar naam aan de Liffey, de rivier die door Dublin stroomt en de stad in tweeën deelt. Anna Livia’s taal is een slingerende woordenstroom. Molly Bloom houdt de interpunctieloze slotmonoloog van Ulysses, Anna Livia mag Finnegans Wake afsluiten. Molly slaapt bijna, Anna Livia spreekt bij het krieken van de dag. Ze roept haar man, H.C. Earwicker, op om wakker te worden: «Rijs op, man des howthzees, je hebt zo lang geslapen!»

Deze diva-Eva is zich zeer bewust van de zondeval. «Eerst voelen we. Dan vallen we.» Zij lijkt de taal van Samuel Beckett — begonnen als secretaris van Joyce — te voorspellen wanneer ze haar geduld verwoordt: «Ik zal wachten. En wachten. En dan, als alles. Wat zal zijn is. Is is. Maar laat ze.»

Is er iemand die James Joyce heeft begrepen? Is er iemand in Nederland die Joyce heeft wíllen begrijpen? Hier heerste lang het hardnekkige misverstand dat Ulysses een literair monster was, een onneembare vesting, wartaal. Dat welhaast moedwillige misverstand — geboren uit de Hollandse aversie tegen experiment en vernieuwing — is min of meer uit de weg geruimd. Nee, Ulysses is geen wartaal maar een staalkaart van stijlen in een van de meest vernieuwende romans van de twintigste eeuw. Zelfs degenen die deze Joyce-roman net als Nora nauwelijks hebben gelezen en er ook nooit aan zullen beginnen, zijn nu bijgedraaid. Tijdens het literaire borreluur babbelen ze lustig mee met het handjevol lezers dat daadwerkelijk door Ulysses is aangeraakt.

Het Nederlandse proza is nooit werkelijk geraakt en aangeraakt geweest door experimenteerlust. Hier heerst nog immer, op een paar verademende uitzonderingen na, de binnendijkse behoudzucht en de biografische babbelzucht.

En na Ulysses was daar ook nog Finnegans Wake. Wat te doen? Hoe te lezen? Erin bladeren, je laten meevoeren door duizelingwekkende woordvervormingen en in lachen uitbarsten door geregisseerde verschrijvingen en taalgrollen? Hebben wij zogenaamde serieuze lezers niet iets beters te doen dan die «ooit gangbare woordspelingen, rijzende citatenbrij, schaotels woordengruwel» te consumeren? Was die Joyce niet in zijn eigen taallabyrint verdwaald? Ezra Pound zei het zelf. Masochistische lectuur. Bijna twintig jaar lang doorwerken aan een boek dat niemand begrijpt en de academici nog eeuwen decodeerwerk bezorgt? Een boek vol «kwinkslagen voor doolhoofd»? In Nederland waren het alleen poëtische geesten als Lucebert en Bert Schierbeek die roken aan en snuffelden in Finnegans Wake, die zelfs hier en daar in eigen werk een hilarische regel citeerden.

En nu ligt er, na jarenlange noeste en woeste arbeid tegen het dictatoriale nut van de markt in, de hondsbrutale vertaling van het duo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Waarom zijn zij dit «taalmonster» zo blijmoedig en energiek te lijf gegaan? Omdat deze heren, die een botsing meer of minder met het Hollandse literaire binnenwereldje niet schuwen, natuurlijk «lots of fun» zagen in deze radicale Irish stew, dit fantastische spel met het alfabet, deze bijbels-babbelonische spraakverwarring. Finnegans Wake is een strak georganiseerde «chaosmos» van woorden waarin de lezer bijna alle mogelijkheden tussen A en Z te lezen krijgt. Het Opperlands verbleekt erbij. Wie frank en vrij doorleest, niet al te zeer gehinderd wordt door de tientallen Finnegans Wake-handleidingen en het niet erg vindt regelmatig te verdwalen in het woordspellabyrint, in portmanteaugejongleer en in pakweg zestig talen (tot en met «rookworst», in vertaling «smokesaucijsje»), beseft al snel dat de vertalers regelmatig dubbel hebben gelegen van het lachen en soms van de «hoofdherrie». Voor hun formidabele werk — waarop gemakkelijk kritiek kan worden geleverd, ik heb een lijstje, maar nu niet — moet maar een speciale levenslange beloning worden ingesteld: welke mecenas geeft deze vertaaltweeling jaarlijks een vorstelijk eregeld?

