Maakt geld gelukkig?

Geld leeft! Dat blijkt wel uit de vele lezersbijdragen die na een enkele oproep bij De Groene binnenkwamen. Noodgedwongen maakten wij een selectie.
DE WELDOENER Het was heel erg koud, alle sloten en rivieren waren bevroren. En toch waren er een heleboel mensen op de been. Van heinde en ver kwamen ze allemaal naar het dorpje waar Sara woonde. Sara stond achter het raam en drukte haar neus ertegen. Zoveel mensen had ze nog nooit gezien. Al die mensen kwamen naar haar kleine onbekende dorpje! Alleen maar om dat ene te zien.

Sara had het ook wel graag willen zien maar ze mocht niet van pa. Ze moest thuis blijven en op haar broertjes passen.
Al die mensen! Hun dorp was in een klap beroemd geworden! En dat hadden ze te danken aan die ene jongeman, die opeens bezeten was geworden van oude sprookjes. Iedereen in het land kende het verhaal. Twee jaar geleden was het begonnen. Een jonge ruiter met een zwarte cape om en een bloedrood masker op zijn hoofd trok door het land, geld stelend van de rijken en het gevend aan de armen. Het was gewoon te mooi om waar te zijn.
Twee jaar lang trok hij door het land, de arme en oude mensen verlichting brengend. Tot hij op het onzalige idee was gekomen om de schatkist van de koning te stelen. De schatkist!! Toen die daad de arme mensen ter ore kwam, keken ze reikkhalzend naar hem uit. Ze zouden geld krijgen, zoveel geld dat ze misschien net zo rijk zouden worden als de rijken. Maar hij kwam niet, de ruiter hield al het geld voor zichzelf. Sara was diep teleurgesteld. Zo zie je maar weer, zei pa, geld maakt hebzuchtig. Wees maar liever arm, dan kun je geven en nemen en blijer zijn met kleine dingen. Als je arm bent, ben je veel gelukkiger. Maar hij is nu toch ook gelukkig? vroeg Sara. Wacht maar af, had pa gezegd.
En Sara had gewacht tot de ruiter gepakt werd en in haar dorpje werd terechtgesteld. Kijk eens hier, riep pa, geld maakt gelukkig, maar niet voor lang!
Opeens schoven de mensen uiteen, Sara drukte haar neus bijna door de ruit heen, daar kwam hij! Hij was nog heel erg jong, zag Sara, en hij keek heel droevig. Was maar arm gebleven, dacht Sara, dan was je hier nu niet geweest. De mensen jouwden en joelden, ze hadden een hekel aan hem. Hij had zich net zo gedragen als alle rijken, egoistisch en dom.
Sara staarde de stoet na en zuchtte, over een half uur zou hij niet meer leven. Wat zal hij een spijt hebben dat hij ooit rijk was geworden, dacht Sara. Pa had gelijk, geld maakt gelukkig, maar niet voor lang. SUZANNE SWEN, Amsterdam 9
HET SLIJK VAN WAARDE Op tweede kerstdag lag het meer onder een suikerspin van nevel. Ik verliet de weg en wandelde de dijk op, soppend door het gras. Terwijl ik een waterrat bespiedde, kreeg ik ineens een bankbiljet in het vizier. Er ging een schok door mij heen. Geld? Onbelangrijk! Daarom had ik er nooit veel van gehad. Of was het andersom? Er lagen nog twee biljetten, diverse munten en een blauwe aansteker. Ik spiedde rond. Niemand te zien. Het geld lag in de modder. De munten onder het slijk, de bankbiljetten vochtig. De aansteker deed het nog. Honderdtwintig gulden: een fortuin! Ik stak de vondst in mijn zak. Opgewonden liep ik door.
Er kwam geen eind aan de dijk. Mijn voeten versteenden. De wind sloeg bevroren spetters in mijn gezicht. Hoe prachtig het landschap ook was, ik zag alleen open haarden, koppen kofie en warme whisky. Geld genoeg maar nergens een cafe. Eindelijk een zandweg. Een rammelende Deux- chevaux stopte met gierende banden in een stofwolk. ‘Meerijden?’ De chauffeur had een bleek, gezwollen gezicht met rode wateroogjes. Hij stampte het gaspedaal bij kans door de bodem en brullend schoot het vehikel vooruit. Hij boog over mij heen naar een pakje Gitanes in het dashboardvakje. Ik rook zijn kegel: dronken. We stormden op een boom af. Hij zwenkte erlangs, schaterend. Ik zette me schrap en deed de gordel om, ondanks ’s mans honende blik.
