E.L. Doctorow, City of God

Lyriek van de twijfel

In De Groene van 23 februari bewierookt Marnix Verplancke de politieke ambities van Tom Lanoye. Ten onrechte, vindt Graa Boomsma. Morele waakzaamheid en literaire twijfel moeten hand in hand gaan, zoals in ‘City of God’ van E.L. Doctorow.

E.L. Doctorow, City of God. Uitg. Random House, 272 blz., ƒ49,90


LYRIEK IS DE moeder van de politiek, en een schrijver die denkt dat het andersom is omdat hij zich als ‘actualiteit-freak’ (Botho Strauss) laat verleiden door de waan van de dag en al marchanderend aan een mars door de instituten (gemeenteraad, parlement) begint, tekent zijn literaire doodvonnis.


In 1952, midden in de Koude Oorlog, schreef Lucebert zijn provocerende poëziebundel Apocrief en formuleerde zijn ‘School der poëzie’. De toon was strijdbaar, de taal compromisloos: ‘lyriek is de moeder der politiek,/ ik ben niets dan omroeper van oproer/ en mijn mystiek is het bedorven voer/ van leugen waarmee de deugd zich uitziekt’.


Schrijvers als omroepers van oproer, onruststokers, provocateurs en ontmaskeraars van corruptie in taal en denken; ze zijn er wel degelijk, in Nederland en Vlaanderen en Amerika en elders. Maar de lezers die de literatuur louter zien als een soort lik-op-stukbeleid en als heet-van-de-naaldcommentaar op actuele thema’s als Haider, Dutroux, Balkan, Tsjetsjenië, etnische schoonmaakwoede, milieuvervuiling, radioactiviteit, Vlaams ‘salonfähig’ racisme of een verzonnen Hollands multicultureel drama, vergeten dat de literatuur langzamer is dan de politieke journalistiek en dat reflectie en verbeelding vaak haaks staan op het opportunisme, de compromissencultuur en de principeloosheid van politici, die de taal vervuilen met hun dievenjargon en korte-termijnbedenksels, met hun naardemondpraterij van potentiële stemmers.


De huidige premier van België, Guy Verhofstadt, zei een paar jaar geleden, toen hij nog in de oppositie zat, in een Knack-dubbelinterview met hem en Tom Lanoye, die popelt om zich via het ‘groenlinkse’ Agalev-lijstduwerschap in Antwerpen in de politiek te storten: ‘De impact van de schrijver is groot en hij kan de politiek veel bijbrengen. Hij kan — nee, hij moet — zich engageren wanneer essentiële waarden of onvervreemdbare beginselen op het spel staan.’


Als een politicus, die ervoor waarschuwt dat de politiek ‘de persoonlijkheid verminkt’, de schrijver op een sokkel plaatst, is wantrouwen op zijn plaats. Want de uitnodiging aan de schrijver om de politieke arena te betreden is tegelijkertijd een stilzwijgende wenk het domein van de literatuur te verlaten. In De Groene van 23 februari kenschetst Marnix Verplancke Nederland als een doodsaai, grijsdenkend, zelfgenoegzaam land dat zijn poldermodelzaakjes dik in orde heeft en de ideologische loopgraven allang verlaten heeft. Nee, dan België, dat is je reinste ‘horrorshow’, een ‘land van extremen’ en van vriendjespolitiek en cliëntelisme. Dat opgefokte België-beeld lijkt mij meer ingegeven door het verlangen naar jongetjesavonturen of ordinaire spanning en sensatie dan door oprechte verontrusting. Verplancke bewierookt Lanoyes politieke ambities. We hebben hier niet te maken met engagement van de literatuur, dixit Verplancke, maar met de politieke betrokkenheid van een beroemde Vlaming. ‘De man achter de boeken is in Vlaanderen veel belangrijker geworden dan die boeken zelf. Lanoye is immers niet alleen een schrijver. Hij is geeft ook conferences met performance-allures en roert zijn mond over zowat alles wat er in het land misgaat.’


Ziedaar het verdwijnen van de literatuur (de verontrustende roman, het provocerende gedicht, het opruiende essay, de ongemakkelijke toneeldialoog) ten gunste van de mannetjesmakerij. Het is de ziekte van het simpele autobiografisme dat het literaire ondermijnt; het is de bewondering voor de vent die de vorm en de verbeelding ten grave draagt. En de schrijver zet geen pen meer op papier maar verdwaalt hopeloos in de politiek, waar het allang niet meer gaat om het onderzoeken van meningen, blikrichtingen, perspectieven, kijk- en denkgedrag, om helderheid en zuiverheid in taal. Maar al te vaak overheerst in de politiek de windhandel in meningen en draait alles om de verkoopbaarheid van het eigen standpunt, dat wordt verwoord in een sjoemelende taal die pijn aan de oren doet.


