Shakespeare: De tragedie van de macho

Maak een zwaard van me

De tijdloosheid van Shakespeare blijkt uit de eerste verfilming van zijn Romeinse stuk Coriolanus, een werk waarin de psychologie van de zichzelf overschattende soldaat onder het vergrootglas komt.

Caius Martius Coriolanus is net als John James Rambo een banneling wiens eigen notie van mannelijkheid, waardigheid en nobiliteit aan scherven ligt. De reden: het vijandige publieke sentiment dat voortvloeit uit het politieke machtsspel van schaduwachtige figuren. Martius is echtgenoot, vader, zoon en door zijn succes tijdens vele veldslagen de grootste soldaat die Rome ooit heeft opgeleverd, John Rambo is de zoon van een Amerikaanse indiaan en een Italiaanse moeder, een Special Forces-soldaat en Vietnam-veteraan die bij terugkeer naar zijn vaderland door zijn landgenoten wordt uitgekotst vanwege zijn oorlogsdaden. Rambo en Martius kiezen voor zelfopgelegde ballingschap in de wildernis. Daar smeden beiden plannen van wraak tegen een ondankbare maatschappij.

Dat het personage Coriolanus sterker dan ooit in onze eigen tijd resoneert komt door Ralph Fiennes’ nieuwe film gebaseerd op het stuk, maar meer nog is dat een bewijs van de bovennatuurlijke tijdloosheid van Shakespeare. Dit is de eerste filmversie van het Romeinse stuk, en de actualiteit van het werk is bij vlagen verbijsterend. Het blijft een groot raadsel hoe de ‘provinciaal’ Shakespeare, in de woorden van Stephen Greenblatt, auteur van Will in the World (2004), op zo’n jonge leeftijd zoveel van de mens en zijn wereld kon weten.

Deze intelligentie toont bovendien een progressie, van de psychologie van Hamlet en het politieke spektakel van de historische stukken tot de vreemde anonimiteit van, of als het ware het ‘kale’ aan de latere stukken, vooral Coriolanus. Criticus Harold Bloom gaat aanzienlijk verder en stelt dat Shakespeare met dit stuk datgene verwerpt wat de kern van zijn kunst vormde, namelijk de ‘innerlijkheid’ waarmee hij vorm geeft aan de menselijke conditie. Anders dan Cleopatra, voor wie we volledige sympathie hebben wanneer ze verzucht ‘Will it eat me?’, verwijzend naar de fatale giftige adder, is er alleen maar afstand tussen ons en Coriolanus wanneer hij na het laatste gevecht sterft, de woorden ‘Alone I did it’ prevelend, of woedend de woorden uitspugend zoals Fiennes dat in zijn film doet.

Misschien is het gepast dat Fiennes’ Coriolanus juist nu wordt gemaakt; misschien is de cinematografie een bij uitstek geschikt middel voor het tonen van ontmenselijking door het blinde geweld van macho’s en de cynische politiek van kleine mannen. Om de motieven hierachter vorm te geven heeft de maker immers geen method actor nodig, geen Olivier, Gielgud of Welles. Het gaat immers niet om het verdriet van Cleopatra, de melancholie van Hamlet of de herculiaanse mannelijkheid van Antony of Brutus of zelf Cassius. In Coriolanus draait alles om het onbegrip van een soldaat voor zijn wereld, voor de nieuwe tijd. Natuurlijk gaat het te ver om te zeggen, maar het is denkbaar dat Sylvester Stallone, Rambo dus, een moderne Coriolanus zou kunnen spelen. Het personage heeft een anonimiteit, een personifiërend karakter of een ver strekkende iconische betekenis die aansluit bij de afwezigheid van het innerlijke waarover Bloom schrijft. Fiennes, die in andere films gemakkelijk actierollen speelt, regisseert zichzelf op juist deze wijze: zijn Martius Coriolanus is een boze actieheld, een man die de wereld op een eenvoudige wijze ziet en misschien juist daardoor tot de kern doordringt. Fiennes cast bewust nog een macho, acteur Gerard Butler, in de rol van Coriolanus’ nemesis Tullus Aufidius, leider van de Volsken met wie de banneling Coriolanus uiteindelijk samenspant om Rome te veroveren. En om wraak te nemen op de volkstribunen die zich tegen hem hebben gekeerd, onterecht in zijn ogen en vooral onverteerbaar gezien zijn staat van dienst als de meest gelauwerde soldaat van Rome.