De Nederlandse Finnegans Wake is geen koelie-arbeid geworden maar een uitdagende vrijworstelvertaling. En wie zich vrijheden veroorlooft, kan natuurlijk kritiek verwachten vanuit de kantlijn. Allereerst vieren we de brutale humorgevoeligheid van het vertalersduo Bindervoet-Henkes, die nergens uitloopt op Nederiglands. In deze meandertaal van schoot naar dood naar schoot komen we zelfs zeer Hollandse plaatsnamen tegen als Ruigoord, Reguliersbree, Eibergen, Ubbergen, Haaksbergen, Stavoren, Nigteve(g)cht, Kinderdijk en «delftmaal uit alkmaar». En het duo strooit kwistig met (ver)taalvondsten: «Er was een slang geleden.» «Ik wil geld. Bij voorschot dank.» «In de loop van hun gebakkenei…» «Kachel van de spiritus…» Enzovoort en zo verder. Hun vertaallust werkt verslavend.

«Maar weet een minuut.» Om een in «Enghollands» (Bindervoet-Henkes) omgezette zin uit Joyce’ work in progress te citeren. «Kunt U (…) zijn woorld lezen? Het is hetzelfde verteld van allen. Meenge. Van verbastering op verbastering. Tikkel. Ze leefden und lachten emt verliefden ende verlieten. Voorzonde. Uw hoondingrijk is de Mede en de Pers vergeven. De meandertaal, leer op leer,…»

Wacht, stop! Waar gáát Finnegans Wake eigenlijk over? Ik was al bang dat de kritische Groene-lezer vroeg of laat met deze praktische vraag zou komen. Nee, Finnegans Wake is geen eindeloze woordenpap of een onontwarbare taalkluwen. Laten we dat misverstand voor eens en altijd uit de wereld helpen. Dat is kletspraat, krampachtig volgehouden door niet-lezers.

Maar wat is de Wake dan wel? Is het een alternatieve bijbel met even zovele onsamenhangende en elkaar tegensprekende verhalen? Duizend-en-één parabels, fabels, sprookjes en staaltjes van taalkundige acrobatiek die de historische chaos verbeelden? De zondeval van Adam en Eva herhaald en hertaald en gestoken in een cabaretesk jasje? Genesis als taalvirtuoze circusact? Een familiegeschiedenis van de protestantse pubbaas, stotteraar en «Vikingvader» H.C. Earwicker, zijn vrouw Anna Livia Plurabella en hun drie kinderen, de tweeling Shaun en Shem en dochter Isobel (Issy)? Een totale fusie van alle godsdiensten en talen in Joyce- idiolect? De vertelling van Elckerlyc overal en altijd maar vooral ’s nachts als de beduimelde geest sluimert en woorden, beelden, uren en plekken vervloeien? Dat is het allemaal, en nog veel meer.

Ulysses was de roman van de dag, Finnegans Wake werd het verhaal van duizend-en-één vertellingen over de nacht. Want is de slaap niet de grote democratiseerder en worden niet alle mensen in hun dromen gelijk? Nationaliteiten lossen op, grenzen vervagen, daar wordt hier en toen is nu. Joyce zag in de dag het origineel, in de nacht bekruipen het plagiaat en de herhaling ons. Noem het boek een dromonoloog, «dromo of todos» zoals het heet in het «Engelse» origineel. Finnegans Wake is het boek waarin de laatste zin aansluit op de eerste. Joyce’ romaneske slotakkoord is een literair perpetuum mobile dat knipoogt naar Giovanni Battista Vico (1668-1744) en zijn La Scienza Nuova. Vico is Joyce’ filosofische leermeester die het cyclische in de historie benadrukte. Umberto Eco — die in zijn studie De poëtica van Joyce «James the Punman» tot een hartstochtelijke middeleeuwer bombardeert — ziet niet alleen invloeden van Vico maar ook van de «ketter» Giordano Bruno: «Ook van Vico is het idee dat de gevallen mens, die alle hoop dat de Natuur hem zal helpen heeft laten varen, zich tot een hoger ding wendt voor redding.»

Voor Joyce is dat niet de kerk maar de kunst, niet de ethiek maar de esthetiek. Finnegans Wake sluit aan bij de middeleeuwse geest van crisis, retraite, esthetische haarkloverijen en een voorliefde voor etymologie, de geschiedenis van de woorden. Eco: «Met zijn hang naar compromis koppelt Joyce (Vico’s) streven naar redding aan het idee van Bruno dat God zich binnen de eenheid van de wereld zou bevinden en niet daarbuiten. Met deze elementen schetst Joyce een beeld van de aardse cyclus, met zijn verschillende stadia, een cyclus die de weg ontsluit naar de redding door het aanvaarden van de cirkelgang waaraan deze tot in het oneindige onderhevig zijn.»

