Maar ondertussen

Toen F. Springer in 1962 zijn debuut Met stille trom voltooide, over ‘gekissebis tussen bestuursambtenaren, zendelingen, en nog wat rare vogels’ in Nederlands Nieuw-Guinea, dorst hij het niet uit te geven. Nu verschijnt de roman alsnog.

F. Springer, Met stille trom, € 19,95

Vijftig jaar geleden vertrok Nederland uit Nederlands Nieuw-Guinea en nam Indonesië het land over. Afgelopen 5 april riep onafhankelijkheids­beweging Komite Nasional Papua Barat de bevolking op om in traditionele kleding naar hoofdstad Jayapura (het voormalige Hollandia) op te trekken. Er waren een paar beelden op de Nederlandse televisie van een hardhandig neergeslagen optocht. Gauw maar weer de andere kant op kijken, want we moeten Indonesië te vriend houden. Benny Wenda, Papoea-leider in ballingschap, was even in Nederland om de zaak van de Papoea’s opnieuw aan te kaarten. De Papoea-bevolking wordt sinds de overdracht in 1962 ernstig onderdrukt, mensen verdwijnen of worden geïnterneerd, er is geen sprake van democratie of iets wat daar op lijkt. Op steun hier hoeft hij niet te rekenen.

Geen gek moment dus om het echte debuut van F. Springer (pseudoniem van Carel Jan Schneider 1932-2011), dat hij in 1962 vlak voor de al geplande uitgave terugtrok, alsnog uit te geven. In het voorwoord, hij schreef het vlak voor zijn dood, geeft hij een verklaring voor zijn plotselinge koudwatervrees. Hij vreesde voor zijn verdere loopbaan en hij vond het ineens niet meer dan ‘het luchtig schetsen van enig lokaal gekissebis tussen bestuursambtenaren, zendelingen, en nog wat rare vogels, en een enkele blote krijger met peniskoker en pijl-en-boog voor de couleur locale’. Typisch Springer-proza: ironisch, wegwerpend, afwerend, verontschuldigend en zeer precies. Bovendien leek het hem niet netjes zijn voormalige collega’s die zich zouden kunnen herkennen belachelijk te maken. Ook al kenmerkend voor deze schrijver: niet anderen de schuld geven, nooit rancuneuze jijbakken tot je werk toelaten. Altijd in jezelf wroeten, jezelf op de pijnbank leggen en anderen zoveel mogelijk met rust laten.

Toen hij de tekst herlas, ‘bijna een mensen­leven later’, verbaasde hij zich erover dat hij destijds voor publicatie terugdeinsde. ‘Ik had juist toen de kans moeten grijpen om het publiek te laten weten hoe wij op onze onooglijke bestuurspostjes verbeten onze plicht tegenover de aan ons toevertrouwde Papoea’s bleven doen, al hadden de grote buitenwereld en ook het moederland ons allang opgegeven.’ Hier komt na vijftig jaar nog steeds de verbittering omhoog over hoe Nederland destijds met zijn neus op de politieke feiten werd gedrukt. Wegwezen uit Nieuw-­Guinea, niks zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s. Weg met het kolonialisme. ‘De aan ons toevertrouwde Papoea’s’, staat er, alsof het om een kostbaar doosje met juwelen ging. Nu klinkt het potsierlijk, Springer wist dit best, daarom gebruikte hij dit beeld, maar toen was het werkelijk het beleid van Nederland. De Papoea moest gereed gemaakt voor de eigen onafhankelijkheid en daarbij had hij Nederland nodig.

En in Nieuw-Guinea geloofden de Nederlandse bestuurders het ook nog. In zijn vroege werk (Bericht uit Hollandia (1962), Schimmen rond de Parula (1966)) liet Springer zowel geestig, indringend als tragisch zien tot welke absurditeiten dit allemaal leidde. De bizarre concurrentiestrijd tussen zendelingen en missionarissen rond zieltjeswinnerij van de lokale bevolking en de wanhoop van bestuursambtenaren om er dan toch maar iets van te maken. Dit alles neergezet tegen de achtergrond van de hopeloze armoede en de trotse weerbarstigheid van de Papoea’s die Springer altijd met enige verbaasde bewondering beschrijft. En ook Met stille trom, deze oertekst van Springer, ondergraaft op fraai getoonzette wijze de Nederlandse officiële politiek. Blijven geloven in illusies, net zo lang tot het te laat is. Het lijkt wel literatuur!

