Holland Festival - Muziektheater Melancholia

Lyrisch lijden

Durfden we het innerlijk lijden maar wat meer toe te laten. Dan was het net zo mooi als in de Renaissance. Dat verzucht alles in het muziektheater Melancholia.

Medium melancholia sofia pavone junges theater basel  c2 a9 sandra then

Melancholie, lijden daar nog mensen aan? Depressies, burn-outs, bipolaire stoornissen – ja, daar heeft de helft van de bevolking last van. We slikken er medicijnen tegen of gaan ervoor op mindfulness-cursus. Pathologische aandoeningen zijn het, die ons functioneren belemmeren en uit de weg geruimd moeten worden. Maar de pure melancholie, die zwartgallige zwaarmoedigheid, heeft door de eeuwen heen ook altijd een artistiek aura gehad. Of ze zich nu manifesteerde als Weltschmerz, spleen, saudade of mal du siècle, de melancholie was ook een creatieve gemoedstoestand. Aristoteles ging zelfs zo ver dat hij stelde dat alle genieën melancholici waren, vatbaar voor de ‘goddelijke waanzin’.

Het muziektheaterproject Melancholia daalt af naar grafkelders van de vroege Barok en late Renaissance om daar de bloemen van het innerlijk lijden te plukken, en die te confronteren met onze laat-moderne samenleving van smartphones, sportscholen, schermen en selfies. Scherpe contrasten, daar is het regisseur Sebastian Nübling en choreograaf Ives Thuwis duidelijk om te doen. Dat begint al in het openingsbeeld. Rond het klavecimbel, waar Andrea Marcon straks plaats zal nemen met de zestien musici van barokorkest La Cetra, staan lessenaars met iPads klaar. Zo’n detail zou een regelrechte vloek zijn bij elk regulier concert van het Zwitserse La Cetra of van Marcons eigen gezelschap, het Venice Baroque Orchestra, waar alles juist draait om een authentieke reconstructie op authentieke instrumenten, als de viola da gamba en de luit.

Bij dit soort experimenten houd je altijd even je hart vast. Blijft de muziek wel overeind? Zeker als in de eerste minuut het hele podium al vol staat met de twintig jonge dansers en danseressen van het Junges Theater Basel: wild, chaotisch, hyperactief, sommigen in gothic- of emo-mode – blauw haar, zwarte jurken – anderen in sportkleding of spijkerbroek, iedereen ritmisch en manisch opgaand in z’n eigen geïsoleerde wereld. Kortom, een lichtelijk sleetse representatie van de jeugd van tegenwoordig, versplinterd in subculturen en stelselmatig in diepe verwarring.

Eén iets oudere man, in pak gestoken, ziet het allemaal wat peinzend aan, en vertolkt zo een beetje het hoofdschuddende gevoel dat je als publiek kunt hebben. Totdat hij zijn mond opendoet. Het is countertenor Tim Mead – een van de zes gastsolisten in deze voorstelling – en hij zingt hartverscheurend prachtig.

De muziek laat zich niet, zoals aanvankelijk nog was te vrezen, in een louter begeleidende positie drukken, ze doet mee met de dansvoorstelling. Zelfs de musici hebben zich aan de choreografie onderworpen, de twee luitspelers lopen vrij rond met hun lange instrumenten, en ook de strijkinstrumenten en de fluitspelers blijven niet op hun plek. En tegelijk krijgt de muziek de volle ruimte en aandacht. Gaandeweg de avond krijg je zelfs het gevoel dat de enscenering en de dans op de tweede plaats staan en de muziek de basis is waaruit de voorstelling is gemaakt.

Het zwartgallige lijkt zich telkens op eigen kracht weer te willen manifesteren in de cultuur

Ook met je ogen dicht zou je al een prima avond hebben. De kracht van Marcons uitvoeringen zit ’m altijd in zijn spannende dynamiek. Luister naar zijn Venice Baroque Orchestra en je hoort hoe Vivaldi ook kan klinken: ontdaan van het repetitief-ornamentele dat je meestal hoort, is hij ineens vurig, stormachtig en geheimzinnig zoals de muziek uit Venetië moet zijn. En dat op die oude zeventiende-eeuwse instrumenten. Diezelfde intensiteit heeft dit melancholisch repertoire, van Monteverdi’s Lamento della Ninfa door de Australische sopraan Bryony Dwyer, tot Tim Meads uitvoering van de aria Einsamkeit, du Qual der Herzen, een aria van Johann Krieger.

Wat het danspodium hieraan toevoegt zou je kunnen lezen als een impliciete kritiek op de tijdgeest. Waar het lijden, het rouwen en de melancholie voor de Renaissancemens kennelijk nog krachten waren die hem tot zulke lyrische toppen brachten, gaat de jonge smartphonebezitter van nu dat lijden liever uit de weg. We zien ze als een bezetene hun work-outs verrichten op sporttoestellen. We zien ze lethargisch wegkwijnen. We zien ze op hun telefoontjes turen. We zien ze chocoladerepen wegkauwen. We zien ze feesten in orgastische extase. We zien ze vastlopen in slow-motionbeweging. En het lijken allemaal strategieën te zijn om de onplezierige kanten van het bestaan uit de weg te gaan, om ze niet te ervaren en te doorvoelen zoals de melancholici van de Renaissance dat deden.