'Vuur?’ Ik herinnerde me de aansteker. De man zoog zo heftig, dat er een vlam uit de sigaret sloeg. Ineens stond hij bovenop de rem. Met piepende banden slipte de auto de berm in. De man sprong eruit en ik herkende de dijk waar ik het geld gevonden had. Ook ik stapte uit. De man beende heen en weer, precies op de vindplaats. Hij vloekte. Hij schopte tegen een graspol.
Verrek, dat vuurtje gaf ik hem met zijn eigen aansteker! Straks drong het tot zijn dronken hoofd door… Mocht ik het geld houden? Mocht niet. Ik gaf het terug. Gaf ik het terug? Ik hield het toch. Was het niet zijn eigen schuld? Vanochtend straalbezopen het bier uitgepist. Zakdoek te voorschijn gehaald, waardoor hij alles eruit trok. Thuis gemerkt dat zijn geld weg was. Hij was heus geen brave. Type tweedehands- autohandelaar. Ik liep weg en stak mijn hand op.
'Zeg bedankt he, en tot kijk!’ Hij keek op.
'He?’ Hij wees naar zijn auto, holde achter me aan, haastte zich weer terug. Ik wandelde door en keek niet meer om. In het cafe legde ik de biljetten te drogen boven de kachel, onder het koffiekopje geklemd. Ik krabde het slijk van de munten. KOOS DIJKSTERHUIS, Groningen
ONDERBROEKEN Als geen ander weet ik wat het betekent om met weinig geld door het leven te gaan. Ik bezit geen auto, geen televisie, geen mountainbike of racefiets, geen computer (volstrekt overbodig!) - wel een tweedehands fiets en een oud versleten radiootje. Om nou te zeggen dat ik me arm voel, nee, eerder het tegendeel. Wel vergt het overleven allerlei kunstgrepen - noem het een vorm van levenskunst - dat enigszins vergemakkelijkt wordt door een f 1000-krediet. Want een passie kost namelijk veel geld: boeken. Ik koop mij arm aan boeken. Literatuur en kunst zijn de twee pijlers van mijn leven; de rest kan me gestolen worden. Doch het geldgebrek heeft soms zijn schaduwkanten. Zo lees ik in mijn dagboek, een novemberdag in 1991:
'Het is me ook wat om in Brussel te moe ten rondlopen met een oude, uiteengerafelde onderbroek (al m'n onderbroeken - de goeie zijn vuil), die tijdens ’t lopen halverwege m'n heupen komt te hangen waardoor ik eigenlijk in m'n blote kont loop, ware het niet dat ik een spijkerbroek draag. Toch geeft het werkelijk het gevoel dat iedereen tegen m'n blote reet zit aan te staren, wat je een zeer onaangename en opgelaten sensatie verschaft. Om de haverklap moet je dan met je rechterhand in je broek duiken om die onderbroek op te sjorren, wat over het algemeen van zeer kortstondige aard is. Jarretellen zouden uitkomst bieden, die je ergens aan de binnenkant van de broek zou kunnen bevestigen. Nu draag ik een andere onderbroek uit m'n collectie versleten oude onderbroeken, die evenwel niet afzakt, neen lezer, ditmaal niet, nu stulpt mijn lul zich door het grote gat aan de linkerkant van de onderbroek naar buiten, wat misschien nog wel irritanter is dan hetgeen ik hierboven beschreef. Ja, het is wat, van de ene misere in de andere.’
U ziet, het is niet allemaal rozegeur en zonneschijn! Maar arm, nee, 'gelukkig’ wel. Mijn schrijven is mijn overleven. JOHAN STEENBEEK, Lith
HET GOUDEN KALF plechtig betreed ik de twee treden van het hoogaltaar met mijzelf alleen in het heilige der heiligen ik lees toets uw pincode in even later daal ik weer af ik knipper tegen de late zon het gouden kalf dartelt door de straten WILLEM KOOPMANS, Emmen
AFGOD Ten behoeve van een goed antwoord op deze vraag mag ik misschien zo vrij zijn om het vraagteken te veranderen in een uitroepteken. Je zou kunnen zeggen dat zoiets een antwoord overbodig maakt. Maar wacht, denk even mee.
