M/V3

Marije Langelaar, dichter en beeldend kunstenaar, publiceerde haar tweede dichtbundel: De schuur in. De bundel bestaat uit drie afdelingen die alle met een ready-made beginnen: Het hoofd is schoorsteen en deksel, Vrouw en Man. De eerste is samengesteld uit een boek getiteld De middeleeuwse ideeënwereld. Blijkens het gedicht hield men er indertijd barbaarse gedachten op na. Haargroei komt van grote inwendige hitte, zo dacht men: ‘Daarom hebben alleen mannen een baard,/ vrouwen zijn immers koud van aard.’

Het leven is glijden, zo zegt het gedicht waarmee de serie opent. De baarmoeder uit, de wastobbe in, tussen de lakens, en de kist in. ‘wij bleven de ganse dag glijden en niets/ hield ons’. Langelaar heeft in deze serie een lichte en mooie toon. Op één moment is ze melig als ze binnen in een vogel zegt: ‘herhaaldelijk het volkslied fluiten/ (meesterlijke trilling)’. Haar werk is surreëel, en beeldend erg mooi: ‘De stad strijkt neer bij een oever/ door het rinkelen en gongen ontwaken de vissen/ glad en radeloos’. Soms gebruikt ze een wat archaïsch woord, zoals het zelfstandig naamwoord ‘tover’.

Marije Langelaars gedichten bestaan uit ideeën, voorstellingen. Vaak wordt iets binnengegaan. Is het niet een vogel, dan een vis. De beeldende en surreële voorstellen hebben een overeenkomst met die van Ruth Lasters, maar anders dan bij die dichter geschiedt de surreële betekenisverschuiving bij Langelaar minder expliciet. ‘Kasten en stoelen trekken hun schouders op,/ bonken tegen het plafond’, staat er in een gedicht getiteld Zwaartekracht. Soms is het even gissen wie subject en spreker zijn, ook omdat er in het begin van de gedichten meestal een persoonsvorm ontbreekt. Haar werk is mooi van taal: ‘in een/ vingerknip in een vingerknip schiet alles weg’ is een aanstekelijke en goed werkende herhaling.

Er lijkt een loskoppeling van lichaam en ziel gaande in deze gedichten. Het lichaam wordt bekeken als een ander ding, ‘het lichaam zoekt vaak een ander lichaam’. Maar toch ook is het werk liefdespoëzie: ‘rustig hield de lucht mij vast’ is een opvallende regel. Langelaars kunstenaarsschap is overal in haar gedichten terug te vinden. Het zit hem in haar blik, hoe ze van dingen substanties maakt en ze omschrijft, zich ervan bewust is.

Abrupt opent het gedicht Schilderij:

Vandaag een schilderij gezien het gaat als volgt:

devote Maria

lijkbleek kind

Als Marije Langelaar een steen zichzelf laat omschrijven, doet haar werk denken aan dat van Francis Ponge. Toch spreekt ze niet helemaal ‘Namens de dingen’. Ze meent de dingen te zijn: dieren, substantie, voorwerpen. Als het het vuur is dat spreekt, doet dat even denken aan een spelletje, een rollenspel. Toch doet ze die dingen heel erg goed. Spitsvondig zijn haar gedichten voortdurend. Dat vuur vindt ‘aan het hoofd een wirwar van lonten’.

De readymade Vrouw bestaat uit zoekresulaten op een website van de traditionele letterenstudies en moderne informatietechnologie van de Universiteit van Groningen. Het gaat om werkwoorden waarmee de vrouw als onderwerp en lijdend voorwerp genoemd wordt, alsmede bijvoeglijk naamwoorden waarmee ze geassocieerd wordt. De gedichten in deze tweede serie lijken rond herinneringen te spelen, bijvoorbeeld aan een schuur waarin een ik-figuur iemand reanimeerde. Of het om dieren of mensen lijkt te handelen is niet altijd even snel duidelijk, en ik heb het vermoeden dat Langelaar die ambiguïteit graag laat bestaan. Er is een absurde en onverwachte verwijzing naar eicellen. Tegelijk zijn de gedichten een stuk minder daadkrachtig dan die in de openingsreeks. ‘Jongens van toen’ komen wel naar buiten, maar dan ‘ietwat beschaamd over hun schuilplaats’. Het heeft iets hallucinatoirs, deze zwaardere gedichten die zinspelen op seksualiteit. Sommige gedichten zijn karig, verbeelden niet meer dan een dans op een schoolplein. Tegelijk zijn ze behoorlijk dicht. Wie is er nu aan het woord? ‘dit ben ik een koude hond/ tussen de schapen/ blaf mijzelf wakker’. En wat verderop: ‘dit dolle geraamte -/ been gestrekt/ vlees eromheen en bewegen.’