Dante schreef een goddelijke komedie, Joyce wilde per se een aardse komedie schrijven.

Nog een keer: waar gáát Finnegans Wake over? Het kan eenvoudiger verteld worden. Er is een naar voyeurisme neigende oerscène in A Portrait of the Artist as a Young Man die terugkeert in Ulysses en in Finnegans Wake. Vlak nadat Stephen Dedalus zich bijna heeft laten verleiden — na een oerkatholieke hel-en-verdoe menis preek — om priester te worden, ziet hij op het strand een meisje en laat hij zich «op afstand» opwinden door haar blik en bleke vlees. Als hij zich omdraait en zijn vlees voelt gloeien, breekt de esthetische extase in hem los. Haar ogen hebben zijn ziel wakker geschud. «To live, to err, to fall, to triumph, to recreate life out of life!»

De advertentiecolporteur Leopold Bloom in Ulysses loert op het strand van Sandymount naar de bevallige Gerty McDowell en voelt de lust naar zijn lendenen kruipen. Hij weet niet dat ze mank is.

En wat schijnt er in Finnegans Wake gebeurd te zijn? Kroegbaas Earwicker heeft achter zijn Dublinse pub in Phoenix Park («Vreeslix Park») een of twee plassende meisjes (onder wie dochter Issy?) gezien en zich daarna geëxhibitioneerd. Hij leek een «lustsluiper» in een Hof van Eden, een zondaar en protestantse buitenstaander die Guinness tapte in een pub vol katholieke volksprofeten die drijven op roddel en achterklap.

Joyce schrijft helemaal niet duister over de vermoedelijke zondige blik van uitbater HCE («Here Comes Everybody»), en de vertalers weten de stoutigheid van Earwicker, van Noorse komaf, in hun Nederlands te handhaven. «Noch hebben zijn lasteraars, die, slechts zeer ten dele van een warmbloedig ras, hem blijkbaar als een grote witte rups opvatten wie geen gruweldaad op de kalender opgetekend tot de oneer van de Juke en de Kellikek families te laag ging, hun eigen zaak enig goed gedaan door te insinueren dat hij, subsidiair, ooit onder de bespottelijke aantijging lag Welse fuseliers te hebben lastiggevallen in het phollixpark. Ooi, ooi, ooi! Oq, oq, oq! Faun en Flora in de beemd beminnen die kleine oude jokkeboq. Eenieder die de christusgelijkheid van de grote propergezinde reus H.K. Ierwicker zijn hele excellentie lange zonderhoninglijke bestaan door heeft gekend en, kennend, gekoesterd, zal de minste toespeling als was hij een lustsluiper die zijn neus steekt in een valstrikbom ongelooflijk ongerijmd in de oren klinken.»

Vanaf dat loermoment in Phoenix Park — waarna nog een «ploert met een pijp» hem vraagt hoe laat het is — voelt Earwicker de stotteraar en «vrijmenselaar» zich in staat van beschuldiging gesteld en lijkt zijn pub vol aanklagers (twaalf!) te zitten die allemaal een jurystem krijgen. Het gonst van de suggestieve parkverhalen in Dublin, terwijl de puberende dochter Issy in verkleinwoordjes spreekt, voortdurend voor de spiegel staat en zich opsplitst in een koor van wel 29 andere meisjes. Anna Livia kijkt dwars door haar man heen.

Ook Shem en Shaun, hun spiegeltweeling, voelen nattigheid. Zijn zij getuige geweest van vaders voyeurisme? In verschillende gedaanten, onder wisselende namen en in verschillende toonaarden zijn ze in gesprek met elkaar, de familie, de wereld en de geschiedenis. (Misschien is de Earwicker-geschiedenis wel de zich eeuwig herhalende historie van de hele mensheid.)

De tweeling, die Joyce aan Giordano Bruno heeft ontleend, is gelijk en tegengesteld. Shaun is de rechtschapen «belettersteller», Shem is de satanisch-creatieve «penman» («Shem was een nepman en een nepman van laag allooi en zijn laagheid kroop het eerst via eetwaren naar buiten.»). Zij symboliseren het conflict tussen de burgerman en de kunstenaar, een conflict dat ook in A Portrait of the Artist as a Young Man en in Ulysses woedt, en in James Joyce zelf.

