‘maar jij hebt allemaal stekeltjes’

Iedereen kent haar liedjes, haar versjes, haar musicals, haar televisieseries. Dus wat geeft het dat zij nooit een Echte Roman schreef? Waarom zou Annie M. G. Schmidt in ‘s hemelsnaam in de Grote Literatuur moeten worden bijgezet?
A. Roland Holst had al in 1950 of daaromtrent groot gelijk. Hij dichtte een pastiche op Annie M. G. Schmidts lievelingsschaap en tegelijk op zichzelf: 'Nee, zei het Schaap Veronica - aan mijn lijf geen groot dichter -/ Geen dichter, groot of niet groot, aan mijn wollig lijf - o nee!/ Ik hou het bij mijn dichteres, die maakt mijn leven lichter -/ Wat moet ik met zijn Eeuwen, en zijn Meeuwen, en zijn Zee!?’

De laatste tien jaar heeft Annie Schmidt gelukkig alle eer gehad die zij verdiende, maar er ontstond ook een onzinnige discussie. Waarom kreeg zij de P. C. Hooftprijs niet of een andere grote literaire onderscheiding? Waarom wordt haar werk niet overal als Echte Literatuur erkend? Is zij door de literaire kritiek wel serieus genoeg genomen als schrijfster?
Zij liet zich die klachten vriendelijk en een beetje wazig aanleunen, maar ik weet eigenlijk niet of zij er blij mee was. Ze impliceren immers dat het niet genoeg is honderden sprankelende versjes voor kinderen, prachtige liedjes, vlijmscherpe musicals en spannende kinderboeken te schrijven. Nee, om echt mee te tellen moet je Grote Literatuur scheppen en als zodanig worden erkend.
Ik behoor tot de gezegende generatie die weliswaar als klein kind even de oorlog door moest, maar daarna vanaf het eerste begin met het werk van Annie Schmidt kon meegroeien. De versjes in Het Parool vanaf 1947 heb ik gespeld, uitgeknipt en eindeloos op zaterdagochtenden voorgedragen op de Montessorischool. Al heel vroeg in de jaren vijftig deed ik een vriendelijk soort feminisme op door haar stukjes op de pagina ‘Voor de vrouw, maar voor haar niet alleen…’
Natuurlijk was ik jarenlang elke maandagavond aan de radio gekluisterd voor de Familie Doorsnee. De liedjes die Wim Sonneveld van haar zong imiteerden we bij het kampvuur of in de auto. En later, vanaf de jaren zeventig, kwamen haar musicals en moest ik de onstellende ontdekking doen dat, dwars tegen alles in wat het toenmalig Kultureel Front over strijdcultuur beweerde, intelligent politiek theater ook heel erg leuk en razend populair kan zijn.
Waarom zou zo'n oeuvre plotseling tot Literair moeten worden omgedoopt om naar waarde te kunnen worden geschat? Alsof de musical niet een volwaardige kunstvorm kan zijn en kindergedichten geen waarde in zichzelf hebben! Bij alle eer en complimenten houd je toch het gevoel dat iets wat leuk wordt gevonden, niet waardevol kan zijn.
Kees Fens schreef afgelopen maandag een prachtig stukje over Annie M. G. Schmidt in de Volkskrant, waarin hij haar vergelijkt met haar eigen schepping Het Fluitketeltje, dat maar fluit en fluit en fluit, dwars tegen de pan met andijvie en de deftige braadpan met lapjes en zjuu in. Zij kon ook niet meer ophouden, zegt Fens, net als dat fluitketeltje in het eerste gedichtje van haar eerste bundel met kinderversjes.
Mijzelf is het laatste versje uit dat boek nog liever: Stekelvarkentjes wiegelied, waarin een stekelvarkenmoeder, die wel erg veel van de schrijfster zelf heeft, zingt voor haar stekelvarkenbaby: 'Suja suja Prikkeltje, daar buiten schijnt de maan,/ je bent een stekelvarkentje, maar trek het je niet aan,/ je bent een stekelvarkentje, dat heb je al begrepen./ De leeuwen hebben manen en de tijgers hebben strepen/ en onze tante eekhoorn heeft een roje wollen staart,/ maar jij hebt allemaal stekeltjes en dat is zoveel waard.’
Ook Annie Schmidt had haar eigen stekeltjes. Zij hoefde niet met de manen of de strepen van anderen te pronken. Zij had de groene en blauwe veren van de papegaai niet nodig en zelfs niet de klauwen van de beren of de hele lange nek van onze oom giraffe - want zij had 'allemaal stekeltjes en dat is ook niet gek’.
Die stekeltjes zette zij ook op als zij voor kinderen schreef. Haar laatste kinderboekje, Jorrie en Snorrie, het kinderboekenweekgeschenk in 1990, is door de kritiek nogal afgedaan, maar ik vond het een uiterst spannend boekje, waarin de deftigheid van politici, een griezelige dictator met een snor, een nog veel griezeliger terrorist, ook met een snor, het boerenprotest en het onbegrip van bureaucraten op de korrel worden genomen. Hoofdpersonen zijn een klein meisje en een jonge conducteur, ook met een snor, en een hele mand met stekelvarkentjes. Als dat geen loflied op stekeligheden is!
In haar musicals heeft zij bijna alles wat van belang is aan de orde gesteld: de onmogelijkheid goed te doen met je geld in Pingping; hoe ieder van ons gemakkelijk een moordenaar kan worden in De dader heeft het gedaan; hoe modieus feminisme de emancipatie om zeep helpt in Madam; het niet willen zien dat er oorlog en fascisme dreigt in Foxtrot; hoe we de wereld met beton en verrotting vernietigen en niemand daar iets tegen doet in Wat een planeet; en of we nu wel zo gelukkig zijn met een carriere en een braaf huwelijk in En nu naar bed. Die musicals behoren tot het beste wat er in Nederland is geschreven. Net als My Fair Lady kunnen ze zo weer worden opgevoerd zonder iets aan betekenis te missen. Sterker: ze geven nu een tijdsbeeld en krijgen daardoor een extra dimensie.
Want dat is het rare van het werk van Annie Schmidt: juist omdat het zo concreet en tijdgebonden is, lijkt het niet te verouderen. We accepteren de brave jaren- vijftigwereld van de dames Groen en het Schaap Veronica, het kolenfornuis, het glaasje grenadine en het Stoutekinderenhuis maar al te graag. Het is ook echt niet zo dat er alleen maar opstandige kinderen in de versjes voorkomen die stout zijn en 'bil’ roepen. De versjes zouden dan net zo onverdraaglijk zijn als die van negentiende-eeuwse dominees. Het verrassende is juist dat er altijd een conflict is en je nooit weet wie het wint. De arme Sebastiaan bijvoorbeeld, de spin die met zoveel gezonde ambitie het gezeur van zijn soortgenoten trotseert, wordt wreed opgeveegd.
Het werk van Annie M. G. Schmidt is nog spring- en springlevend. We missen een schat van een vrouw, die als je iets serieus over haar schreef, bijna altijd reageerde met een klein briefje of een Jip en Janneke-kaart. Die als geen ander geinteresseerd was in kritiek en eventueel bereid een tekst aan te passen of zelfs weg te gooien als die kritiek steekhoudend was. Ze zal ons nu als een Beppie uit die televisieserie vanuit de hemel bekijken en af en toe hopelijk raad geven.
Haar zoon Flip van Duyn heeft haar stekeltjes en haar humor geerfd. Hij zat tot nu toe een beetje in de schaduw van zijn moeder. 'Maar jij hebt allemaal stekeltjes, die komen nog te pas.’