Maai-arm

Rotterdam gelooft fanatiek in de maakbare samenleving. Te fanatiek. Je moet geen baarmoeders gaan sluiten.

Om de hoek knipt een plantsoenarbeider de haag die de weg van het fietspad scheidt. Nee, wacht. Om de hoek mááit een medewerker buitenruimte de haag… Hij zit op een joekel van een tractor, waarachter een arm met een maaikop die zij- en bovenkanten van de heg onder veel geraas glad scheert.

Omdat ik het hoe en waarom wilde weten doorzocht ik de gemeentelijke website en daar begreep ik dat er al lang geen sprake meer is van een dienst Bossen Plantsoenen en dat openbaar groen tegenwoordig buitenruimte heet. Zo’n woord is voor mij genoeg om weg te dromen, bijvoorbeeld naar prehistorische tijden, waar hunebedbouwers zich aangorden voor de jacht: ‘Op naar de buitenruimte, waar de wolharige neushoorn wacht!’

Er moet zoiets bestaan als een mechanisatiepiramide. Onderaan de plantsoenarbeider met de heggenschaar, dan de man (m/v) met de gemotoriseerde versie en bovenaan de medewerker buitenruimte in een trekker met een maai-arm. Iets in mij gelooft dat de trekker niet sneller is dan de schaar, maar dat die iets vertegenwoordigt. Laat een man hetzelfde werk doen, maar dan met een machine, en hij voelt zich minstens twee loonschalen beter.

Toen ik een tijdje naar die trekker had gekeken sloeg ik de hoek om en daar stond net een autootje van de gemeente voor het stoplicht. Geen (symbool van een wolkje) aan de lucht, stond op de zijkant. ‘De luchtkwaliteit in Rotterdam is slechter dan in veel andere Nederlandse gebieden en steden. Ook voldoet Rotterdam niet overal aan de Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit’, zegt een gemeentelijke website. Er is een offensief gelanceerd, ‘want iedere Rotterdammer heeft recht op gezondere lucht’. Gezondere lucht in de buitenruimte. Maar hoe zit dat dan met die langzaam voortploegende trekker met maai-arm? Rotterdam is een stad van verwarrende innerlijke tegenspraak. De lucht moet schoner, maar de heg knippen we met een grote trekker. We moeten ons allemaal in vrijheid kunnen ontplooien, maar als je IQ niet hoog genoeg is willen ze je verbieden kinderen te maken.

‘Het gaat om kinderen die worden geboren in gezinnen waarvan iedereen, de hele omgeving, buikpijn krijgt bij het idee dat daar een kind in terechtkomt’, aldus jeugdwethouder Hugo de Jonge. Ik krijg bij heel veel gezinnen buikpijn. Soms lezen ze zelfs de NRC of wonen in Kralingen, of ze komen zich al een jaar voor de verwekking van een kind melden bij de Montessorischool. Toen ik erover las moest ik onmiddellijk denken aan een andere Rotterdamse wethouder die kinderen van Zuid (zeg maar: arm Rotterdam) wilde verbieden om nagelstyliste of kapper te worden. Daar heeft de economie namelijk geen behoefte aan. Het gaat altijd over de onderklasse, dat soort ingrepen in de zelfstandigheid en keuzevrijheid van mensen. Nooit over Kralingen of Hilligersberg, waar ze allemaal bedrijfskunde of accountancy gaan studeren.

De lucht moet schoner, maar de heg knippen we met een grote trekker

Soms denk ik wel eens dat de stad waar ik woon zichzelf beschouwt als het sociale laboratorium van Nederland. Dat is een waan die je makkelijk naar de eugenetica voert.

Een rem op de vruchtbaarheid van asocialen (laat ik het woord dat niemand durft uit te spreken maar noemen) heeft een lange traditie. De Duitsers onder Hitler, natuurlijk, maar ook de Zweden, de Ieren en de Australiërs. Het is altijd ons soort mensen dat buikpijn krijgt en nooit van hun soort mensen.

Ik was de vader van één kind toen ik een tijdje in Londen woonde, als writer in residence aan University College. Op een avond ging ik met de Libanese schrijfster Hanaan Al-Shaykh iets drinken in de Groucho Club. Zij vroeg wanneer het tweede kind kwam. Ik zei, opgewekt en vastberaden: ‘Nooit.’ Ze keek me geschokt aan. ‘Maar, Marcel’, zei ze, ‘dan is hij helemaal alleen als jullie dood zijn!’ Fuck. Toen ik terugkeerde naar Nederland hebben wij ons onmiddellijk aan de verwekking van kind twee gezet. Ik vond het een krachtig argument, dat van mijn vriendin Hanaan. Nog krachtiger vind ik wat ik later bedacht, dat de redenen om niet meer kinderen te hebben – overbevolking, de wereld is slecht, net als de mens – niets betekenen als je beseft dat de klootzakken van deze wereld gewoon doorfokken. Misschien is er ook wel ergens een wethouder die daar buikpijn van krijgt.

Mijn grootste probleem met de Rotterdamse aanpak is dat die aan de verkeerde kant begint. Dat wil zeggen: waar het al mis is. Daar zijn ze in Rotterdam goed in. Eerder lag er al een plan om mensen met lage inkomens te weren om zodoende de achterstand uit de achterstandswijken te jagen. Je kunt het zo gek niet bedenken, qua maakbaarheid der samenleving, of het is in Rotterdam al bijna uitgevoerd.

Het is natuurlijk goedkoop om mensen ervan te weerhouden kinderen te krijgen. Veel goedkoper dan sociale verandering, betere leefomstandigheden, betere buurten en vooral een eerlijker verdeling van welvaart. Ja, dat klinkt geweldig links en zelfs links is dat tegenwoordig te links, maar als je betere gezinnen wilt, moet je niet de baarmoeders sluiten van ‘de asocialen’ maar die mensen socialiseren. Want wat is anders de volgende stap? Een kinderverbod voor mensen die hun nageslacht indoctrineren met IS, raw food-diëten of Lou de Palingboer? Verplichte kinderloosheid voor wie niet gelooft in de markteconomie, voor nagelstylistes en kappers?

Ik denk dat het Rotterdamse college hard toe is aan een heidag. Daar hoeft niet voor gereisd te worden. Gewoon allemaal een heggenschaar in de hand en een weekje hagen snoeien. Volgens mij levert dat veel inzicht op.