21 LIEFDESGEDICHTEN

Lyrisch gekutkam

MARK INSINGEL
IETS – 21 LIEFDESGEDICHTEN
Poëziecentrum Gent, 30 blz., € 17,50

Ik hou van dichtbundels uit één stuk, geschakeerd rond één thema, gecomponeerd en in balans of liever nog in hun monomanie doorschietend en zichzelf tegensprekend, waarbij bepaalde gedichten als Birmese monniken de voorgenomen heilsgedachte van de dichter, dictator over zijn eigen taal, ondergraven, waarmee bundel en dichter zichzelf zoals je dat dan noemt ‘op het spel zetten’.

Een van de beste dichtbundels die ik in de afgelopen jaren las was Liedjes van Nachoem M. Wijnberg. Om regels als deze:

Nu hoor je pas

wat het liedje was

waarmee ik bezig was

als ik mij herinner welk liedje het was.

Als je Wijnbergs bundel als een parkeergarage beschouwt, dan denk je bij het binnenrijden van de betonnen kolos dat het een liedje is, op niveau 1 denk je dat het een pastiche is op een lied als Losing My Religion van R.E.M. (‘life is bigger/ it’s bigger than you/ and you are not me’), omdat het regels zijn die zichzelf bespottelijk maken, van de standvastigheid van het ‘nu hoor je pas’ naar de verstrooide vertwijfeling aan het eind, en al turelurend besef je op het bovendek dat ons leven bestaat uit liedjes, die klinken uit wekkerradio’s, transistorradio’s, autoradio’s en vaak gewoon ook in ons hoofd. En die lege melodieën moeten ons weerhouden van werkelijk nadenken, als Birmese monniken die onophoudelijk naar de herhaling van het staatsjournaal moeten kijken. Los van dergelijke voortschrijdende inzichten die je overigens geen steek verder helpen, geniet je ook van de zanger Wijnberg: ‘Het gaat niet zoals ik wil:/ ik moet in een rij staan/ en als ik aan het begin ben/ is de rij er niet meer’.

De Vlaamse dichter Mark Insingel levert met Iets – 21 liefdesgedichten een net zo implosieve bundel af als Wijnberg.

Er past mij niets

van wat ik vind.

Ik vind alleen

wat mij niet past.

Ik wil niet vinden

wat mij past.

Mij past alleen

dat ik niet vind.

Insingel bewijst maar weer eens waarom poëzie zo mooi kan zijn: 29 woorden naast en onder elkaar geplaatst vertellen een avontuur waar je avonden lang over na kunt denken, veel langer en werkelijker dan de gemiddelde neodeterministische roman waarin, pak ’m beet, een dochter van hippieouders zich heeft opgewerkt tot topadvocaat, terugkijkt op haar jeugd, haar blackberry stuk werpt op de muur en in een Pipo de Clown-woonwagen de wereld over gaat trekken. De kwaliteit van het bovenstaande gedicht toont zich vooral als je als lezer tracht de regels samen te vatten. Probeert het maar eens.

Wat ik vind past me niet en dat zint me niet, ik wil vinden wat me wel past maar dat vind ik niet. Misschien is dat een adequate weergave, maar aan de andere kant is dat ook weer precies wat er al staat. Het is in al haar ware romantiek ook een pastiche op die romantiek, zoals de dwangbuislalala van Wijnberg ook het fenomeen liedjes van zijn eigen voetstuk af ramt.

In de overige gedichten in de bundel gebeurt eigenlijk steeds precies hetzelfde als in boven vermelde groeibriljant.

Jij bent mijn voorwerp.

Wie ben ik zonder?

Ik ben toch de man met zijn voorwerp?

Ook ik ben het voorwerp.

Een man kan niet zonder.

Ik ben toch jouw voorwerp?

Ik ben toch jouw man?

Ik ben voorwerp van trots.

Ik ben trots op mijn voorwerp.

Hier slaat bij mij metaalmoeheid toe, als een televisiekijker die op dag 3 wegzapt van opnieuw een bend van protesterende Birmese monniken. De dichter omschrijft zichzelf en zijn klaarblijkelijke muze als grammaticale ‘voorwerpen’ en doet feitelijk verslag van wat hij ervoer toen hij beide hoofdpersonen op een wit vel papier een second life gunde. En dan gaat het onherroepelijk zemelen. Clichés worden uitvergroot, de dichter maakt zichzelf en zijn genre potsierlijk. ‘Jij dacht: het is voor mij,/ wat is het mooi voor mij,/ wat is het mooi.// Wat is het mooi/ dat het zo mooi is/ en voor mij.// Wat ben jij mooi, zei jij,/ wat ben jij mooi voor mij,/ wat ben jij mooi’.

Het wordt dan nog een hele kluif om de bundel met droge ogen uit te krijgen. Na een ‘Jij bent mijn wil,/ ik wil omdat jij wil’, een ‘Als jij op mij gelijkt/ dan geef ik jou gelijk,/ dan geef jij mij gelijk/ want je gelijkt’ en een ‘Dat ik jou mis doet mij/ verlangen naar dat/ jij er niet zou zijn’, heb je het eigenlijk wel gehad met de dichter Insingel, met de spitsvondigheden in de bundel en met liefdesgedichten in het algemeen.

Natuurlijk is dat de bedoeling. De bundel Iets, opvolger van het twee jaar geleden verschenen Niets, is een aanklacht tegen het genre waar ze deel van uit lijkt te maken. Door lyrisch gekutkam wordt de lyriek een fopneus opgezet. Insingel wil ons er niet van overtuigen dat over de liefde het laatste woord al lang geleden geschreven is. Hij is geen moralist. Maar hij laat de liefdesgedichten elkaar opeten. Uit het ‘wat is het mooi’ en het ‘wat ben jij mooi’ spreekt een op den duur onverstaanbaar mooimooimooimooimooimooi, een tetteren, een monamourkakofonie. En als je het zo beschouwt kan Iets een geslaagde bundel genoemd worden.