Stel dat Geld een (af)god is, concurrent van die andere zogenaamde bovennatuurlijke macht. En stel dat we langzamerhand, als gehypnotiseerd, zijn gaan geloven in een collectieve missie, een allesoverheersende opdracht, van generatie op generatie: Maakt Geld Gelukkig!
Geld als een monster. Om hem te vriend te houden moeten we alles verzamelen wat we te pakken kunnen krijgen. Ons hele wezen moeten we geven. Onze dood is niet voldoende. Alle pasgeborenen krijgen het ingeprent: Maakt Geld Gelukkig!
Arm, verstoten, onwetend, ondervoed, verminkt, onderdrukt. Toch is Geld Goed, vinden we, Geld is Machtig en wij zijn Zijn onderdanen.
Op de meest verrukte momenten zijn we een met Hem.
Maakt Geld Gelukkig en Geld zal U Gelukkig maken!
Iedereen identificeert zich met Geld. En Geld identificeert zich met iedereen. Als een dubbelganger van Alladin verdwaast Hij de geleerdste en domste. Hij bezielt misdadiger en profeet, betovert ouders, verleidt kinderen. Hij beheerst vrijwel alle menselijke problemen.
Niets ontsnapt aan Zijn onstilbare Lusten.
Wij die alles bezitten, zijn aan Hem gelijk.
Wij die niets hebben, vernederen Hem, verstoren Zijn Orde.
Wij die onszelf kapot ploeteren, vormen de prooi van Monstergod Geld omdat we Hem maar niet gelukkig kunnen maken.
Al zouden we willen, we zijn verdoemd.
Toch luidt mijn antwoord op de vraag: Voor geen geld ter wereld zou ik mijn geluk laten bepalen door een uit de klauwen gegroeid ruilmiddel, want voor niks gaat de zon op. PETER NOLAND, Antwerpen
TWEE MAGEN Mijn grootmoeder zaliger wist in ieder geval dat het gebrek aan geld zorgen baarde. Tijdens de mobilisatietijd van 1914 tot 1918, toen haar man onder de wapenen was, kreeg zij voor zichzelf en haar dochter het vorstelijke bedrag van zestig cent per dag om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij deelde dit lot met vele anderen. Zij was er spaarzaam door geworden en kon toveren met het lage loon dat mijn grootvader later verdiende. Ook in de jaren van de crisis slaagde zij erin de eindjes aan elkaar te knopen met de werklozensteun die haar man ontving. Hij was jaren werkloos, omdat hij als voorzitter van de plaatselijke meubelmakersbond weigerde onder het cao-loon te gaan werken. Laten we zeggen dat als er al sprake was van geluk, dit niet door de materie maar door het ideaal werd gevoed. Het ideaal van een sociaal rechtvaardige maatschappij voor allen.
Onze tijd is veel materialistischer. De media maken ons wijs dat we ongelukkig zijn als we alle wonderen der techniek en consumptie niet onmiddellijk in huis halen. Alle banken willen precies uitrekenen hoeveel schuld we bij hen mogen maken om zoveel mogelijk te kunnen consumeren van ge- en verbruiksgoederen. Schulden maken door middel van negatief sparen wordt ons voorgehouden als een belangrijke verworvenheid. Als je geld hebt, doe je wonderen, als je het niet hebt, is het donderen, was een uitspraak van mijn grootmoeder.
De idealen van een betere wereld zijn inmiddels tussen wal en schip van onze huidige maatschappij gevallen. De op hebzucht gebaseerde spelletjes op de televisie spreken boekdelen. Was het niet MacMillan, de Engelse conservatieve premier, die in de jaren zestig beweerde dat de meeste mensen meer willen? Wanneer dat zo is, hebben de mensen meer geld nodig dan waarover ze beschikken. In zo'n louter op bezit georienteerde samenleving maakt geld gelukkig. Dit is de impliciet verkochte waarheid.
We leven momenteel in een tijd van de individuen met twee magen en geen hart. In zo'n tijd doet de oude zegswijze der Romeinen (pecunia non olet: geldt stinkt niet) volop opgeld! ARIE SLINGER, Gouda
EEN DAG PER MAAND Reikhalzend kijk ik uit naar het einde van de maand, iedere keer weer. De laatste tien dagen ongeveer wordt het sappelen. Telkens constateer ik dat ik weer te weinig voorraad heb ingeslagen.