Het is een misverstand te denken dat schrijvers het niveau van politiek bedrijven kunnen verhogen met hun virtuoze taalgebruik en kraakhelder inzicht in maatschappelijke machtsverhoudingen. Handke, Sartre (‘de ongekroonde koning van het engagement’ durft Verplancke hem te noemen, terwijl hij allang is onttroond), Llosa, Neruda, Konrad, om van de megalomane Franse filosofen maar te zwijgen; het houdt niet over.


Hugo Claus heeft gelijk. Tom Lanoye moet zich niet laten verleiden door de politiek: ‘Hij begaat de fout van zijn leven.’ Laat hij ín zijn romans gestalte geven aan zijn, ongetwijfeld oprechte, verontrusting over het democratische gehalte van België. Laat hij verhalen blijven vertellen, op het scherp van de snede, en via zijn literaire verbeelding de Belgische werkelijkheid tarten.



OP DIT KRUISPUNT tussen politiek en literatuur aangekomen, moet ik een akelig sprookje vertellen. Noem het een late bekentenis. Er was eens, zo’n twintig jaar geleden, een jongeman met literaire aspiraties die niet met zijn vingers van de politiek kon afblijven. Hij schoolde zich in geharnast ideologisch denken, schreef bevlogen pamfletten, deelde die uit aan de fabriekspoort (zijn vader was ook fabrieksarbeider) en bracht het tot lijsttrekker van een linkse partij in een Amsterdamse randgemeente. Zijn partij vergaarde bijna twintig procent van de stemmen, een eclatant succes. Zijn partij claimde en kreeg een wethouderszetel. Verdomd, hij zat in het epicentrum van de macht! Maar de taal die de gekozen lijsttrekker in de raadszaal sprak, stond haaks op die van de door nota’s en ambtelijke notities vergiftigde gemeentepolitici en langzaam zakte hij weg in drijfzand gevormd door een woordenbrij die rechtstreeks uit de toren van Babel kwam stromen. Hij wist niet meer wat hij zei, waar hij stond, wie hij was, wat hem bewoog, waar het compromis ophield en de windhandel begon. En gillend verliet hij de raadszaal.



WAT TE DOEN? Ik bedoel: wat te doen ín de literatuur? Misschien is er bij de geëngageerde meesterverteller E.L. Doctorow wat mosterd te halen.


Tom Lanoye verliest zich, koketterend met de Antwerpse politiek, al bijna in het ‘gangsterdom van de geest’ dat blijkbaar bezit heeft genomen van België. Doctorow heeft zich eens in een toespraak tot studenten aan de Brandeis University over de Amerikaanse variant van dat gangsterdom uitgelaten. Hij beklaagde zich in elegante, voorzichtige formuleringen over het geestelijk klimaat van de VS, het conservatisme van Reagan en Bush. ‘Ik weet wel dat het van slechte manieren getuigt het erover te hebben. Het is irritant als iemand het heeft over het verlorengaan van samenhang in de maatschappij, het verlorengaan van morele waakzaamheid.’ Waarna hij een verband legde tussen de ‘nationale regressie’ van de jaren tachtig en ‘het rovers- en machtsdenken van de negentiende eeuw’, een associatie die hij literair uitwerkte in Billy Bathgate (1989) en The Waterworks (1994). In de recent verschenen roman City of God laat hij een New Yorkse schrijver al materiaal verzamelend terugkijken op de ideologische en koloniale moordzucht (Stalin, Hitler, koning Leopold en Pol Pot zijn hier de boegbeelden van het kwaad) die de twintigste eeuw teisterde. Dat gangsterdom van de geest intrigeert Doctorow al vanaf The Book of Daniël (1971, over de atoombomspionage van de Rosenbergs) en Ragtime (1975, over de prille twintigste eeuw die voor galg en rad opgroeit en waarin Doctorow Harry Houdini, Emma Goldman, Sigmund Freud en Carl Jung als vertegenwoordigers van de ontsnappingskunst, het anarchisme en het verraderlijke onbewuste laat paraderen).


Morele waakzaamheid — Doctorow neemt die twee woorden zonder ironie in de mond. Maar hoe kun je die waakzaamheid in een verhaal gestalte geven? Voor Doctorows romans geldt wat Milan Kundera in zijn essaybundel Verraden testamenten zo omschrijft: ‘Het opschorten van het morele oordeel is geen immoraliteit van de roman, het is zijn moraal. De moraal die zich verzet tegen de onuitroeibare menselijke gewoonte om onmiddellijk en zonder ophouden te oordelen, over iedereen, om te oordelen voor men begrijpt, en zonder te begrijpen.’


