Maagdenbloed

Een van de meer pompeuze death-metalbands liet zich behalve door Wagner ook inspireren door een Hongaarse gravin uit de zestiende eeuw (1560-1614). De band noemde zich Bathory, een eerbetoon aan Erzsébet Bathory. Zij had de gewoonte te baden in het verse bloed van meisjesmaagden om de gevolgen van het ouder worden tegen te gaan. Mevrouw Bathory was erg gesteld op haar gave en rimpelloze huid, en zag met angst en bibberen de eerste kraaiepootjes tegemoet. Ze besloot die dag niet af te wachten en de natuur voor te blijven. Alles voor een mooie huid, was het devies. Zeshonderd jonge meisjes lieten, volgens de overlevering, voor de ijdelheid van de gravin het leven.

De bloedgravin blijft kunstenaars inspireren. Hanna de Heus (1964) noemt haar eerste roman Erzsébet, en doet een ambitieuze poging een portret van de gravin te schrijven. De vorm die ze kiest is de monoloog. Aan het eind van haar leven, ingemetseld in de kerkers van haar eigen kasteel, na te zijn veroordeeld voor de moord op talrijke jongedames, beschrijft Erzsébet Bathory haar opkomst, bloei en ondergang.
Het gaat in Erzsébet natuurlijk niet om de feiten, maar om de verbeelding ervan. Hanna de Heus heeft een psychologisch portret willen schrijven van een vrouw die eerder werd afgeschilderd als een vampier, een massamoordenares en een femme fatale. Het achterplat meent: ‘Had zij eerder bekendheid gekregen, dan zou sadisme bathoryisme hebben geheten.’
De zwakte van de roman ligt - behalve in het ongemeen slordige zetwerk (zo veel taal- en spelfouten mag nimmer) - daarin dat Hanna de Heus de geschiedenis erg naar zich toe schrijft: ze maakt van de historische figuur van Erzsébet Bathory haar eigen creatie, inclusief een eigenaardige psychologie. Maar dit is paradoxaal genoeg tegelijk de kracht van het boek: De Heus heeft de moed de historie naar haar hand te zetten en in de veelbesproken, prachtige huid van Bathory te kruipen. Het resultaat van die poging is een bij vlagen meeslepende en wonderlijke vertelling over een wonderlijke en meeslepend levende bloedgravin.
'Het was niet zozeer het neerduwen zelf dat me genot schonk, als wel de aanblik van het daar zo totaal hulpeloos liggende kind. Het was niet die wrede handeling, maar het lijden van het meisje dat me een intens genot schonk. Te zien hoe ze alle greep op de situatie had verloren gaf me, daar midden in het bos zonder enige verdere aansporing, bijna een orgasme.’