Het literaire tijdschrift Revolver neemt afscheid met een dubbeldik nummer. Midden in de portfolio staat een opvallend essay over het seksistisch taalgebruik binnen de RAF. En Hélène Gelèns publiceerde een tweede dichtbundel, opnieuw zo licht van toon als de voorganger maar wel wat lijviger en coherenter: zet af en zweef.

Het allerlaatste nummer van Revolver valt nauwelijks op te tillen. Je krijgt er kramp in je pols van, zo zwaar is het. Uitgever en hoofdredacteur Gerd Segers legt in een brief aan de lezer uit waarom het blad stopt. De nieuwe fiscale wet van 16 juli 2008 verplicht hem een onderscheid te maken tussen Belgische auteurs en buitenlandse medewerkers. Op de beurs voor kleine uitgeverijen vertelt hij hoe een vertaler in Parijs een kafkaïaanse rondgang moet maken langs belastingkantoren om de juiste stempels te krijgen. Segers neemt een principiële beslissing, hij wil geen onderscheid maken op basis van de herkomst van zijn auteurs. Tegelijk vindt hij het na al die jaren on the road ook mooi geweest.
Uiteindelijk werd het blad niet ouder dan de dichter Hugues C. Pernath, die op zijn 43ste stierf. Ik ben niet de enige die Revolver het mooiste blad in het Nederlands taalgebied vond. Royaal uitgegeven, met veel aandacht voor vertaalde poëzie. Hulde voor Gerd Segers, die in eerste instantie een platform wilde bieden tussen alle winden en richtingenstrijd in. Nummer 144 laat twee gezichten zien. Op de ene kant staat een foto van de dichter Guillaume van der Graft, pseudoniem van de dwarse theoloog Willem Barnard, die dit jaar negentig wordt. Het is een vrolijke hommage, met uiteenlopende stukken over de dichter van Ingmar Heytze tot Jos Joosten. Draai je het tijdschrift om, dan zie je een portret van Louis Paul Boon. Hier begint een dossier over de receptie van zijn werk, en dan met name van De Kapellekensbaan. Floor van Rensen heeft een artikel over ‘de erfenis van Boon in de Nederlandse kritiek’. Het dossier is samengesteld door een aantal wetenschappers die schuilgaan onder het personage van ‘Student Siekegheest’, die getuige de inleiding niet woont daar waar hij maar neervalt zoals andere studenten, maar daar waar hij uitgenodigd wordt. Dat klinkt een beetje als een reactie naar de gevleugelde uitspraak ‘wie wil moet zelf maar een tijdschrift oprichten’ dat het einde van Raster markeerde. Dat doet Siekegheest dus mooi niet en daar heeft een student anno 2010 ook allerminst de tijd voor, en wie wel ook eigenlijk. Het collectief Siekegheest, waaronder Matthijs de Ridder, is gastredacteur van deze kant van Revolver. In het kleine portfolio tussen beide dossiers neemt het tijdschrift afscheid, met onder meer een opvallend stuk van Marc Kregting over het seksistisch taalgebruik binnen de RAF.

Tijdschriften komen en gaan en zo houdt ook Het trage vuur, tijdschrift voor Chinese literatuur, het voor gezien. Kort heeft ook het tijdschrift voor literatuur van vrouwen Zwart water bestaan, waar Hélène Gelèns van de redactie deel uitmaakte. Gelèns debuteerde in de Sandwichreeks bij 521 met de bundel niet beginnen bij het hoofd. Vorige week werd op Gedichtendag haar tweede bundel gepresenteerd, zet af en zweef.
Net als bij haar debuut is het eerste dat opvalt de zwierige toon. ‘de dag beginnen met vrijen blijven vrijen eindeloos/ terwijl je weet je moet weg aan het werk iemand wacht.’ De serie waar de bundel mee opent heet ‘halt’ en het is iedere keer als dat woord valt dat de regels even stokken. Hélène Gelèns werkt met ritmische herhaling die op basis van ademhaling en rustpauzes lijken geschreven. Dat werkt als een soort poëtische yoga. In haar tweede bundel wordt constant gerend: ‘niet wij rennen/ het pad rent’. Dat levert fraaie en pakkende regels op: ‘we punteren een voetbal terug naar het veld.’ Teken dat het wel goed zit met deze bundel is dat herlezen mogelijk is: dit verveelt niet en dat is het grootste compliment.
Er lijkt sprake van tweestemmigheid: cursief is de onrustige stem, romein de beschouwende:

dat je veilig in dit stilgezet nu
al vlucht ik weg jaagt mijn hart, zeker

Ondanks de ademhaling is Gelèns werk godzijdank niet esoterisch. Ze blijft mens tussen de elementen en geen spons. En of deze poëzie wel zo dartel is als ze voorkomt, valt ook sterk te betwijfelen: ‘de hel is een stilgezet hier’. Als er even een minder rake formulering is (‘de vleugels wachten op de duif/ zoals een vliegtuig wacht op de piloot’) staat er ook meteen voor ‘zegt iemand’. Een ander gedicht eindigt zo: ‘ja! daar springt mijn hand op, vlindert mijn tong’.

zet af en zweef is een veel dikkere en stevigere bundel dan haar eerste. En tegelijk blijft haar werk tot het uiterste consequent. De spreekstem blijft maar rennen en maakt rare voorstellingen. Een champagneglas hangt aan een koordje aan de boom en daarvoor moet iedereen van het gras af gemaaid. Het is allemaal muziek wat Hélène Gelèns maakt en dat is nog het meest duidelijk als ze een gedicht de toevoeging ‘ter nagedachtenis abdi ismael jama’ meegeeft. Ondanks de rouw en de herinnering blijft ze zingen met haar regels.
Een van de meest prominent gedichten uit de bundel is Gedicht voor twee stemmen en een klok. Wat cursief staat is het steeds kleiner afgedrukte woordje tik.

je denkt tik tik niet! tik tik niet! tik
maar je weet tik de klok tikt tik
dus je zegt tik hij tikt niet tik ik hoor niets tik

Dit is een ontzettend knap gedicht. Gelèns geeft stem aan de biologische klok die ze niet zegt te horen maar ondertussen wel laat horen, auditief en ritmisch, als samenspel. Als ze het voordraagt, gaat ze net even anders staan en haalt diep adem voordat ze begint: je ontkomt niet aan de fysiekheid van het gedicht daarbij. Toch is Gelèns geen performer, hoewel ze goed voordraagt. Ik herinner mij een discussie over het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke poëzie - en of je daar als criticus oog voor moet hebben. Volgens Rozalie Hirs is het juist lastig als vrouw met een meer experimenteler soort poëzie te komen. Daar een uitspraak over doen kan ik niet en wil ik niet. Wat wel duidelijk is: dit gedicht had geen man kunnen schrijven.
Gelèns schrijft gedichten over mensenrechten, etiketten en energiebesparing en hoe erg dat ook allemaal moge klinken: juist die gedichten blijven grappig en swingend. Bij Een nieuw soort schelpen kreeg ik een associatie met een gedicht van Mustafa Stitou, waarin hij een moederfiguur dieren naar zich toe laat roepen door op haar manier hun geluiden te imiteren. Dat toeroepen is ook voor Gelèns een werkwijze. En ook Gelèns gaat in een enkel gedicht richting proza: ‘zelfs de stokoude cubaanse dictator die wegens zijn zwak gestel zich al een jaar niet in het openbaar vertoont, laat weten blij te zijn dat hij nu veel tijd heeft om te studeren.’
De bundel eindigt met een serie getiteld ‘Cirkels, cirkelen’ waarin ze volgens de aantekeningen uitgaat van een artikel in Science Magazine. Het betreffen biologische of fysische experimenten die door Gelèns haar gedichtenmaakmachines gehaald worden. Hier betreft het een recept voor een steekproef, en dat in acht gedichten. Melig maar grappig is die van stippen zetten op een vel, daar blind een lus om trekken en dan optellen hoeveel stippen dat zijn. En zie, u hebt zomaar een steekproef genomen! Ja, zo eenvoudig is zoiets nou eenmaal. Maar het kan ook anders, met chocoladehagels boven op trillende droogtrommels. Of met samenscholingen. Of door enquêtes te houden: ‘omcirkel en je zult niet omcirkeld zijn’. Het is op de rand van al te flauw en na een slokje soep smaakt alles naar soep, volgens het laatste gedicht. En dan komt er nog een gedicht over goede voornemens dat werkelijk te licht is voor woorden, dat ze niet had moeten opnemen. Mooi geheel, verder, deze bundel.

Revolver, nummer 144 exit. Uitgever Gerd Segers. € 8,- (B) / € 12,- (NL)
Hélène Gelèns, zet af en zweef. Cossee. 64 blz., € 16,90