Op driekwart van het boek vindt een discussie plaats tussen Cabell, een op hol geslagen antropoloog, die voor de instandhouding pleit van de oude Zakari-gebruiken, inclusief moordpartijen en verkrachtingen, en Van Maenen, de resident van Bergland, die de Nederlandse politiek verdedigt. ‘“Wij kunnen niet anders”, zei Van Maenen nog. “Dit is onze roeping. Deze eeuw eist van ons dat wij onze verworvenheden aan de achtergebleven volken doorgeven. Dit eist de historische ontwikkeling van ons.” Hij zweeg en knipte met de vingers naar Balthasar. Die droeg een glas bier aan. Even stilte. Van Maenen dronk. Zou hij zelf alles geloven wat hij gezegd heeft, vroeg Dekker zich af.’ Het zit ’m in deze bijzondere scène niet in dat gezwets van Van Maenen, die verderop overigens geen al te slechte rol krijgt toebedeeld. Het zit ’m in de vanzelfsprekendheid waarmee hier het kolonialisme is afgebeeld. Het knippen met de vingers van deze hoge functionaris en de onderdanige, gekerstende Papoea-bediende Balthasar die zich haast het bier te brengen. Je kunt eroverheen lezen als je niet oplet, Springer weet wat voortreffelijk schrijven is, maar als je het ziet is er geen houden meer aan. Dan zie je in stijl en organisatie van dit verhaal de tegenspraak tussen geloof in illusies en de daar haaks op staande realiteiten dwars door de geschiedenis heen steken. Mooi is dat Dekker, de ‘held’ van het verhaal, in zijn hart ondanks alles toch min of meer gelooft in de Nederlandse beleidsillusies, al twijfelt hij wel. Hij neemt het regelmatig voor de officiële functionarissen op. Dit geeft dit boek een mooie, bittere en dubbelzinnige lading.

Alles was nu eenmaal vanzelfsprekend voor de Nederlandse bestuurders op Nieuw-Guinea. Springer was vroeger zo’n bestuurder, maar hij weigert in deze roman achteraf volledig afstand te nemen, dat is hem zijn eer te na. Dat is iets voor de geschiedschrijvers. Romanschrijvers weten wel beter. Hij en zijn collega’s geloofden in het beleid, dat wil hij hun en zichzelf niet afnemen, maar tegelijkertijd laat hij in taal en toon van zijn boek zien dat ze wisten, ze zagen het gewoon, ze voelden het, dat alles in tegenspraak was met wat ze geloofden. En Springer slaagde erin deze tegenspraak, die aarzelt tussen solidariteit en kritiek, kort na zijn repatriëring naar Nederland haarscherp te verwoorden. Dit is een politieke roman van grote klasse!

Springer hield dramatiek en grote woorden ook in zijn latere werk altijd op een afstand, dat was zijn schrijverscredo. Geen gewijs naar schuldigen, geen geween en gejammer. Zelfmedelijden is iets voor de anderen. Maar ondertussen. Tussen de vaak luchtig geschreven zinnen door loeren bij hem de verschrikkingen, de illusies en de vernederingen van mensen. Hij is er een documentalist van, geen betweter, hij is geen boodschapper van de goden die de mensheid op hun plaats willen zetten.

Schrijfkunst was bij Springer een zoektocht naar de juiste toon. En als hij die vond, en vaak genoeg deed hij dat, dan kreeg zijn werk een intensiteit die je maar zelden in de Nederlandse literatuur tegenkomt. Zijn grondhouding bij het schrijven kwam voort uit een uitermate zwartgallig wereld- en mensbeeld, kenmerkend voor de visie van de naoorlogse intelligentsia, waartegen hij zijn personages zich teweer laat stellen. Het gaat erom cynisme zo lang mogelijk op een afstand te houden. Zijn personages verkeren altijd op de rand van de wanhoop. Ze jagen illusies na (Quissama (1985) en Sterremeer (1990)), ze houden vast aan verloren geliefden die bij een nieuwe ontmoeting altijd teleurstellen (Tabee, New York (1974), Kandy (1998)) of ze zijn niet in staat de politieke en maatschappelijke werkelijkheid goed in te schatten (De gladde paal van de macht (1969) en Teheran, een zwanenzang (1991)). Tegen beter weten in verlangen ze naar zuiverheid, naar eenheid, naar wat verloren is gegaan.

Omdat je met dit soort grote woorden nu eenmaal geen mooie romans bij elkaar schrijft, zocht Springer het altijd in omwegen, in verzwijgen en in emotionele geremdheid. En dus is ironie in zijn werk de stijlfiguur waar het om draait. Zijn pen is automatisch op zoek naar deze figuur, die alles relativeert, die de lezer op een afstand houdt, die de schouders ophaalt, die een beetje grijnst, die alle boosaardigheden aanvaardbaar maakt, die de zwaarte verlicht, die grote woorden direct met banaliteiten in verband brengt en die recht probeert te praten wat krom is. Ironie maakt verschrikkingen aanvaardbaar. Allemaal een kwestie van zelfbescherming.