De titel Ragtime is veelzeggend. In bijna al zijn romans maakt Doctorow gebruik van filmische montagetechnieken en jazzimprovisaties. Het razendsnelle en ritmische Ragtime vermengt opzettelijk fictie en feit (historische figuren die een verzonnen verhaal binnen banjeren) omdat Doctorow geen onderscheid wil zien tussen realiteit en verzinsel. Voor hem is dat een vals onderscheid. In Jack London, Hemingway, and the Constitution: Selected Essays 1977-1992 (1993) legt hij, in ‘False Documents’, uit dat het allereerst om verhalen vertellen gaat, om de ‘vooruitgang van metaforen’, om het formuleren van een collectieve verbeelding. Een van de vleesgeworden metaforen in Ragtime is Houdini, alias de politiek onbewuste jood Erich Weiss die er als moederskindje en ontsnappingskunstenaar naar snakt een zichtbare rol in de geschiedenis te spelen. Doctorow heeft een voorliefde voor mensen in de marge, personages in de kantlijn van de gewelddadige geschiedenis, ontsnappingskunstenaars die aan de dood ontkomen (in The Waterworks) of een stempel op de politiek drukken. Het beeld van Ahasverus, dat wil zeggen de wandelende jood, is in de stadsroman City of God een christelijk kruis geworden dat via een wonderlijke omweg op het dak van een New Yorkse synagoge terechtkomt. Doctorow vertelt vele verhalen naast en door elkaar. Het zijn nadrukkelijk onaffe verhalen en de lezer mag die met elkaar verknopen tot een samenhangende vertelling over de toestand in de wereld anno 1999, de validiteit van christendom en jodendom na de holocaust, het probleem van een autoritaire God, de botsing tussen ratio en geloof, het raadsel van de oerknal en de uitdijende kosmos en de zin van de menselijke existentie. City of God gaat daar allemaal over, maar in stukken en brokken.



IS HET WERKELIJK onmogelijk om het tastbare weefsel van het levendige bestaan in woorden te vatten? Het is zelfs Joyce in zijn stadsroman Ulysses niet gelukt, verzucht iemand in City of God. Die ‘iemand’ is de schrijver/verteller Everett, strandjutter en marskramer op Manhattan, die her en der in de stad materiaal verzamelt voor een roman die hij hoopt te schrijven. Zijn materiaal ís City of God. Het bestaat uit prikkelende overpeinzingen over begin en einde van het universum en de plaats van God daarin; uit citaten en analysen van klassieke jazzy songs over liefde, verlies, lust en dood; fragmenten over het vogelleven op Manhattan en over de Amerikaanse filmgeschiedenis (vroeger, in de tijd van de stomme film, herkende men het eigen leven nog op het witte doek en leefde men mee; nu is het omgekeerd en staat het filmleven model voor hoe het leven eigenlijk geleefd zou moeten worden); genummerde kanttekeningen bij leven en werk van Ludwig Wittgenstein, die als scholier twee klassen hoger zat dan Adolf Hitler; het verhaal over de jacht op en de vangst van Adolf Eichmann; lyrische uittreksels uit de biografie van schrijver Everett, segmentjes uit het leven van zijn vader in de loopgraven van Vlaanderen en Frankrijk (Eerste Wereldoorlog), van zijn broer die meedoet met de Amerikaanse luchtbombardementen (Tweede Wereldoorlog) en van een gewonde Vietnam-veteraan.


Maar het aangrijpendste relaas, dat in horten en stoten wordt verteld en steunt op een authentieke tekst van Abraham Tory, gaat over een joods jongetje in het Litouwse getto Kovno. Hij, boodschappenjongen van de ‘joodse raad’, is de grote ontsnappingskunstenaar in City of God, hij vormt het hart van Doctorows boek en raakt aan de plot.


Het jongetje is de vader van rabbi Sarah Blumenthal, op wie rector Thomas Pemberton verliefd wordt en met wie hij ten slotte trouwt. Hij, een twijfelende ongelovige gelovige die steeds meer naar het jodendom neigt, leidt een christelijk kerkje waaruit een groot kruis wordt gestolen dat op het dak van haar synagoge terechtkomt. Samen gaan ze op zoek naar dagboeken en documenten die het dagelijks leven in het getto en de nazi-misdaden hebben vastgelegd, teksten die de boodschappenjongen uit het getto heeft weten te smokkelen.


