Eilandranden

Maar goed dat we geen kinderen hebben

Ruth van Rossum
Eilandranden (Windroosreeks)
Holland, 32 blz., € 5,95

Twee weken geleden schreef ik in dit blad over Ruth van Rossum, van wie ik een gedicht tegenkwam in de door Henk van Zuiden samengestelde bloemlezing uit de Windroosreeks, een serie dichtbundels die al sinds de jaren vijftig verschijnt. Van Rossum kende ik niet, maar haar gedicht Zomernacht op de Ritselaardijk (‘ik was verbijsterd om/ hoe ik de aarde leven voelde en mezelf daarin geborgen wist’) trof me, zo ondervond ik, veel meer dan bijvoorbeeld de vroege poëzie van Hans Andreus, bij wiens werk ik tot mijn schrik in slaap bleek te dommelen. Vanzelfsprekend liep na het verschijnen van mijn stuk mijn inbox vol met mailtjes van Andreus-fetisjisten die, zo je dat in een e-mail kunt doen, met hun vinger naar hun voorhoofd wezen en aandrongen op een knieval richting de oude meester.

Maar getroffen word je nu eenmaal niet door de naam die onder het gedicht staat, maar door het gedicht zelf. Reputation is a 10 letter word.

Ik schreef in mijn bespreking ook dat vorig jaar de debuutbundel van Van Rossum verschenen is, getiteld Eilandranden. Op die bundel heb ik inmiddels de hand weten te leggen. Niet elk gedicht bracht me zo van m’n voetstuk als de nachtelijke wandeltocht over de Ritselaardijk, maar duidelijk is wel dat Ruth van Rossum gedichten schrijft die nog niet eerder geschreven zijn. Dat bedoel ik natuurlijk niet letterlijk, dat zou een zakje zout behoevend statement zijn. Wat ik bedoel is dat ze een volstrekt eigen geluid de wereld in weet te jassen, een tamelijk klassieke taal maar niet bepaald lyrisch, het schuurt vaak tegen het emotioneel betamelijke aan en het toont durf zonder zichzelf op de borst te kloppen of harde woorden te bezigen. Van Rossum schenkt ons implosies.

Ze kan bijvoorbeeld schrijven over een vrouw die een miskraam heeft gekregen, terwijl ze op hetzelfde moment in controle weet te blijven over de woordopeenvolgingen en de literatuur weet te laten winnen van het leed. Want een miskraam is een afschuwelijk drama dat harten uit de voegen slaat, maar op het moment dat je er een gedicht over publiceert gelden andere wetten.

‘Geen/ afgewogen kaarten sloegen neer als bommen/ her en der’, schrijft de dichter in een tweeluik getiteld Geen schaduw. Een moeder van een miskraam wordt sterkte toegewenst, maar het ongeboren kind heeft naam noch nering en om nu een rouwproces te wijden aan iemand die nog helemaal niet bestaan heeft, is toch wat veel van het goede, lijkt de buitenwacht de optekenaar toe te werpen.

Er was geen plechtigheid waarbij men

rond te kleine kist. Geen kamertje van nachtadem

viel er te ruimen dan in eigen hoofd.

Verderop in het gedicht wordt het onbehouwener:

Ik heb niet als een beest

geschreeuwd, ik trok me niet in grondhol terug

om huid te scheuren tot daar bloedde ook van

buiten, liet alles intact.

Het is bijna niet goed, de dichter durft spitsroeden te lopen en alles op het spel te zetten om een tot op het bot bezurende mededeling te doen. De slotregel van dit gedicht zal moeten volgen (‘ook ik draag in/ mijn hart een kind dat niet meer is. Nooit was’), maar die vind ik niet excelleren als ik het taalminnend beschouw. Ik ben meer geraakt door dat kamertje van nachtadem. Dat steekt er diep in, door zijn implicietheid. Het verkleinwoord van kamer wordt ondraaglijk. Je ziet een voormalige studiekamer voor je, waar een jong stel de belastingaangifte placht te versturen en msn’de met oude studiegenoten. De computer verhuisde naar de slaapkamer, waarna de Andy Warhol-zeefdruk stuivertje wisselde met een Beertje Colargol-tafereel. Een verhuizing die later weer ongedaan werd gemaakt.

Pas echt op stoom raakt Van Rossum als ze over de miskraam schrijft door middel van een omtrekkende beweging, in het gedicht Regen.

Het begon met iets kleins: de taxi die meer

vroeg dan in de gids vermeld. We spraken

de taal niet, de rit was gereden en je moet niet

achteraf nog eens willen onderhandelen.

Het was vakantie en wat maakte het ook uit.

Toch naknaag. Waarom doen mensen zo?

Daardoor moest ik weer denken aan dat hotel

in Brussel. Het vechtende stel op een hogere

verdieping, hun machteloze schreeuwen,

omvallend meubilair. We belden de politie.

En de dagen erna? Nog zie ik haar uit het raam

hangen in haar kleine onderbroekje.

Toen je ’s avonds zei: het is maar goed dat we

geen kinderen hebben sloeg in doffe stilte

de stuw uit zijn voegen, we ontvluchtten

de eetzaal en op de parkeerplaats – de stenen

glinsterend in onverschillige regen – hield het

niet meer op, het niet kunnen begrijpen.

Dit gedicht is afgemeten, in de eerste strofe wordt de tijd geslomoot, in de tweede lijkt er gekwebbeld te worden maar in de derde strofe volgt een indrukwekkende omslag. Het naknagen, de vrouw die uit het raam hangt in ‘haar kleine onderbroekje’, de stuw die uit de voegen slaat, de regen die ‘onverschillig’ zijn ding doet en de verwijdering na de samenbeleving. Mooi ook dat de eetzaal wordt ontvlucht, alsof iets het beschreven jonge stel op de hielen zit. Van Rossum wil niemand nadoen en durft te falen, wat niet gelukt is. Want ze heeft een krachtige, eigenzinnige debuutbundel geschreven. Dat is niet onopgemerkt gebleven.