Een man slijpt een jachtmes terwijl de tatoeages lijken te dansen op zijn glimmende huid met daaronder strak gespannen spieren. Zo begint Coriolanus. Het is een scène die uit een Rambo-film zou kunnen komen. Fiennes toont zich bewust van deze iconografie; zo verdwijnt het onderscheid tussen het lichaam van de soldaat en de gewelddadige betekenis die eraan kleeft. Het gaat om het uiterlijke, om lichamen, en niet om het innerlijke of de inwardness die over het algemeen de kern van Shakespeare’s werk vormt. Bloom schrijft deze beweging naar de oppervlakte toe aan het feit dat zelfs Shakespeare in het tijdperk na zijn grote stukken niet meer verder durfde te gaan dan de grondeloze diepte van wanhoop en waanzin.

Anders dan de personages in die stukken wordt de betekenis van Martius Coriolanus voor een groot deel bepaald door anderen, voorop zijn moeder Volumia. Volumia, slechts een haarbreedte verwijderd van de gekte van de moordenares Tamora in Titus Andronicus, hijgt van opwinding als ze het beeld van de soldaat oproept. In een gesprek met Menenius Agrippa (Brian Cox) bespreekt Volumia het feit dat de kansen van haar zoon op het consulschap evenredig verhogen met het aantal wonden op zijn lichaam. Ze zwelgt in zijn mannelijkheid, opgedaan dankzij zijn oorlogsdaden. Volumia: ‘I sprang not more joy at first seeing he had proved himself a man.’ Net zoals Martius geboren werd uit haar lichaam, werd hem het leven geschonken door oorlog. Oorlog bepaalt zijn identiteit, zijn geslacht, zijn plaats in de wereld.

Maar hier wringt de schoen. Overheid noch burgermaatschappij zit te wachten op een rauwe soldaat voor wie eer en eerlijkheid alles is, die uitspraken doet als: ‘If any think brave death outweighs bad life/ And that his country’s dearer than thyself (…) Let him (…) follow Martius.’ En die op z’n gelukkigst is als hij tegen de tribunes en plebejers kan zeggen: ‘Make you a sword of me.’ Hier ontpopt zich de tragedie van Martius: hij neemt zichzelf bloedserieus op een moment dat nuance en ironie bepalend zijn in de wereld waarin hij zich bevindt. De soldaat, teruggekeerd van het front, moet nog een keer vechten, maar nu is het zaad van realpolitik al gezaaid. Achter de schermen roeren de schaduw­figuren zich, gemotiveerd door het onderbuikgevoel van een ontevreden volk.

Wie neemt het hem dan nog kwalijk dat hij soelaas zoekt in datgene wat hij het beste kent, namelijk actie en geweld? Terwijl de Volsken hun aanval op Rome inzetten, komen Martius en Aufidius (Butler) oog in oog met elkaar te staan. Ze haten elkaar, Martius omdat Aufidius een gevaar voor het land vormt, Aufidius omdat hij de roem verafschuwt die Martius geniet. En toch is er wederzijds respect tussen de twee strijders, een soort macho-kameraadschap dat Martius als volgt verwoordt: ‘I sin in envying his nobility,/ And were I anything but what I am,/ I wish me only he (…) He is a lion/ That I am proud to hunt.’

Het gevecht tussen Martius en Aufidius – met messen, want dat zijn nobele wapens – vormt een hoogtepunt in Coriolanus. Fiennes ensceneert de bewegingen van de mannen op zo’n wijze dat de connectie met soortgelijke gevechten uit populaire films als Rambo snel is gemaakt. Dit is doelbewust, net als de rest van de actiescènes die passen bij moderne oorlogsfilms over de stadsguerrilla. Vooral merkbaar is de grauwe visuele stijl – de invloed van cameraman Barry Ackroyd die recent The Hurt Locker draaide, over de oorlog in Irak. Hoewel Aufidius overleeft en erin slaagt te ontsnappen, wint de Romein deze strijd. Hij wordt opnieuw ‘geboren’ als gevolg van geweld. Hij wordt gelauwerd. En heet vanaf nu: Caius Martius Coriolanus.

