Historicus Ian Kershaw

‘Maar’

‘Vreedzamer, welvarender, vrijer’, ze typeren het moderne Europa volgens historicus Kershaw. En dan volgt een grote Maar. Want al die verworvenheden ten spijt, misschien is ‘onveiligheid’ wel de essentie van dit tijdperk.

‘De afdaling in de hel eindigde op positieve toon’, schrijft Ian Kershaw aan het begin van het tweede deel van zijn omvangrijke, meer dan 1300 pagina’s dikke geschiedenis van Europa tussen 1914 en 2017. ‘Toen Europa tussen 1945 en 1949 de ramp van twee wereldoorlogen te boven kwam, waren de tekenen van een betere toekomst duidelijk zichtbaar… Het slotstuk van dit boek [over onze tijd] is ambivalenter – zeker wat de toekomst van Europa op de lange termijn betreft.’

Ik waag dit te betwijfelen. Om twee redenen. De ene is een historische. Als Kershaw in plaats van over de jaren 1945-1949 hetzelfde gezegd zou hebben over 1954, 1955 of 1956 zou hij volgens mij gelijk hebben. Maar zo kort na de oorlog was het, zeker wat betreft de landen waarvan ik de geschiedenis het best ken (Nederland en Spanje), zo ver nog niet. De puinhopen van twee oorlogen en een burgeroorlog waren nog niet geruimd, materieel noch mentaal. Anno 1949 was somberheid troef. Maar dat is niet de enige reden dat Kershaw’s inschatting van het verschil tussen 1949 en 2017 twijfelachtig is. Een tweede is van meer filosofische aard: de tijdgenoot is blind; bijna elke (moderne) tijd is, om het met een boektitel van mijn onlangs overleden leermeester Hermann von der Dunk te zeggen, ‘overgangstijd’ en wordt als zodanig ook ervaren – als ambivalent, onduidelijk en onveilig. In 1949 gold dat voor de mensen die toen leefden, tegenwoordig geldt dat voor degenen die nu leven. Vandaar ook de fraaie, hoewel apocriefe anekdote die sinds lang over Mao de ronde doet: dat hij op de vraag wat hij van de Franse Revolutie dacht, geantwoord zou hebben dat het volgens hem nog te vroeg was daarover te oordelen.

In-/uitgang van een schuilkelder, Texas, 1965 © Shel Hershorn / Getty Images

Oordelen over de eigen tijd doet Kershaw wel. Voortdurend zelfs. Hij kan niet anders, het kan niet anders. Hoe graag ze ook objectief wil zijn, geschiedschrijving staat of valt met visie. Zonder visie is zij weinig meer dan een bak vol snippers. Daar heeft niemand wat aan.

Een visie op het tijdperk van de twee wereldoorlogen, onderwerp van het eerste deel van dit tweeluik (De afdaling in de hel: Europa 1914-1949), is niet al te ingewikkeld. Althans, ze is zo algemeen aanvaard dat het bijna onmogelijk is met iets origineels te komen. Je kunt steggelen over jaartallen, je kunt van mening verschillen over details, vele klemtonen zijn mogelijk, maar het is zo goed als uitgesloten niet de vernietiging van mensen en materie centraal te stellen. Vandaar ook het kernwoord in de titel van het eerste deel van dit tweeluik: hel. Europa ging bijna ten onder.

‘Het verhaal over Europa sinds 1950 was als een rit in een achtbaan’

Hoe anders het tijdperk dat na de Tweede Wereldoorlog begon. Het kent niet één maar verschillende centrale noties – wat een analyse meteen al ingewikkelder maakt. Om te beginnen was er gedurende meer dan de helft van de tijd (1949-1989) van Europa in zowel de traditionele als de huidige betekenis van het begrip geen sprake. Het continent was immers verdeeld, tussen oost en west. Vervolgens kende dit verdeelde Europa in tegenstelling tot de daaraan voorafgaande periode voortdurend vrede – een bizarre vrede, een zwaarbewapende vrede ook, maar toch, vrede. Het was pas het einde van de Europese verdeeldheid dan wel de val van de Muur waardoor een deel van het continent opnieuw in oorlog kwam. Opmerkelijk verder, notie drie, is dat de bevolking van het westelijk deel van Europa een ongekende en tot op heden ook ongeëvenaarde welvaartsstijging meemaakte. Nooit waren c.q. zijn zoveel mensen in zo’n groot deel van de wereld zo rijk (geweest) als de West-Europeanen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Bij deze rijkdom zijn vele kanttekeningen te plaatsen, maar het zijn wel kanttekeningen. Die rijkdom is de essentie.