De boodschap van de thora, aldus een rabbi die eens uitgedaagd werd op één been te gaan staan en zo de hele thora uit te leggen, kan worden teruggebracht tot de opmerking: doe anderen niet aan wat je jezelf niet wilt aandoen — de rest is verhalend illustratiemateriaal. Het kruis, staat ergens in City of God, ‘is de samenleving die jou toestemming geeft je zorg over een medemens uit te breiden’. De knagende twijfel aan het christelijk geloof en een autoritaire, wrekende God verwoordt Pemberton in een van zijn laatste preken voor eigen parochie, in de vorm van een ogenschijnlijk bescheiden vraag: welke invloed heeft de holocaust op het christendom gehad?


Met die vraag begint zijn geloof af te brokkelen. Moet God als concept niet afgeschaft worden? Is God een verhaal of is Hij ons verhaal over Hem? Augustinus heeft een paar eeuwen na de dood van Jezus in zijn vierentwintig boeken getiteld De civitate Dei (‘De staat Gods’) onder andere Genesis herschreven tot het verhaal over de zondeval. Hij drukte zijn stempel op het middeleeuwse christendom, beïnvloedde Calvijn, Luther en de rooms-katholieke kerk. De God die hij schiep, was een God die in de praktische politiek van het christelijk geloof een ‘license to kill’ (City of God) kreeg. De menselijke neiging tot excommunicatie, sataniseren, zondebokkenverhalen en etnische schoonmaak is ‘een religieuze impuls’. Dat is een niet geringe beschuldiging, en tegelijkertijd een fundamentele kritiek op elke vorm van absolutistisch denken.


De zoektocht die het weifelende en twijfelende schrijverspersonage in City of God onderneemt is die naar een nieuw soort geloof in het bestaan, in de mens, in een humane existentie. De stad die Doctorow voor zich ziet is een metropool die een ‘intellectuele democratie’ huisvest. De traditie tekent de mens, niet God. Hij lijkt een vermenging van judaïsme en christendom te propageren, een geloof zonder Christus. Het huis van de fictie is voor Doctorow een levendige en open stad. ‘Fictie gaat overal naartoe, naarbinnen, naarbuiten, ze stopt, ze gaat voort, haar handelingen kunnen geestelijk zijn. Ze wordt ook niet door de tijd voortgestuwd. Film wel, die herkauwt nooit, die laat de buitenkant van het bestaan zien, die toont gedrag. Die neigt naar de eenvoudigste morele redenering. Films uit Hollywood zijn lineair. De narratieve versimpeling van een ingewikkelde werkelijkheid met morele gevolgen is altijd de drijfveer van een film die op een boek is geïnspireerd. Romans kunnen alles uithalen in de duistere verschrikkingen van het bewustzijn. Films doen close-ups, autofiles, plekken, achtervolgingen en explosies.’



RABBI SARAH Blumenthal, echtgenote van ex-christen en aanstaande jood Thomas Pemberton, breekt voor een publiek van godsdienstbestudeerders in Washington een lans voor theologische onzekerheid. Voor haar blijkt aan het einde van de twintigste eeuw, de eeuw van het verloren paradijs, de grootste beschavingsstimulans te zijn uitgegaan van het menselijke vermogen te twijfelen. Die oprechte twijfelaars hebben niets te maken met de Ware Gelovigen van welk pluimage ook. Morele waakzaamheid en twijfel gaan hand in hand.


Joyce Carol Oates noemde in The New York Review of Books (9 maart 2000) het slot van Doctorows roman ‘enigszins visionair’, vanwege de ‘fusie’ tussen christendom en het jodendom (het christendom was in het prille begin immers een joodse sekte!). Ze legt een verband met het voorwoord van zijn essaybundel Jack London, Hemingway, and the Constitution: na de ‘sociale en culturele pathologie’ van de laatste halve eeuw van Koude Oorlog komt men eindelijk tot het besef dat die tijd voorbij is en dat ‘er een ander, nog te omschrijven tijdperk is aangebroken’.


City of God is een hommage aan de literaire lyriek van de twijfel en een pleidooi voor een schrijverschap dat zich met bewust afstandelijke bewogenheid rekenschap geeft van ‘morele waakzaamheid’.


Wie de pertinente toon van de politiek omarmt en als partijganger een Ware Gelovige wordt, raakt de lyriek van de twijfel kwijt, een lyriek die in de verste verte niet vrijblijvend is maar die onverwachte inzichten kan bieden. Ja, ook voor politici die van geharnast denken houden en zo slecht kunnen luisteren en lezen.