Bij mijn bijstandsburen en dito kennissen ga ik langs om wat te lenen, als ze dat al niet bij mij hebben gedaan. Het is een maandelijks terugkerend ritueel. Mijn vraag wekt bij hen niet eens verbazing of wrevel op.
De laatste dagen voor het verlossende geld komt, zijn het lastigst. Mijn buurvrouw komt vragen of ik koffiemelk voor haar heb. Op mijn beurt vraag ik of zij voor mij een paar koffiefilterzakjes heeft, want die zijn op. Een half pakje margarine (witmerk uiteraard!) wordt geruild tegen een paar aardappelen, maar als die op zijn, is een kopje rijst ook goed.
Als het geld 'binnen’ is, ga ik direct naar mijn eigen supermarkt (waar het zo goedkoop is en waar ik gratis zegeltjes krijg), neem een wagentje in plaats van een mandje en ga vlug langs alle schappen, mijn wagentje vullend met spullen die al twee weken op zijn. Filterzakjes niet vergeten! Ook wat lekkers meenemen. Gevulde koeken in de aanbieding? Die dan maar. Dan door naar de afdeling kattevoer, gelijk maar voor de hele maand blikken inslaan, zodat mijn kat in ieder geval niet tekort komt.
Dan vlug naar huis, uitpakken, zegeltjes inplakken en vervolgens naar de speelgoedwinkel, een cadeautje kopen voor het buurjongetje dat twee weken geleden jarig was. Geleend geld betaal ik, als het kan, direct terug.
’s Avonds schrijf ik, onder het genot van koffie en gevulde koek, betaalopdrachten uit voor mijn bank. De tandarts moet worden betaald en nu ligt er weer een rekening van het muziekblad. Zal ik de telefoonrekening ditmaal maar in twee termijnen betalen? Dan reken ik uit hoeveel ik nog heb voor de rest van de maand. De eerste van de volgende maand moet nog beginnen, maar het blijkt iedere keer weer tegen te vallen. Als ik, omgerekend, honderd gulden per week overhoud, ben ik rijk.
Op de tv zie ik in Nova’s Den Haag Vandaag dat de VVD de hoogte en duur van de uitkeringen niet onbespreekbaar vindt. Ik zie het gelaten aan en zwijg…
Maakt geld mij gelukkig?
Jawel, absoluut: een dag per maand. Verder blijft het sappelen. RENE LANGHORST, Nijmegen
GELD Omdat ik het niet verdien heb ik geen geld, blut tolt mijn hoofd, gedachten liggen erin uitgeteld als schapen in de mist. Collectebussen als kerkklokken. Geen penny, de natuur is een moeder die niet wekelijks zakgeld geeft: herfst winter lente, voorbij! Lege zakken, windschuren, mijn portefeuille, de droge gaarde van een uitgebloeide dame op stand, haar kritiek het kleingeld van wie al heeft afgerekend, alleen woorden reizen mijn pen uit, deze zinnen die alles opleveren behalve geld - ik heb dit niet verdiend WIJNAND STEEMERS, Wageningen
BELEGGEN MET KAFKA Ooit was ik schrijver. Mijn leven stond in dienst van de Cultuur. Iedereen moest dit goed weten. Zeker mijn vrouw. Ze knikte, offerde zich bijkans genadeloos op. Laten we zeggen voor 95 procent, want helemaal zeker was ze niet van mijn zaak. Toch zei ze tegen de mensen dat ik schrijver was. Eens zou ik geld verdienen met mijn pen. Ondertussen dacht ik na over de grote levensvraagstukken. Stelde mijn ervaringen op schrift. Genoot. Mijn vrouw hoefde niet zo lang meer te werken, dacht ze. Op een dag zou immers het geld komen. Maar het kwam niet.
Ik werd belegger en etaleerde mijn verborgen talenten. Cumulatief verdiende ik steeds meer. Nederland was te klein voor mij. De fax bracht mij naar Wall Street, de Filippijnen, Shanghai, Kazachstan. Vanuit mijn studeerkamer dreef ik handel met de gehele wereld. Even bellen, even faxen en de saldi op mijn rekeningen baarden navelstrengen van cijfers. Ondertussen las ik Kafka. Want hoewel ik niet meer dacht in letters, las ik ze nog wel. Ik hield zoveel van ze, voelde dat een fijnbesnaarde geest zich niet laat afschepen met cijfers op een rekening courant. Mijn vrouw wou stoppen met werken; als dit zo doorging liet ze het kostwinnerschap graag aan mij. Toen kwam er een baisse: koersen, en daarmee ik, werden de diepte in geslingerd. Daar waar het depressief donker is. Nooit zag ik geld zo snel verdampen. Waarmee het tij keerde. Mijn geest verlangde naar hogere waarden.
