Mode

Luxe en weelde

MODE Modepaleizen 1880-1960

Een kijkje in een droomwereld van luxe en weelde’, in een sfeer van ‘grandeur en verleiding’, dat is de belofte van Modepaleizen 1880-1960, een tijdelijke expositie in het Amsterdams Historisch Museum over de opkomst van chique mode- en warenhuizen vol pracht en praal voor de rijke elite. De tentoonstelling schetst een idyllisch beeld van enkele Amsterdamse winkelparadijzen die zich rond de negentiende eeuw vestigden in imposante nieuwe gebouwen. Een samenraapsel van uithangborden, reclamefolders, hoeden, stalenboeken, paskamers en nagemaakte etalages herschept de shopping experience van klanten van onder meer Maison de Bonneterie en Metz & Co. Vitrines met kleding en foto’s van bijvoorbeeld Hirsch & Cie en Gerzon tonen de ontwikkeling van Amsterdamse mode in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Erg spannend is die mode niet. Haute couture werd, voorzover al op de markt in Nederland, gemaakt in ‘gesloten’ modehuizen. Deze veredelde naaiateliers maakten kleding op bestelling voor rijke dames uit Amsterdam en voor wat nu ‘Gooische vrouwen’ heten. Hoewel de couture met de nodige pretentie aan de vrouw werd gebracht, waren de cocktailjurken en corseletten obligate kopieën van de toonaangevende Parijse mode. Catharina Kruysveldt-De Mare maakte bijvoorbeeld een complet naar ontwerp van Dior en een avondjurk à la Balenciaga. Ook Chanel werd – ook toen al! – gretig nagemaakt, getuige een schets voor een mantelpak van Helene Haasbroek.

De mode in de schappen van warenhuizen als De Bijenkorf was niet meer dan luxe confectie, en is ook nu niet meer dan makkelijk verteerbare kost. Een blauwe zijden damesjapon uit 1938/1942 blinkt met haar witte bloemetjesmotief en bijpassende sjaaltje uit in kokette oubolligheid. Gerzons lichtblauwe jongensensemble uit 1940 oogt net zo prehistorisch: het kostuumpje met witte kraag en een zilveren gesp aan het ceintuurtje stamt duidelijk uit een tijdperk waarin kinderen als minivolwassenen werden gekleed.

Storend is dat kleding uit verschillende perioden zonder toelichting naast of door elkaar staat. Daardoor ontbreekt de logica van het samenbrengen van kinderkleding uit 1915 en 1951 (uit de collectie van de Bonneterie), of van japonnen van Gerzon uit de jaren twintig met een ensemble uit 1950.

Modepaleizen 1880-1960 is nog het meest bevredigend wat betreft de geëxposeerde architectuur. Bouwtekeningen, films van vroeg-twintigste-eeuwse straattaferelen en schilderijen van imposante gevels maken duidelijk dat de modepaleizen een fijne bijdrage aan het Amsterdamse stadsbeeld hebben geleverd en tonen en passant hoezeer de opkomst van het nieuwe tijdverdrijf ‘winkelen’ samenhing met economische en technologische ontwikkelingen in de grote steden.

Omdat de tentoonstelling deze socio-technische ontwikkelingen niet expliciet aan de orde stelt, wordt het jubelende verhaal over ronkende welvaart en uitbundige esthetiek, dat als een rode draad door de museumzalen loopt, niet genuanceerd of aangevuld met een gezonde dosis cultuurkritiek. Terwijl het publiek de kans krijgt ‘langs de verschillende modehuizen, betoverende etalages en interieurs te flaneren’ is het tevergeefs wachten op een kritische noot over de keerzijde van de consumptiemaatschappij. In dit opzicht is de tentoonstelling bijna even oppervlakkig als de wereld van mode en window shopping die ze portretteert.

Modepaleizen 1880-1960, Amsterdams Historisch Museum, t/m 26 augustus, www.ahm.nl