Maanreizen

Cyrano de Bergerac, De staten en de rijken van de zon. Vertaling Jan H. Mysjkin, uitgeverij Houtekiet, 167 blz.
In 1609 zag Galileo door zijn telescoop de maan. Het zou nog driehonderdzestig jaar duren voordat men op de televisie de eerste man op diezelfde maan kon zien lopen. In de literatuur ging dat sneller, na Galileo’s Sterreboodschapper volgde de ene maanreis na de andere: Kepler, Sorel, Burton, Wilkins, Godwin, Cyrano de Bergerac. Hoewel hun verhalen vaak tot het genre van de utopie worden gerekend, was het de auteurs in deze pionierstijd vooral om de reis te doen. Ze zetten iemand op de maan om hem eens op een andere manier naar de aarde te laten kijken. Het zijn dan ook eerder satirische dan utopische verhalen. Een eeuw later, in de Verlichting, ging het veel meer om projecties van de ideale stad. De reisverhalen zijn avontuurlijker, want men was toen nog op de fantasie aangewezen. Francis Godwin laat zijn held in Man in the Moone (1638) nog door een vlucht vogels vervoeren.

Van Savinien Cyrano de Bergerac werd twee jaar geleden De andere wereld (1650) vertaald. De held vertelt daarin van zijn maanreis. Zijn eerste poging, waarbij hij aan zijn lichaam flesjes hing, gevuld met dauw die door de zon werd verhit, bracht hem in Nieuw-Frankrijk (Canada). Bij een volgende poging maakte hij een noodlanding; nadat hij zijn kwetsuren met ossemerg had ingesmeerd, ging hij de lucht in en belandde op de maan - niet door eigen vernuft, maar dank zij het feit dat de maan als ze afneemt, merg aantrekt. De luchtreiziger meent dit echt en hij vertelt het erbij om te voorkomen dat men denkt dat het om een wonder gaat, en in wonderen gelooft een sceptisch rationalist als Cyrano absoluut niet.
Zo bevindt de verteller zich op zijn volgende reis, ditmaal naar de zon, onder een boom van edelstenen. Voor zijn ogen ziet hij een granaatappel, bestaande uit robijnen, veranderen in een duimgroot mensdiertje dat met hem in de oertaal converseert. Vervolgens voegen alle elementen van de wonderboom zich aaneen tot een schitterende jongeman. Na nog zo'n paar demonstraties zegt het wezen: ‘Op de wereld van de aarde worden we “geesten” genoemd. Zo noemen jullie ons vanwege jullie aanmatigende domheid, waardoor jullie je geen perfecter schepselen kunnen voorstellen dan de mens (…) Maar vergis je niet, we zijn dieren zoals jullie.’ En dan komt weer de sleutelzin: 'Luister, ik zal je uitleggen hoe al die metamorfosen, die je evenveel wonderen toeschijnen, slechts puur natuurkundige oorzaken kennen.’ Komisch voor ons, latere lezers, is dat die fysische verklaring nog wonderbaarlijker is dan het vermeende wonder. Cyrano is bekender om zijn hoofdrol in een toneelstuk van Edmond Rostand uit 1897 en het bekendst nog om Depardieus neus in de gelijknamige film, maar in zijn eigen tijd was hij al een levende legende en als schrijver beroemd om zijn verhalen over de maan en de zon, nog voordat de boeken gedrukt werden (in 1657 en 1662). Hoezeer ze ook een mengsel waren van wetenschappelijke ernst, fantasterij en satire, onschuldig waren ze niet helemaal. Het tweede boek, De staten en de rijken van de zon, door de dood van de auteur in 1655 onvoltooid gebleven, begint met de aankomst van de verteller in Toulon, terug van zijn maanreis. Als hij zijn verhaal geschreven heeft, levert hem dat meteen een aanklacht wegens tovenarij op. Zijn nieuwe reis, nu naar de zon, is alleen maar een uit de hand gelopen ontsnapping met behulp van een kristallen kruik die hij in elkaar heeft geknutseld. Doordat er veel minder in wordt gefilosofeerd, is het een aantrekkelijker boek dan dat van de maanreis.
Jammer dat Campanella hem op het laatst niet meer met zijn vriend Descartes in de Geleerdenrepubliek heeft kunnen laten kennismaken. Maar hij heeft dan al genoeg wonderlijke, maar wetenschappelijk verklaarbare avonturen beleefd. Ook dat boek is nu door Jan H. Mysjkin vertaald en van een uitvoerig voorwoord en noten voorzien.