Er zijn gerust allerlei interpretaties op de gedichten los te laten, gebaseerd op de tegenstelling van toon van de afdelingen. In de laatste serie Man, die met een vergelijkbare readymade begint als de vorige, is een wij-figuur aan het woord. ‘al je organen in de rij voor een beurt van/ haar ogen’ staat er in het gedicht Skelettenkopje. Ook keert de titel van de bundel terug: ‘Vluchten op het randje van een mes de schuur/ in’. Opvallend vaak is het een wij-figuur die hier aan het woord is op het eind van de bundel. Opnieuw is het beeldgebruik strak: ‘in trance hield het water een vis vast’ en ‘iemand klapt op het water’. Maar het lijkt alsof de twee laatste afdelingen niet helemaal datgene bereiken wat er mee beoogd wordt: schrijnende voorstellingen, werkende tegenstellingen.

Marije Langelaar werkt met Mark Manders aan de reeks Roma publications, een serie kunstuitgaven, waarin onder meer een boekje van Wim Brands verscheen: Neem me mee, zei de hond. Het is niet ongewoon dat beeldend kunstenaars gedichten schrijven, die achtergrond lijkt zelfs in toenemende mate voor te komen. En tegelijk vallen er door de surrealistische kanten van haar werk ook referenties te maken aan de geschiedenis.

In 1928 maakte Germaine Dulac de film La coquille et la clergyman, gebaseerd op een scenario van Antonin Artaud. Bij de aftiteling van de eerste vertoning maakte André Breton luid in de zaal de regisseuse voor een koe uit. Vervolgens braken Artaud en de surrealisten in een kleine bioscoop in het vijfde arrondissement in Parijs naar verluidt de filmzaal af. De film volgt een priester, een generaal en zijn vrouw. De priester kan zich niet meer beheersen. De film bestaat vooral uit een serie herhalingen, vallende schalen, en confrontaties tussen de personages. ‘Nee, geen droom’, staat er vooraf op de kopie van het Nederlands Filmmuseum te lezen, ‘maar de wereld der beelden zelf, die de geest meesleept naar waar deze nooit bereid zou zijn geweest te gaan. Het mechanisme ervan ligt in ieders woordbereik.’ Een fraaie definitie van Lulac, over het werk en de verbeelding. Het is de allereerste surrealistische film, een jaar later verschijnt Un chien andalou van Bunuel. Aan het eind van La coquille et la clergyman kruipt de priester op ellebogen en knieën over straat en kijkt omhoog. De gevels en dakranden boven hem verschuiven in het zonlicht, het lijken wel boomtoppen die heen en weer waaien. Die laatste paar seconden van de film zijn wonderschoon.

Ik schreef op deze plek over een bundel van Hélène Gelèns [http://www.groene.nl/commentaar/2010-02-05/m-v], een van Saskia de Jong [http://www.groene.nl/commentaar/2010-02-18/m-v2] en over Maria Barnas [http://www.groene.nl/commentaar/2010-01-28/poezie-is-commercie], die eerder bij een bijeenkomst van de Vereniging van Letterkundigen werd uitgeroepen tot een nieuwe en andere stem in de poëziekritiek. In een vraaggesprek dat ik had met Esther Jansma sprak ze van een onderzoek naar hoe de perceptie van gedichten samenhangt met gender issues. Een onderscheid naar man en vrouw is nooit helemaal gelukkig. En toch zijn juist in Nederland vergeleken met andere landen op dit moment grote dichters vrouw: Anneke Brassinga, Eva Gerlach. En zij zijn niet de enige. Ik geloof dat Marije Langelaar in poëzie nog veel meer kan dan ze doet. De schuur in is een spannende bundel met net iets te veel mysterie.

Marije Langelaar, De schuur in. De Arbeiderspers, 72 blz., € 16,95