‘maar de benen namen mij’

Shel Silverstein, Ik val omhoog. Uitg. De Fontein, 178 blz., Ÿ 29,90 ..LE Po‰zie is voor schrijvers vaak een ernstige aangelegenheid, maar niet voor de populaire Amerikaanse kinderdichter Shel Silverstein. Al bijna twintig jaar dicht hij er vrolijk op los, waarbij hij zijn eigen verzen voorziet van karikaturale, ongegeneerd slordige tekeningen. Die zorgen voor bedrijvigheid op de vele plaatsen waar de pagina’s anders keurig wit zouden blijven. Bovendien zijn ze voor het begrip van de tekst nogal eens onmisbaar. Zo kijkt een allerbraafst meisje bij het oversteken altijd links en rechts, maar nooit omhoog. Einde vers, maar wij zien wat zij niet ziet: van zeven hoog komt een enorme brandkast naar beneden suizen.

Na Licht op zolder en Het randje van de wereld verscheen zojuist een nieuwe bundel in vertaling, met een titel die weinig gewoons belooft: Ik val omhoog. De honderdvierenveertig gedichten vari‰ren van twee regels bij een zoet meisje in een Flintstones-vliegtuig bovenop een berg zand - ‘Ik heb een vliegmachien van steen/ Ik ga het liefst nooit ergens heen’ - tot een hilarische navertelling van het Pinokkioverhaal. 'Pinokkio, Pinokkio/ Dat kleine galgebrokkio/ Mijn reukorgaan voelt anders aan/ Sprak hij, wanneer ik jokkio.’
Terugkerend is het verhalende nonsensvers - 'Lizzy van Lopik gaf dinsdag een schreeuw/ Als een tien jaar getreiterde dierentuinleeuw’ -, meestal voorzien van een verrassende pointe. De dichter kan vilein zijn als wijlen Roald Dahl, en solidair met zijn lezers als het vroegere Schrijverskollektief: 'Kies ook voor ei/ Dan merk je na een teidje/ Je voelt je vrei/ De juf is blei, want spelling wordt een eitje!’ Silversteins grootste pret echter is het spel met de taal, waar hij zich bijvoorbeeld vastbijt in de letterlijke betekenis van uitdrukkingen en gezegden. Bij ontbijt op bed gniffelt hij: 'Het ei ligt op je laken/ De ham ligt op je sloop/ En aan je voeteneinde/ Een boterham met stroop.’ En een misdadig vers over een bioscoopje pikken, een rel schoppen en harten stelen begint zo: 'Laatst wou ik de benen nemen, maar de benen namen mij.’
Dit is geen boek om achterelkaar uit te lezen, want dan dreigen meligheid en gewildheid de lol te bederven, maar met mate is Silverstein onweerstaanbaar grappig, vooral ook wanneer hij onder zijn grappen een mooie gedachte verstopt. Zo onthult hij dat de ooievaar eigenlijk aan recycling doet. Oudjes vliegt hij terug 'naar de fabriek waar ze geknutseld zijn’. Er liggen nieuwe botten en spieren klaar en met een strijkbout worden hun rimpels gladgestreken.
'Ook wast men hun geheugen daar/ Ze krimpen vliegensvlug/ En daarna brengt de ooievaar/ Ze weer als kind terug.’
Het moet een helse klus zijn om een zo grillig en woordspelig dichter in een andere taal recht te doen. Er is dan ook een collectief van zeven vertalers in de weer geweest, onder wie de oude rotten op het gebied van de light verse Jan Boerstoel en Ivo de Wijs. Omdat de Engelse tekst mij ontbreekt, kan ik alleen vaststellen dat sommige zinnen hinderlijk hobbelen, maar dat de meeste verzen het effect hebben dat Silverstein bedoeld moet hebben: plezier krijgen in de onbegrensde mogelijkheden van de taal.