Ironie is overigens de belangrijkste stijl­figuur in verreweg de meeste naoorlogse Nederlandse literatuur en nu nog. Bij Hermans en Mulisch zie je die minder terug in de literaire stijl die eerder naturalistisch of symbolistisch van grondtoon is. Maar wel in hun romanopzet die typisch ironisch is: goede bedoelingen van de personages komen niet van de grond of gaan ten onder in misverstanden. Springers literaire stijl moge dan gekleurd zijn door ironie, zijn verhaalopzet is eerder romantisch dan ironisch, daarmee sluit hij zich meer aan bij een traditie van schrijvers van voor de Tweede Wereldoorlog. Het gaat bij hem altijd om half gemankeerde figuren die zich in deze wereld niet op hun gemak voelen en zich daartegen tevergeefs proberen te wapenen.

Wat dit betreft voelde hij zich thuis bij romantici als de door hem zeer bewonderde Scott Fitzgerald en Guy de Maupassant. En vooral bij Somerset Maugham, de grote Engelse verhalenverteller van het Engelse kolonialisme, wiens Collected Short Stories (vier delen) op alle schrijfscholen verplicht moet worden gesteld. In het ‘Vooraf’ bij De verhalen (2007) noemt Springer hem terecht ‘mijn leermeester’. Hij las ergens bij hem dat hij zijn verhalen altijd baseerde op het bedenken van een ‘character’, de ‘story’ kwam dan vanzelf en hij begreep ineens dat hij zelf ook zo opereerde. Je kunt dit mooi zien in zijn latere, grotere romans als Quissama, Bougainville (1981) en Teheran, een zwanezang. Maar Springer was zeker geen imitator van Somerset Maugham. Deze werkte vaak met een buitenstaander die het verhaal vertelt van iemand die hij ontmoet of meemaakt, zonder dat hij zelf betrokken raakt. Dat geeft aan zijn verhalen, hoe goed ze ook zijn geschreven, iets vrijblijvends. Iets van aapjes kijken. Bij Springer gaat het in beginsel vaak ook om een buitenstaander die min of meer toevallig kennismaakt met een interessant figuur, maar hij maakt van die buitenstaander altijd een betrokkene met eigen drijfveren. Ook het cynisme waar Somerset Maugham zich ongegeneerd aan overgeeft is bij Springer sterk verzacht, ingebed in humor en een verzachte vorm van melancholie en sentimentaliteit. Maar de grondtoon van beider werk is van een alles verpletterende somberheid.

Ironie bedreigt ieder schrijverschap, vooral schrijvers als Springer die het van hun toon moeten hebben. Voor je het weet loop je vast in opgelegde gein of in neerbuigendheid over de figuren die je beschrijft. Of je wilt te nadrukkelijk bewijzen dat iedereen op de wereld gek of gestoord is, behalve de schrijver van het boek die alles doorziet en over de juiste interpretatie van de wereld beschikt. Die god is in het diepst van zijn gedachten. Je zal Nederlandse schrijvers de kost moeten geven die moeiteloos in dit soort valkuilen trappen. Wie met ironie werkt moet er steeds keihard voor strijden deze stilistische ingreep tot een vriend te maken die je af en toe streng moet toespreken wanneer hij weer te leuk of te betweterig uit de hoek dreigt te komen. Ook Springer slaagde hier niet altijd in. In Teheran, een zwanezang lukte het niet goed, de toon zwikte, het werd te leuk, te vlot, te veel oude-jongens-krentenbrood, ondanks de zwaarte van het verhaal (rondom de Khomeini-revolutie in Iran). Misschien ook omdat de roman zo dik uitviel, Springer moest het nu eenmaal hebben van uitgebalanceerd, helder proza, hier werd het te veel uitgesponnen.

Maar ik ga er niet te lang over klagen. Wanneer alles lukte, zoals in Met stille trom, en in veel ander werk, in Quissama bijvoorbeeld, of in Tabee New York, of in Bandoeng-Bandung (1993), of zeker ook in zijn laatste bestseller Quadriga (ik merk dat ik zo ongeveer al zijn romans nu begin op te noemen) dan is dit werk, dat ik de afgelopen weken met toenemende bewondering las en las en las, van grote kracht en van een stille, verlangende schoonheid. Kandy spant wat mij betreft de kroon. Hier komt het allemaal verblindend mooi bij elkaar. De repatriëring van een jongen uit het naoorlogse Indië naar Nederland. De verbijsterende willekeur van autoriteiten, de trouw aan ouders, de eerste verliefdheid, de schuldgevoelens, alles bij elkaar gezet in een groots verband. Misschien is ‘repatriëring’ de beslissende metafoor van dit schrijverschap, hij komt vaak in zijn werk voor. De terugtocht, de heimwee, de illusies erover. Mensen die hun land of hun illusies of hun verlangens moeten afzweren en altijd hopen naar het oorspronkelijke te mogen terugkeren. En dan eindelijk thuis te zijn. Voorgoed gerepatrieerd.