Lyrische uitstorting

Wat is dat met die confetti? Tegen het einde van de verfilming van Franca Treurs roman zorgt de hoofdpersoon, Katelijne (Hendrikje Nieuwerf), voor een regen van bonte papiersnippers in de schuur waar het huwelijk van haar broer plaatsvindt.

Medium dorsvloer vol confetti moeder en kathelijne in kerk

Het lijkt een daad van protest en bevrijding, alsof ze wil breken met de verstikkende sfeer van godsdienstfanatisme dat het leven van haar gezin op de Zeeuwse boerderij bepaalt. Alsof de confetti, gemaakt van stukjes papier uit kranten en tijdschriften uit de boze buitenwereld, deze gesloten gemeenschap als een virus binnendringt. Tegelijkertijd heeft de scène veel weg van een viering van deze manier van leven – met de confetti als een zegening uit de hemel. De sfeer is vrolijk, de mensen kijken verwonderd. Als de confetti al heidens is, dan voelen de mensen dat niet zo. Deze ambiguïteit vormt de rode draad, en misschien is dat ook het punt: Katelijne wil weg, maar dat verleden zal ze nooit achter zich laten. Het bepaalt wie ze is, en daarom is het waardevol.

Dat laatste is herkenbaar. Vanaf mijn zesde tot pakweg twaalfde ging ik iedere zondag naar een ‘Nederduits gereformeerde kerk’. Zo heette het in Zuid-Afrika waar ik opgroeide. Ik herinner me de haat en woede die ik voelde: de zondag was een doodse dag. Ik snakte naar twaalf uur, zodat ik de kranten kon gaan kopen om de stripbijlage en de verhalen over de zaterdagse sport te lezen. En om de pikante plaatjes op de achterpagina te bestuderen. Maar wanneer ik terugdenk aan die tijd is dat vooral met heimwee. Naar de zondagsschoollessen over oudtestamentische verhalen vol fantasie en avontuur. Naar de notie van gemeenschap in het ritueel van het nachtmaal voorgezeten door dominee en ouderlingen. Het is een dubbel gevoel: enerzijds walging vanwege geestdodende starheid van dat geloof, anderzijds het besef van waarde, misschien gelegen in zoiets als het onderzoeken van de grenzen tussen goed en kwaad teneinde een goed leven te kunnen leiden.

Ook bij het zien van Dorsvloer vol confetti (roman niet gelezen) overheerst ambiguïteit. En misschien is dat de reden waarom de film mij uiteindelijk koud liet, ook al is die nog zo goed gemaakt. De fotografie is prachtig, regisseur Tallulah Schwab houdt de vaart in de vertelling, de acteurs doen hun best. Maar spannend wordt het nooit. Ik voelde geen echte woede, niet bij Katelijne die zo graag de wereld wil ontdekken, en ook niet bij haar broertje dat een dorpsgenoot zwanger maakt en dus moet trouwen terwijl hij verliefd is op een andere zwoele blondine. In Katelijne en haar broer moet een enorm conflict zitten, de wortels van een fatale tragedie ingegeven door angst én liefde voor de ouders. Immers, het subversieve instinct – de wil tot het experimenteren met alles wat God verbiedt – staat rechtstreeks tegenover dat godvruchtige leven. Weinig hiervan is voelbaar in de film. De film is toegankelijk, geruststellend. Ik zie alleen nostalgie: het verheerlijken van het gezin en van het landelijke leven, culminerend in de confetti die Katelijne in het geniep maakt voor die lyrische uitstorting die uiteindelijk meer Heilige Geest dan heidens is – terwijl hier twee levens kapot gaan in de naam van de God van liefde.

Zonder dat er iets wordt opgelost, misschien doordat er nooit echt een clash was om mee te beginnen, eindigt het verhaal. Is dat een bevestiging van identiteit? Een weerspiegeling van de ware ziel van de mensen die daar, hier, wonen? Een kern van wezen die we dus moeten koesteren, waarnaar we moeten verlangen, juist in verwarrende tijden? Die confetti. Zwevend in de lucht.


Nu te zien, ook op het Nederlands Film Festival van 24 september t/m 3 oktober in Utrecht


Beeld: Hendrikje Nieuwerf als Katelijne in de film Dorsvloer vol confetti