Ma wordt soefie

Esther Freud, De kleur van henna. Vertaling Rene Kurpershoek, De Bezige Bij, 168 blz., f34,50.
Een paar jaar geleden beklaagde Renate Dorrestein zich over het feit dat kleine meisjes zelden een rol spelen in de wereldliteratuur. De ‘nimfijn’ Lolita niet meegeteld, kende zij slechts Pippi Langkous en Alice in Wonderland, ‘en verder is het allemaal Woutertje Pieterse wat de klok slaat’. Het kan niet anders, concludeerde zij in Voor alles een dame, of het meisje is voor de universele denker te ongrijpbaar en te complex.

Renate Dorrestein kan tevreden zijn. De laatste jaren huppelt en hinkelt het ene na het andere meisje de literatuur in: van de boosaardige pubermeisjes van Hermine de Graaf en Helga Ruebsamen tot de verliefde Rachel van Charlotte Mutsaers; van Sjuul Deckwitzs Mientje, opgroeiend in een wereld van doorzonwoningen en huwelijkstwist, tot Jeanette Wintersons godsdienstig gedrilde puber.
De zojuist vertaalde roman De kleur van henna (oorspronkelijk in 1992 in het Engels verschenen als Hidious Kinky) van de jonge schrijfster Esther Freud stelt eveneens een klein meisje centraal. Beschreef Esther Freud in haar vorig jaar gepubliceerde boek Bestrijd de vossen (Peerless Flats) de Londense adolescente Lisa en haar rites des passages naar de volwassenheid door drugs en seks; in De kleur van henna portretteert zij een vijfjarig meisje en haar iets oudere zusje. De romans liggen in feite in elkaars verlengde: beide spelen zich af in een alternatieve, tegenculturele wereld; in beide is sprake van een hippie- achtige moeder die net zo vrolijk en vrijuit over drugs praat als over ommetjes in het park; en in beide is een ouder zusje dominant aanwezig. De decors van haar boeken - Londen ten tijde van de punk en Marokko eind jaren zestig, toentertijd toevluchtsoord voor hippies - zouden menig schrijver aanzetten tot een ironische verteltrant. Het knappe van Freud is dat ze haar romans consequent vanuit het perspectief van de meisjes schrijft, een perspectief dat tegelijk verwonderd en gelaten is.
De kleur van henna is het relaas over het langdurig verblijf in Marokko van een moeder en haar twee dochtertjes. De zucht naar avontuur wordt met erg weinig geld ondernomen, de pruttelende autobus begeeft het al snel en in afwachting van een postwissel worden legio vergeefse tochten naar postkantoor en bank gemaakt. Moeder en dochters betrekken noodgedwongen steeds goedkopere hotelkamers en eten dagen achter elkaar sardines met tomatensaus uit blik. Er wordt, tot afschuw van de kinderen, uiteindelijk zelfs gebedeld, een briefje in de hand dat de goede moslim dwingend op zijn plicht wijst: hij moet volgens de koran armen aalmoezen geven en vreemdelingen gastvrijheid betonen.
De bevreemde blik van de meisjes op het leven in Marokko in het algemeen en het dwaze gedrag van hun moeder in het bijzonder maakt het boek ongemeen geestig en ontroerend. Terwijl ze in Marokkaanse cafes couscous en tazjine eten, dromen ze van snoepwinkels, cornflakes en aardappelpuree. Ze laten hun haar met henna insmeren opdat het lang en vol wordt en zien ontzet in de spiegel dat het knaloranje is geworden. En ze voeren prachtige begripvolle dialogen over hun moeder:
‘Ze wil avonturen beleven’, zei Bea. 'Dat heeft ze gezegd.’ 'Wanneer dan?’
Bea gaf geen antwoord.
'Gaan die al gauw beginnen? hield ik aan. 'Ja natuurlijk.’ Bea begon zich in het linnen gordijn te draaien dat voor het raam hing.’
Het vijfjarige meisje ziet veel lijdzaam aan. I Tsjing en Tarot, ze is er mee opgegroeid. Maar als haar moeder zich tot het soefisme bekeert, een bidkleed koopt en zeven keer per dag het gebed moet aanheffen, laat de schaamte zich niet meer bedwingen - 'O toe Mamma…’ had ik willen smeken. 'Word alsjeblieft geen soefi.’ Zeker niet als de moeder midden op een drukke straat haar kleedje uitspreidt. De meisjes verstoppen zich. Kinderen generen zich altijd voor hun moeder, had hun moeder de meisjes gerustgesteld: 'Mijn moeder stiftte altijd haar lippen op het bovendek van de bus.’ Achter het muurtje kijken de zusjes elkaar aan en zucht de een tegen de ander: 'Ze weet niet hoe ze geboft heeft.’