Maakwerk

Een middag in de tuin doet al snel denken aan het werk van Piet Mondriaan en Ad Dekkers. Kunst is meer dan verbeelding alleen.

Ad Dekkers, Reliëf met middellijnen, 1965. Synthetische verf, acrylverf op paneel, 120 x 120 cm © Foto’s Peter Cox, Eindhoven / Collectie Van Abbemuseum, Eindhoven
Mensen vragen bezorgd of ik het museum niet mis. Eigenlijk niet

Ik zat weer in het groen van onze tuin. Het trage weer was een vochtig, troebel grijs. De kleuren van wat er zo aan bloemen bloeide, waren gedempt. Ook het groen van de bomen was stil en daarom ook een donkerder groen. Ik zat te kijken naar het bewegen van de bladeren. Die bewogen heel langzaam. Er bewoog een zachte wind. Toch was er veel te zien. Als het flink waait, zijn de bladeren zo rusteloos dat het groene bewegen onnavolgbaar is. Er is dan te veel gedoe tegelijkertijd – zoals bij water als dat onrustig wordt. Maar nu het bijna windstil was zag ik twee, drie bladeren even kort naast elkaar bewegen. Een geruisloos geritsel. Het ging zo langzaam dat ik even moest wachten op de volgende beweging. Die kwam, als een pauze in muziek, toch nog onverwacht, als ineens een verdwaalde interruptie.

Zoals ik zei, er was genoeg te zien. Mensen vragen bezorgd of ik het museum niet mis. Eigenlijk niet dus. Wel mis ik bepaalde kunstwerken, zoals het schilderij van Mondriaan, Compositie in wit en zwart. Dat werk was begin jaren vijftig verworven in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Ik ben daar geboren: dus dat was ook het eerste museum met kunst waar ik geweest ben, met mijn schoolklas, toen ik een jaar of vijftien, zestien was. In samenhang daarmee, en in dezelfde lijn van helderheid, denk ik ook aan het Reliëf met middellijnen van Ad Dekkers. Toen hij dat in 1965 gemaakt had, leerde ik hem ook zelf kennen, in zijn atelier in Gorinchem. Ik ben daar vaak geweest, veel geleerd ook over kunst. Zijn rechtstreekse karakter was leerzaam en onvergetelijk. Dat weet ik nog maar zonder dat ik me alle bijzonderheden kan herinneren. Het waren wezenlijke ontmoetingen. De rechtlijnige Compositie was de eerste Mondriaan die ik ooit zag – dus niet een met rood en geel en blauw maar een karig werk, een ernstig vierkant schilderij. Het was een kunst die behoorlijk geheimzinnig was. Veel meer was er voorlopig niet van te begrijpen. Over kunstgeschiedenis werd op school niets verteld. Bij mij thuis ook niet. Maar de jonge leraar tekenen, die scholen toen nog hadden, gaf ons meeslepende opdrachten waarvan ik zeker geleerd heb, hoewel ik dat toen niet doorhad. Hij was ook kunstschilder. Het ging zo: op een tafel voor in de klas groepeerde hij een simpel stilleven van vruchten. Twee groene appels, een slanke gele peer, ovale paarse pruimen, ronde sinaasappels die oranje waren. Dat ensemble moesten wij met waskrijt gaan tekenen – maar daarbij mochten we alleen verschillende tinten blauw gebruiken. De opdracht was dus: kijk goed naar wat je ziet en zet die waarneming van vormen om in een ander kleurschema, lichte en donkere versies van blauw. Die kon je maken door vettige donkerblauwe, lichtblauwe, witte waskrijt door elkaar te wrijven en te smeren. De kleur die dan ontstond was zacht en smeuïg. Op die manier kregen wij er, al doende, begrip voor dat een waskrijttekening op blanco papier min of meer uit het niets gemaakt moest worden. De tekenleraar leerde ons dat kunst, behalve verbeelding, vooral ook maakwerk is. Veel later begreep ik wat voor fundamenteels hij ons had bijgebracht.

Piet Mondriaan, Composition en blanc et noir II, 1930. Olieverf op doek, 50,5 x 50,5 cm © Foto’s Peter Cox, Eindhoven / Collectie Van Abbemuseum, Eindhoven

Mondriaans compositie in wit en zwart zag ik voor het eerst toen de tekenleraar mij een stilleven liet maken in blauw waskrijt. Het was niet zo dat hij mij wilde leren een stilleven te tekenen. Met die oefening kreeg ik enig begrip voor hoe het met tekenen zo gaat – dat wil zeggen, eerst rustig kijken, dan wat schetsen en krabbelen, dan weer kijken, dan uitgummen en, bij nader inzien, toch veranderen waarmee je begonnen was. Je moest geduld hebben. Zo begint het, op de tast. Niet door zomaar iets na te tekenen.

Intussen wist ik nauwelijks wat ik met die Mondriaan aan moest. Maar de tekenleraar heeft mij met dat blauwe gedoe toch op weg geholpen. Op den duur leerde ik het schilderij beter kennen. Al die jaren heb ik dat schilderij met bijzondere genegenheid met me meegedragen. Ik heb er veel van geleerd. In het vertrouwde museum zag ik het in steeds wisselende omstandigheden. Zo werd het voor mij de maat der dingen. Dat zwarte lijnen een vierkant delen in vijf ongelijke rechthoeken was een figuurlijke propositie die tegelijk streng was om te maken en dromerig om te zien. De vijf hoekige figuren wit worden door de zwarte lijnen met grote tederheid vastgehouden – zoals ook dunne boombladen vederlicht in de zachte wind hangen. Het schilderij heeft geen vast middelpunt. Anders is dat in het houten, wit gemoffelde reliëf van Ad Dekkers. In dat vierkant zijn de middellijnen smalle zaagsneden in het vlak, ongeveer een halve centimeter diep. Het zijn dus lijnen van schaduw die door het midden gaan en het strakke vlak in vier congruente vierkanten verdelen. Hun buitenste omtrek is scherp gesneden. Daarentegen zijn de binnenlijnen van donkere schaduw oneindig ambivalent.