Popmuziek: Leonard Cohen

Maar ik noemde het nooit kunst

Leonard Cohen © Kezban Özcan / Sony Music

Het einde van het leven van Leonard Cohen lijkt sterk op dat van Johnny Cash. Beide mannen waren de laatste jaren van hun leven nog zeer productief. In 2003 overleed Cash, 71 jaar oud. Hij bleek nog zoveel muziek met producer Rick Rubin te hebben opgenomen, dat er alsnog twee American-albums verschenen, én My Mother’s Hymn Book, met gospelnummers die hij als kind van zijn moeder leerde. Het laatste werk van Cash was zeer ingetogen, kaal, en paste volmaakt bij de stem die hij inmiddels had: diep, doorleefd, en met te weinig kracht en volume om nog werkelijk te zingen, maar met zoveel karakter dat hij een fantastische vertéller was geworden.

Dat laatste geldt exact voor Leonard Cohen, die in 2012 en 2014 nog twee van zijn allerbeste albums uitbracht, en in 2012 tijdens twee onvergetelijke avonden een uitverkocht Olympisch Stadion inpakte met een even gracieuze als overdonderende charme. Een gekrompen man, maar met levendige pretogen. En toen kwam er, drie weken voor zijn overlijden, nóg een album: You Want It Darker, van inmiddels een tachtiger, die een voorschot nam op zijn einde (‘I’m ready, my Lord’), en bij wie (ook hier net als bij Cash) zijn – door het volledige oeuvre aanwezige – religieuze beleving nog verder leek te zijn ingesleten in zijn ziel.

Maar ook Cohen blijkt te hebben doorgeschreven, werkelijk tot de laatste snik, en zijn laatste negen nummers ook te hebben opgenomen. Basaal: alleen stem en een gitaar. Zijn zoon Adam Cohen ging op Cohens uitdrukkelijke verzoek aan de slag met het vervolmaken van arrangementen en produceerde het album, en hij riep de hulp in van muzikanten die met Cohen hebben samengewerkt (Daniel Lanois) of schatplichtig aan hem zijn (onder anderen Patrick Watson, Beck, Damien Rice en leden van Death Cab for Cutie en Arcade Fire). Er is hoorbaar veel werk en liefde gestoken in de juiste omlijsting van Cohens stem, uiteindelijk drie jaar lang. Het moest een lévend album worden, was de opdracht. Soms vielen er nog zwierige nummers van te maken, soms leent Cohens voordracht zich meer voor spoken word met muziek, zoals in afsluiter ‘Listen To The Hummingbird’.

Maar ook in de rijker gearrangeerde nummers, waar de credits wel twintig muzikanten melden, eist de stem van Cohen alle aandacht op. Zijn stem, en zijn poëzie vol zelfkennis. Soms mild in zelfspot. ‘I was always working steady/ But I never called it art/ I got my shit together/ Meeting Christ and reading Marx.’ Soms minder mild, in de evaluatie van zijn liefdesleven: ‘We played a stunning couple, but I never liked the part’.

In ‘Puppets’, ronduit een gedicht van een nummer, toont hij nog een keer zijn engagement, maar wat meer raakt zijn toch de momenten van introspectie: ‘I can’t leave my house/ Or answer the phone/ For going down again/ But I’m not alone.’

Het titelnummer is het hoogtepunt, en het best denkbare afscheid van Cohen, die het leven bezingt en bedankt. ‘Thanks for the dance/ It was hell, it was swell/ It was fun.’


Leonard Cohen – Thanks for the Dance