Trots is de soldaat op zijn nobele daden. John Rambo verwacht niets meer dan respect van het volk, maar oogst net als Coriolanus alleen maar haat. Toch hebben deze oorlogszuchtige mannen hun ondergang ook aan zichzelf te danken. Doordat ze zo in hun eigen mannelijkheid zwelgen, in het feit dat ze eer en dapperheid en nobiliteit voor alles stellen, raken ze alle verbintenis met gewone stervelingen kwijt. Coriolanus verafschuwt het volk zo dat het hem niet meer uitmaakt wat men van hem vindt. Zijn arrogantie blijkt wanneer hij tegen de tribunes zegt dat niet hij, Coriolanus, verbannen zal worden, maar dat hij het hele volk verbant. Het is een prachtig moment, vooral in de film, want in Coriolanus’ pathetische woorden weerklinkt de tragiek van zoveel andere ontmenselijkte ‘soldaten’ van onze tijd, niet alleen van Rambo, maar ook bijvoorbeeld van Kurtz die T.S. Eliots gedicht over de lege mannen, de mannen gemaakt van stro, op afschuwelijk mooie wijze reciteert in Francis Ford Coppola’s film Apocalypse Now.

De macho, de mannelijke soldaat die zijn lichaam geeft uit abstracte, ontwijkende motieven als loyaliteit of eer of vaderlandsliefde of homeland security – het blijft een paradox. We kunnen niet zonder, we weten dat we onze menselijkheid verliezen als we te veel of te lang meegaan in de mythe van veiligheid en vrijheid voor alles. Net als Kurtz in Cambodja of Rambo in Afghanistan creëert Coriolanus tijdens zijn verblijf bij de Volsken een cult van mannelijkheid, in voorbereiding op de finale wraakaanslag op zijn geliefde Rome. Soldaten van de Volsken zijn zo onder de indruk van de dapperheid van de Romein dat ze zich laten kaalscheren om hetzelfde uiterlijk als hij te krijgen. Dat levert in Fiennes’ film krachtige scènes op: kracht­patsers die onder de tatoeages zitten en die plaats­nemen op een kappersstoel die na afloop, wanneer het ritueel voltooid is, zelfs dient als ‘troon’ voor Coriolanus. Hij is klaar voor de strijd. En men siddert, voorop Menenius die zichzelf uit angst om het leven brengt, maar die daarvoor eerst de voltooide ontmenselijking van Coriolanus verwoordt: ‘This Martius has grown from man to dragon (…) There is no more mercy in him than there is milk in a male tiger.’

Maar dan arriveert zij: de moeder. Wat een moeder! In een speech waarin ze schittert in haar manipulatie van Coriolanus, in het inspelen op zijn zwakheden, op zijn wereldvreemde zucht naar eer, waarschuwt ze hem dat zijn overwinning op Rome tot een levenslange vloek zal leiden. Hij komt tot inkeer, maar het is te laat. Vrede met de Volsken en met Rome betekent niet dat hij zijn eigen lot kan ontspringen. Nu staat hij alleen en hij weet dat. Omringd door zijn moordenaars schreeuwt hij: ‘Alone I did it.’ Tekst die het imploderen van het zelf prachtig beschrijft. En die de outwardness van het hele stuk symboliseert. Een man die geen inzicht in zichzelf of in de wereld heeft gekregen, maar die door zijn eigen daden, zijn eigen trots en hunkering naar eer, zijn eigen ondergang heeft bewerkstelligd.

De dood van Coriolanus is glorieus, zoals het een soldaat betaamt. Een gevecht van man tot man. Met messen. Aufidius die toekijkt. Aufidius die naar eigen zeggen niet onder de indruk was van de tranen van anderen, die zijn kameraad zijn identiteit ontneemt door hem weer ‘gewoon’ Martius te noemen. Misschien is dat uit vertedering. Maar wanneer de soldaat dood ligt is hij rijp voor zijn eigen mythe die eeuwenlang zal duren. Aufidius: ‘Yet he shall have a noble memory.’