Ik ben weer schrijver. Ik denk niet meer aan geld. Het is mij slecht bevallen. Behalve die ene keer toen ik in het cafe zat, vele whiskys bestelde dank zij de gulle verdiensten die mij week en mild jegens alles en iedereen stemden. Een groots en meeslepend gevoel dat ik de cijfers misgunde. Stel ik nu, nu het weer goed met mij gaat en ik rustig letter aan letter koppel, families van woorden maak, naties van zinnen. Binnenkort ga ik debuteren. Een verhaal in een tijdschrift. Dan een bundel. Een literaire prijs, en nog een. Ako, Libris en de Gouden Geest Bokaal zullen mijn boeken vervolgens in gigantische oplagen doen verkopen. Ik zal niet weten waar ik al dat geld moet beleggen. Wil het ook niet weten. Ik denk en ik schrijf. Let maar op. En mijn vrouw? Die werkt nog steeds, want zelfs deze tekst is ongetwijfeld onbetaalbaar. Ik denk dat ze mij niet kwijt wil. Zeggen doet ze het niet. J.J. WASSENAAR, Den Haag
DAAROM MENEER Veertig jaar geleden had ik de keuze tussen een bloeiend bedrijf overnemen of schoolmeester worden. Ik koos het laatste, onder meer omdat ik dan alleen maar hoefde op te letten dat ik niet aan het eind van mijn salaris de maand overhield. Dat salaris werd iedere maand overgemaakt en ik stond er, zeker in het begin, iedere keer verrast naar te kijken. De man die het betreffende bedrijf wel overnam, zie ik nog wel eens; hij is rijk geworden.
Wie is de gelukkigste? En heeft dat met geld te maken? Het antwoord kreeg ik van een boer in een tropisch land waar ik een paar jaar verbleef. Hij verbouwde rijst en maandenlang zag ik hoe hij met zijn geringe gereedschap de grond te lijf ging. Hij straalde een zekere voornaamheid uit, en ook aan zijn dorpsgenoten kon ik zien dat hij respect afdwong.
Op een dag sprak ik hem aan over zijn manier van werken. Het was mij opgevallen dat hij met wat beter gereedschap veel meer winst kon maken. En ook het feit dat zijn lapjes grond ver uit elkaar lagen, riep om een oplossing. Ik sprak hem daarover aan als wij ’s middags wegkropen voor de al te grote hitte. Maar voor het eerst gaf hij alleen maar de stereotiepe wedervraag als antwoord: 'Waarom meneer?’ Een week lang gaf hij alleen dat antwoord.
Mijn argument dat hij daardoor meer geld kon verdienen en zelfs in de gelegenheid zou zijn om er nog een vrouw bij te nemen, maakte geen indruk. Ten slotte draaide hij zich naar mij toe en zei: 'Meneer, uw volk is rijk en u kunt alles kopen wat u wilt. Nu wilt u mij zover krijgen dat ik dat ook ga doen. Luister, als ik dat doe, dan moet ik de hele dag aan geld denken, dat heb ik gemerkt aan de blanke heren die hier al jaren zijn. Dat wil ik niet. Laat mij de rest van mijn leven in mijn rijstveld werken. U denkt misschien dat ik over deze dingen nog nooit heb nagedacht. Dat is niet juist, ik heb er heel veel over nagedacht.’
Hij rees overeind uit zijn gehurkte houding, begon van mij weg te lopen en toen, met een groot gevoel voor theater, draaide hij zich om en zei met een brede glimlach: 'Daarom meneer!’ A. MIZEE, Haarlem
X,Y EN Z Natuurlijk maakt geld gelukkig. Althans, we handelen ernaar. Geld maakt gelukkig, en niet gemoedsrust of onverstoorbaarheid of genot, zoals verroeste wijsgeren uit een ver verleden beweerden. Wij, leden van de (Nederlandse) gemeenschap, doen alles voor geld. We zetten onze gezondheid er voor op het spel, we spelen om geld, we drukken onze beste verworvenheden er in uit, we bedriegen anderen er voor en brengen nog weer anderen in een uitzichtloos bestaan. Soms, in extreme gevallen, zoals in de combinatie van wapenhandel en politiek, gaan bedrog en moord hand in hand terwille van het slijk der aarde. We kijken ernaar, oefenen kritiek en… profiteren.