Iets dergelijks zou je, notie nummer vier, kunnen zeggen over de huidige vrijheid en een daarmee gepaard verschijnsel als het modern individualisme. Vandaar een van Kershaw’s belangrijkste conclusies, geschreven na meer dan zeshonderd pagina’s dichte tekst: ‘Door de snelle en ingrijpende veranderingen van de laatste zeventig jaar is het huidige Europa vreedzamer, welvarender en vrijer dan het in zijn lange geschiedenis ooit is geweest. Maar…’

Het is dit ‘maar’ dat van dit boek de kern uitmaakt – en verklaart waarom het niet een beetje maar veel ingewikkelder is dan het eerste deel. In het voorwoord van dat deel schreef Kershaw dat geen boek hem zoveel moeite had gekost als dit. In het voorwoord van dit tweede deel komt hij hierop terug en zegt dat het schrijven van het tweede deel hem nog moeilijker viel, ‘zowel qua interpretatie als qua compositie. Dat komt vooral omdat de Europese geschiedenis tussen 1950 en het heden geen overheersend thema kent… [Het] is eerder een verhaal over draaien en wendingen, hoogte- en dieptepunten, voorbijgaande veranderingen en grote, steeds snellere transformatie. Het verhaal over Europa sinds 1950 was als een rit in een achtbaan, inclusief spanning en angst. Ik wil laten zien hoe en waarom Europa in deze decennia van de ene tijd van grote onveiligheid in de andere terechtkwam.’

Met dit laatste begrip heeft Kershaw bovenstaande relativering, het ‘maar’ dat tegenover alle positieve verworvenheden staat, van een etiket voorzien: onveiligheid. Dit etiket staat zowel in de titel van de proloog (‘Twee periodes van onveiligheid voor Europa’) als in die van de epiloog (‘Een nieuwe periode van onveiligheid’). Met de voorbije onveiligheid van de afgelopen zeventig jaar doelt Kershaw op de Koude Oorlog, in het bijzonder op de voortdurende dreiging van een kernoorlog. Met de huidige onveiligheid doelt hij in de eerste plaats op de vele veranderingen ten gevolge van de globalisering, eveneens een kernbegrip in dit boek. Globalisering heeft voordelen, stelt Kershaw. Maar ook nadelen. ‘Ze heeft bijvoorbeeld geleid – en leidt nog steeds – tot massale milieuschade, een groeiende kloof tussen rijk en arm, toegenomen (grotendeels onbeheersbare) massa-immigratie en verlies van arbeidsplaatsen door automatisering als gevolg van technologische ontwikkeling.’ Als Kershaw zich gedwongen voelt te kiezen tussen een positieve en een negatieve conclusie naar aanleiding van die globalisering neigt hij naar het laatste. ‘Er staan ons ernstige problemen te wachten’, luidt de laatste zin van de proloog dan ook. De epiloog is slechts een haartje positiever en herhaalt wat onder meer Zygmunt Bauman twintig jaar geleden ook al beweerde: dat de enige zekerheid van de moderniteit onzekerheid is. ‘Onveiligheid zal altijd een kenmerk zijn van het moderne leven’, schrijft Kershaw.

Sir Ian Kershaw – ‘Er staan ons ernstige problemen te wachten’

Inderdaad. Maar juist omdat het zo evident is ben ik het toch niet eens met de sombere conclusie die hij op basis hiervan trekt. Want onveiligheid is niet zozeer een kenmerk van het moderne leven, ze is een kenmerk van alle leven, van heel de geschiedenis, van elke tijd. De huidige onzekerheid is een andere dan die van voorheen. Ze is in eerste instantie mentaal terwijl de aloude onzekerheid vooral fysiek en materieel was. Het is goed denkbaar dat zich binnen afzienbare tijd bij de huidige mentale onzekerheid (wie ben ik, waar hoor ik, wat wil ik?) een nieuwe materiële onzekerheid voegt – wat betreft het milieu bijvoorbeeld of het terrorisme, de arbeidsmarkt, economie – maar zo ver is het volgens mij nog niet. In vergelijking met de onzekerheid waarin het overgrote deel van de Europese bevolking in het tijdperk van de wereldoorlogen of daarvoor leefde, is de huidige onzekerheid eerder een aspect dan de essentie. Het verbaast me zeer dat de biograaf van Hitler dit besef niet tot kernpunt van zijn boek heeft gemaakt. We leven in onzekere, onveilige tijden. Inderdaad. Maar dat is altijd zo geweest. Juist wat dat betreft is onze tijd onderscheidend: voor de meeste Europeanen is het leven nu veiliger en zekerder dan ooit. Eventueel mag je hier de woordjes ‘nog wel’ aan toevoegen. Maar die veranderen niets aan het feit. Dat kun je, ondanks alles, volgens mij niet zo somber kwalificeren als Kershaw doet.