Ger Groot

Luzac

Boekwetenschap heeft niet een bijzonder cool imago en de meeste bijdragen in het zojuist verschenen jaarboek van de Nederlandse tak daarvan wekken niet de indruk daaraan veel te willen veranderen. Aan intellectuele avontuurlijkheid ontbreekt het nogal in de analyses van boekveilingen, kloosterbibliotheken en uit geverssores waaronder de meeste pagina’s in dit elfde Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis (Vantilt) uitnodigen tot snel doorbladeren. Het is nuttig en ongetwijfeld zeer verantwoord inventarisatiewerk dat aan het vertellen van een geschiedverhaal maar niet wil toe komen en daarmee het half-affe houdt van een avondschotel met de meeste ingrediënten nog op het aanrecht.

Op de valreep maakt de laatste bijdrage vóór de recensiepagina’s toch nog wat goed. Onder de hand van Rietje van Vliet krijgt het leven van de roemruchte achttiende-eeuwse uitgever Elie Luzac de opwindende trekken die voor een journaliste met promotieplannen als zij gefundenes Fressen moeten zijn. Luzac belichaamde wat voor een wetenschappelijk auteur nog altijd een droom moet zijn. Hij was denker mét de denkers en gaf daar in een stroom van pamfletten ook blijk van. Dat werd hem door de overheden niet steeds in dank afgenomen. Voor de publicatie van Lamettries schandaalverwekkende boek L’homme machine werd hem de zware boete van tweeduizend gulden opgelegd.

Daar bleef het niet bij. De universiteit van Leiden weigerde Luzac nog langer in te schrijven. En ook al toonde ze zich bijna tien jaar later, toen Luzac als jurist wilde promoveren, inschikkelijker, de Nederlandse faam van druk- en meningsvrijheid blijkt haar beperkingen te hebben gekend. Verboden en verbrand werden boeken ook hier — niet zelden, zo blijkt uit een andere bijdrage in dit jaarboek, op verzoek van buitenlandse mogendheden (eerst vooral Engeland, later Frankrijk) waarmee de Republiek geen strubbelingen wenste.

Lamettrie moest het land vanwege zijn goddeloos materialistische visie op de mens zelfs ontvluchten, naar Pruisen: een opmerkelijke brandhaard van verlichting in die tijd, ook al maakte de gewraakte arts-filosoof en voormalige leerling van Boerhaave het niet lang. Hij stierf na het eten van een bedorven pastei, die hem — volgens Voltaire, nooit te beroerd om zijn vijanden verdacht te maken — met opzet als vergiftigd geschenk was toegestuurd.

Luzac deelde Lamettries radicalisme vermoedelijk niet, maar was karaktervol genoeg om hem niet alleen bij zijn vlucht te helpen maar ook ander werk van hem te blijven uit geven. Dat hij zich in een persoonlijk pamflet tegelijk tegen diens opvattingen verzette, maakte hem tot de wetenschappelijke gesprekspartner die hij, naast een integer uitgever, ook was. Zijn filosofisch gemoed helde eerder naar de behoudzuchtige zijde over. Van Rousseaus Du contrat social moest hij niets hebben en ook dat stak hij in een pamflet niet onder stoelen of banken.

Maar de waarheid eiste haar tol, ook al stond die op gespannen voet met de open baring en dus met de maatschappelijke zekerheid. De geleerden in wier kring Luzac als uitgever faam maakte, waren over de orde van de natuur al eerder tot opzienbarende conclusies gekomen. Een poliep die in kleine stukjes gesneden was bleek moeiteloos te kunnen uitgroeien tot even zovele nieuwe poliepen, en sommige wormen en maden leken spontaan uit levenloze materie te kunnen ontstaan.

Dat strookte noch met de bijbel noch met de orthodoxie, maar generatio spontanea bleef jarenlang een wetenschappelijke obsessie die ook in Luzacs fonds tot uitdrukking kwam. Nadelen ondervond hij daar kennelijk niet van en achteraf bleken de vroede vaderen met hun terughoudendheid de verstandigsten. Wetenschappelijk bleek de generatio spontanea niet houdbaar, al werd het definitieve bewijs daarvoor pas door Pasteur geleverd. Voor één keer had de bijbel het tegenover de wetenschap bij het rechte eind gehad — al was het dan om kromme redenen.

Luzac, wiens naam inmiddels verbonden is aan een school met slaag-garantie voor hopeloze scholieren, was een uitzondering onder de Nederlandse uitgevers en boekverkopers, schrijft Van Vliet. Hij zag zichzelf liever als geleerde dan als handelsman, al weerhield hem dat niet van de nodige uitgeverspragmatiek. Had hij Lamettrie niet gepubliceerd, dan had een ander dat wel gedaan, zo hield hij zijn aanklagers voor. Die waren daar niet van onder de indruk, maar menige uitgever knikt nog altijd in stilte. De schoorsteen moet tenslotte roken.