Tijdens het schrijven en fragmentarisch publiceren van zijn «Work in Progress», dat pas later Finnegans Wake ging heten, werd Joyce fel bekritiseerd: door zijn in- en inkeurige jongere broer Stanislaus, met recht zijn broeders hoeder; door Ezra Pound, door Wyndham Lewis. Zij vonden dat hij zijn talent verspilde en de literaire communicatie te grabbel gooide. Samuel Beckett bleef Joyce trouw en schreef zelfs, in innige samenwerking met de meester, een essay ter verdediging van de Wake. Dat boek gaat niet over iets, zei hij een keer, het is dat iets zelf. Becketts uitleg hielp niet echt.

Joyce probeerde de kritiek te pareren door een fabel tegen Wyndham Lewis te schrijven die later werd verwerkt in het hoofdstuk waarin Shaun «de belettersteller» tegen Shem «de nepman» oreert: «The Ondt and the Gracehoper», «De Kwaaie Zier en de Grâcehoper», oftewel de mier en de krekel. De «Grâcehoper hoste er altijd vlolijk op los» en was een «sulhannes (die) door een jungle van liefde en debet had gerinkeld en geklingeld». De Kwaaie Zier was een «volmaakte gastheer» die de «grootste spass» maakte, maar ook «een lal van een vent». Shaun vereenzelvigt zich met de bezige mier en vindt zijn tweelingbroer Shem zo frivool als een krekel. Toch zit in Shauns pleidooi Joyce’ voorkeur verborgen voor de Grâcehoper, de elegante (levens)kunstenaar die wil groeien. De spiegeltweeling — in veel mythen de bron van alle leven — is water en vuur, Kaïn en Abel, Romulus en Remus, Eteokles en Polyneikes. Shaun de braaf-pauselijke postbode is een saaie en vaderlandslievende huismus en een blinde vink. Shem is net als Stephen Dedalus een ketter, doof voor de burgermanstradities: «You talk to me of nationality, language, religion. I shall try to fly by those nets.» (A Portrait of the Artist as a Young Man).

Zonder het eeuwige gevecht tussen de spiegeltweeling gebeurt er geen donder in de wereld, waarmee ik wil verwijzen naar de Vico-donder die al op de eerste bladzijde van Finnegans Wake losbarst. Die donder kondigt de zondeval aan, en Joyce maakt van dat Donargeluid een grenzeloze onomatopee: «bababadal gha raghtakamminarronnkonnbronntonnerronn tuonndonntrovarrhoenauwnskauwntoohoo hoordenenturnuk!»

De strijd tussen Shem en Shaun brengt leven in de Guinness-brouwerij rond Vico Road en Phoenix Park in Dublin, Ierland, Europa, De Wereld, Het Universum. Shem is een (boom)stam, en de doodse starheid en dodelijke ernst van de mier wordt verbeeld door de steen: een solide maar saai bestaan. De krekel is avontuurlijk, verkwistend en zondig. Hij laat zich meevoeren door de eindeloze stroom van de historie, door duizend-en-één verhalen. De duurzaamheid van de steen kan hem gestolen worden.

Die tegenstelling tussen Shem en Shaun zit ook verborgen in het bestaan van James Joyce zelf: een keurige echtgenoot en huisvader die zich zorgen maakte over het welzijn van zijn schizofrene dochter, maar ook een megalomane woordkunstenaar «juppelend kantwege zijn joyicité». Voor Joyce groeide de kunst uit tot een alternatieve eenmanskerk. Hij leefde zich bijna letterlijk uit in een doodeenzaam esthetisch avontuur dat Finnegans Wake heette.

Zijn laatste boek, verschenen in 1939 — aan de vooravond van het grootste gedonder dat de geschiedenis ooit heeft veroorzaakt — gaat over alle «lustsluipers» in Het Paradijs, de Hof van Eden waar de appelige verrotting begon. Finnegans Wake is taalmuziek en een eeuwigdurende ballade, een weergaloos esthetisch onderzoek naar de sluimerende, slapende, dromende en komende geest die naar alle hoeken van tijd en ruimte uitwaaiert en die het hele alfabet bespeelt. Daar is niks mistigs aan. James Joyce blijft een feniks van de woordkunst.

James Joyce

Finnegans Wake

Nederlands van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1274 blz., € 75,-