U, ik en onze buren en vrienden, X, Y en Z dus, doen echter niet alles voor geld. En daar wringt in logische zin de schoen. Wat is er mis met X, Y en Z? Zijn ze domweg profiteurs? Hebben ze een hekel aan vuile handen?
X, Y en Z voelen zich buiten de felle jacht op geld staan, omdat ze de middelen afkeuren. De regels van het maatschappelij ke spel staan hen in dit opzicht niet aan. Ze geloven, voelen, weten en menen dat geld alleen niet gelukkig maakt en dat de wijsgeren van weleer gelijk hadden. Bij nader inzien vinden ze zelf de oplossing voor de logische frictie. Voor hen is geld een middel, voor de samenleving is geld het doel.
Om reden van het opheffen van een flinke portie barbaarsheid in onze samenleving gaat het dan ook aan om geld niet langer als praktisch doel aan te merken, maar als middel. Uiteraard is dat een taak voor X, Y en Z. Maar zij zijn al op de hoogte. Veel meer is het een taak voor onze wetgevers, wetuitvoerders en rechtsprekers. Recent zijn er van rechterlijke zijde enkele opmerkelijke uitspraken ten goede gedaan. Laten de anderen volgen. Dan kan Byrons belastingdictum als volgt worden geparafraseerd: Geld maakt gelukkig, als het maar niet te veel is. A. P. VAN DER KLOET, Rotterdam
BOEF Twee dagen voor het wekelijkse boodschappen halen, was er in onze restantvoorraad helemaal geen vlees meer en maar voor een dag groente. In mijn beurs zat f6,10. Voor geld pinnen was de automaat te ver en het weer te guur.
Ik toog naar de winkel en snuffelde daar lange tijd rond. Ik kocht zuurkool, soepgroente, kippeniertjes voor twee dagen voor de hond en de poezen, en een reclame-aanbieding van kipfilet van bijna driehonderd gram, voor mij en mijn zoon. Ik was beretrots. Bij de kassa kreeg ik een stuiver terug omdat ik niet had gerekend op afronden naar beneden. Ik kookte de niertjes, deed de helft in de etensbakjes, waar nog groentevocht bij moest. De andere helft liet ik afkoelen op het aanrecht. Ik braadde de helft van de kipfilet en legde de andere helft in de koelkast.
Een telefoontje van mijn zoon dat hij pas over een kwartier kwam eten, deed mij alle gaspitten uitdraaien en de krant pakken. Het geluid van een sprong in de keuken haalde mij terug in de huiselijke werkelijkheid. Een poes schoot langs mijn voeten. 'Dat is de dader’, mompelde ik toen ik in een flits zag dat de etensbakjes leeg waren. Van de niertjes voor morgen was er nog een stel over. Die verdeelde ik tussen de andere poes en de hond. Het enige wat ik kon doen, was de rest van de filet klaar maken voor de twee beestjes, die elk een enkel niertje hadden gehad. Weg voorraad voor morgen.
Toen ik terugliep naar de woonkamer, zag ik de snoeper lekker voldaan liggen wezen. 'Boef’, zei ik grinnikend (ze heet ook Boef), 'uitgeslapen boef!’ Ze had alleen geluid gemaakt bij het springen vanaf het aanrecht, op de grond. Niet bij het springen op het aanrecht en al helemaal niet tijdens het eten. Ik moest erom grinniken, omdat het zo stiekem was gebeurd. Ik kon erom grinniken omdat ik een dag eerder dan gepland, geld moest gaan halen. Als het echt mijn laatste geld was geweest voor die periode, zou ik het erg gevonden hebben, vooral als de extra uitgaven op het budget van de volgende maand zouden drukken.
Onbezorgd kunnen kopen wat nodig is, voorkomt veel getob en geklaag, en dus ook geruzie. En laat meer tijd over voor gelukkig zijn. TIJTIE VAN DER BOS, Leeuwarden