Zelfs als ze door die zangers gegrepen zijn, is dat maar tijdelijk: je ziet ze letterlijk nu eens massaal achter de ene, dan weer achter de andere toevallige ster aan lopen. En ook hun bewondering heeft iets kunstmatigs. Heel fraai wordt dat verbeeld op het moment dat een jongen zijn handycam op een statief zet en een optreden van het barokorkest filmt, met zijn handen gespreid en zijn mond open van extase. Gedurende het hele stuk houdt hij die houding vast, die daardoor steeds duidelijker een lachwekkende pose blijkt. Ook bewonderen is een vorm van je afsluiten. En de camera is als een draagbaar schild permanent tussen ons en de wereld in komen staan.

het mobieltje als symbool voor de tijdgeest: dat is natuurlijk gevaarlijk omdat het nauwelijks nog anders dan als een gemeenplaats is te zien en ook Melancholia ontsnapt daar niet altijd aan. Bijvoorbeeld als de dansers ieder met het eigen mobieltje één zangeres achtervolgen en filmen, als zo’n grote zwerm amateur-paparazzi, en na afloop plots weglopen, zich bij het publiek in de zaal mengen waar ze allemaal verveeld de aria gaan terugkijken op hun eigen apparaten, waarin het oorspronkelijke stuk dus versplinterd raakt tot een grote kakofonie. Allemaal net iets te expliciet, net iets te voor de hand liggend.

Waar het concept van onze huidige schermen dan weer wel perfect verbeeld is, is in de achterwand. Aanvankelijk is dit een groot projectiescherm. Dan zie je er, in hetzelfde plasma-achtige licht, de groep dansers bezig, en die blijken daar ineens wel degelijk echt, real time, te staan, waarna je bij iedere volgende keer nog eens extra goed kijkt: is dit nu echt of gefilmd? Wat is werkelijkheid, wat onwerkelijkheid en doet dat er nog echt toe in een wereld van schermen?

‘Als u er niet in slaagt uw lijden te articuleren in een duidelijke structuur, dan bent u de lul’

Daar hielden ze zich in de Renaissance ook al mee bezig. Neem de man die de melancholie destijds zo populair maakte, de Florentijn Marsilio Ficino, in de vijftiende eeuw. Als neoplatonist zag hij de kunst als een afbeelding van een afbeelding, maar volgens hem was het wel degelijk mogelijk om door te dringen tot de goddelijke ideeënwereld, en de melancholie was het uitgelezen temperament daartoe. Zowel het individu als de samenleving kon profiteren van die creatieve vruchten van de zwartgalligheid, als een collectieve troost. Onder invloed van de geschriften van Ficino werd de melancholie een ware rage in aristocratische kringen door heel Europa, zoals je dat later ook in de Romantiek zag, en nog weer later in het fin de siècle, bij de poètes maudits, bij bepaalde popartiesten… Wat dat betreft lijkt het zwartgallige, net als het klassieke, zich telkens op eigen kracht weer te willen manifesteren in de cultuur.

Wat deze voorstelling zich lijkt af te vragen is of daar in onze huidige cultuur wel ruimte voor is, en het antwoord lijkt negatief. De premisse lijkt iets te zijn als: we zijn niet langer bereid of in staat om ons bloot te stellen aan ervaringen die niet prettig zijn, met leegte, kilte en neurosen als gevolg. Geen prettig vooruitzicht, ook niet in het licht van de dood, waar die vroegere melancholici altijd één oog op gericht hielden, maar die nu vooral de leegte en de oppervlakkigheid extra benadrukt.

‘Méditation sur ma morte future’ is de tekst die permanent onder het klavecimbel staat geprojecteerd. Het is de titel van een mooi, intiem klavierwerk van de zeventiende-eeuwse Duitser Johann Froberger en doordat die tekst permanent op het toneel is wordt dit vanzelf ook het equivalent van een vanitas-schilderij.

Tegen het einde vult een meisje, alleen achtergebleven, dit scherm met een collage van selfies, dat iconische fotogenre dat door de hele voorstelling heen al onvermijdelijk een rol had, maar dat hier nog eens heel pregnant de problematiek aan de orde stelt: iedereen wil iets achterlaten, zich op een troon hijsen, het middelpunt zijn, maar niemand is werkelijk geïnteresseerd, en zo glijden we ongezien onze dood tegemoet. Of onze zelfgekozen dood, want er wordt nogal veel van stoelen gesprongen, waarna het lichaam levenloos achterblijft.

Zelf moest ik tijdens de voorstelling een paar keer denken aan een zinnetje uit een vroeg essay (In leven blijven) van Michel Houellebecq, de chroniqueur van de depressieve moderne mens bij uitstek: ‘Als u er niet in slaagt uw lijden te articuleren in een duidelijke structuur, dan bent u de lul.’

De Renaissance- en Barokmusici waren in staat het lijden een vorm te geven, niet alleen als een gearticuleerde structuur, maar zelfs als een structuur van een ongekende schoonheid die vierhonderd jaar later nog altijd weet te raken. Want dat is de grote paradox van de voorstelling. Ze wil beweren dat we niet meer ontvankelijk zijn voor de schoonheid van het innerlijk lijden, maar bewijst het exacte tegendeel.


Melancholia, Sebastian Nübling, Ives Thuwis, Theater Basel i.s.m. Junges Theater Basel, Tim Mead, Andrea Marcon. Op 14-15 juni als onderdeel van het Holland Festival in het Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam


Beeld: Mezzosopraan Sofia Pabone in Melancholia van regisseur Sebastian Nübling en choreograaf Ives Thuwis, onder muzikale leiding van Andrea Marcon (Sandra Thenv