Column

Maalstroom

De drang om te creëren voelt benauwend aan. Gelukkig bestaan er alcohol en wiet.

Ik groeide op in de schaduw van een Vlaamse basiliek, in een klein katholiek dorp, ging naar school bij de nonnen, deed braaf mijn eerste en plechtige communie en dit alles onder de hoede van een moeder die haar brood verdiende als godsdienstlerares.

Evenwel. Enige eenvoudige zoek­opdrachten, uitgevoerd op de externe harde schijf van mijn computer die ALLES bevat wat ik ooit heb geschreven, leren dat ik tot op heden in mijn bescheiden oeuvre niet één keer de woorden ‘verlos ons’, ‘verlossing’. ‘verlossen’, ‘verlossend’, ‘verlos’ of ‘verlost’ heb gebruikt.

Kunnen wij hieruit concluderen dat ik mij definitief heb ontworsteld aan de wurgende mix van geboden en schuldgevoelens die mij met de paplepel werden ingegoten en aldus, gelukkig onthecht, verlost ben van het verlangen naar verlossing?

Natuurlijk niet. Ik gebruik gewoon drugs.

‘Schopenhauer dichtte kunst een grote waarde toe als brenger van een tijdelijke verlossing uit de bijna onontkoombare levensdrift waaraan mensen onderworpen zijn’, zo staat in de introductie van de aankomende aaa-serie te lezen. Dat mag dan misschien zo zijn voor hen die kunst tot zich nemen. Maar wat met de kunstenaar? Wat met haar of hem voor wie de ‘onontkoombare levensdrift’ bestaat uit de drift te creëren? Of denkt u dat het altijd een lolletje is om dingen te moeten maken? Wellicht ben ik (ten dele) met succes ontsnapt aan het geloof, maar mijn onverklaarbare drang om te creëren voelt bij tijd en wijle minstens even benauwend aan. Soms lijkt mijn hoofd een op hol geslagen machinerie die continu beelden, zinnen en gedachten blijft produceren – ook en vooral wanneer ik dat niet wil.

’s Nachts bijvoorbeeld, wanneer ik wil slapen, word ik al te vaak overvallen door wat ik de maalstroom ben gaan noemen. In bed volg ik een vast patroon. Ik begin op mijn linkerschouder en overdenk de dag. Dan draai ik me op mijn rug en fantaseer over wat ik zou willen in het leven. Ik probeer die verlangens te visualiseren, stel me voor hoe gesprekken en ontmoetingen zouden kunnen verlopen tot hetgeen waarnaar ik verlang in gedachten is verkregen. Dan draai ik me op mijn rechterschouder en val in slaap. Maar steeds vaker gebeurt het dat ik me, wanneer ik op mijn rug lig, vergaloppeer bij het inbeelden van mijn diepste wensen. Wanneer ik me op mijn rechterschouder draai, val ik niet voldaan in een gelukzalig zwart gat, maar word ik meegesleurd in een draaikolk van beelden en gedachten waartegen geen verzet mogelijk is. Ik verlies de controle over de gebeurtenissen en kan ze niet langer sturen, maar word hun speelbal en zie mezelf in de meest bizarre situaties belanden waarbij ik dingen doe en zeg die waanzinnig zijn. Wanneer ik ontwaak, heb ik het gevoel dat ik de hele nacht klaarwakker ben geweest, met de ogen dicht.

Dat komt doordat ik in mijn halfslaap vaak ook nog commentaar geef op wat ik zie en hoor. Dan gebeurt er iets idioots of onmogelijks of ik zeg iets fenomenaals en dan denk ik bij mezelf: wauw, wat zeg ik daar allemaal, dat moet ik onthouden, dat is stof voor een verhaal of misschien wel een roman! Waarna de maalstroom zich treiterig weer op gang trekt en ik opnieuw word meegevoerd, machteloos graaiend naar een briljante vondst die oplost in de spastische beeldenstorm die als een schot hagel mijn hoofd wordt ingeblazen en daar urenlang blijft rondrazen. En dat terwijl ik slááp, hè.

Je zou denken dat dit alles vanuit creatief oogpunt het een en ander moet opleveren. Maar het resultaat is dat ik uitgeput aan de dag begin en geen letter van waarde op papier krijg. Acht uur totale rust en duisternis. Af en toe zou het toch moeten kunnen.

Ondertussen kan ik het moment herkennen. Ik weet wanneer de maalstroom komt, vaak al snel nadat ik in bed ben gaan liggen. En ik weet ook hoe ik hem kan vermijden of doorbreken. Met een glas cognac en een jointje ga ik beneden op de bank zitten – het raam op een kier.

Terwijl de mix van alcohol en wiet zijn werk doet, laat ik de duisternis van het huis gewillig op mij vallen, en luister ik naar de wind die op het terras speelt met planten en drogende was. Na een tijdje sta ik op en loop bedwelmd een paar rondjes door de kamer terwijl ik de vreselijkste dingen fluister. Ik vraag me af of die woorden in de ruimte blijven hangen, of mijn geliefde zal ruiken wat ik heb gezegd, zoals ze het ruikt wanneer ik heb gerookt. Zo kom ik tot rust. Dan ga ik weer naar bed en verlies mezelf in een diepe, droomloze slaap. Verlossing. De volgende ochtend, fris als een hoentje, razen mijn vingers vrolijk over het toetsenbord.

Kortom. De ware verlossing van mijn verstikkende drang om te creëren, bestaat erin mezelf te ver­geten. En dát is dan weer, paradoxaal genoeg, de beste voedingsbodem om te kúnnen creëren. Hoe zielig het gebruik van drugs in deze ook moge klinken, uiteindelijk bent u, de kunstliefhebber, degene die daarvan profiteert – tenminste, als we Schopenhauer mogen geloven.