Maar waar gaat het om

Robert Anker
Nieuw-Lelievelt
Querido, 253 blz., € 18,95

In Nieuw-Lelievelt volgt Robert Anker het leven van Wies Bouwmeester, geboren in 1930, telg uit een bekende acteursfamilie. Haar vader is aannemer. Ik geef toe dat ik hier even bleef haken. Een aannemer die ‘Bouwmeester’ heet, ik mag er natuurlijk niet al te lang bij stil blijven staan, ik ken het getob over namen van romanpersonages, maar toch: je kunt ook een andere naam bedenken. Misschien doet het er gewoon niet toe, verderop werkt de schrijver niet meer opvallend met dit type symbolische namen, al komt er wel een foute projectontwikkelaar voor die ‘Stadtmeijer’ heet. Ik ging erop letten, niets aan te doen. Namen als typeringen, het is verleidelijk voor een schrijver eraan mee te doen en bij de een vinden we leuk wat bij de ander dus niet mag. De namen Pennewip en Laps vinden liefhebbers van Multatuli altijd enorm geestig en dan zou Bouwmeester van mij niet mogen? Wie weet wilde Anker alleen zijn ambitie met dit boek benadrukken: hij probeert een breed beeld te geven van maatschappelijke verhoudingen, toegespitst op een paar individuen, vooral architecten en bouwmeesters, die deze verhoudingen moeten symboliseren. Wies’ vader bouwt in ieder geval een mooi bedrijf op, al zitten daar allerlei haken en ogen aan die iets te maken hebben met de oorlog, met joodse onderduikers. Heeft haar vader ze verraden of zit het toch anders in elkaar? Deze vraag stuurt in belangrijke mate een van de verhaallijnen, al wordt het allemaal geen drama waarin een oorlogsverleden wordt blootgelegd en becommentarieerd. Het ging de schrijver om iets anders, om maatschappelijke beelden, om ambities en illusies van na de oorlog. Om bouwen, en wat er met mensen gebeurt die bouwen, aan symboliek geen gebrek bij deze ambitieuze schrijver. Hij volgt zijn heldin tijdens haar puberteit, haar studie – ze doet bouwkunde in Delft –, haar liefdesleven en de ontwikkeling van haar ideeën en laat af en toe haar familie nog opduiken. Ze raakt betrokken bij allerlei actuele zaken: de Bijlmer, de vrouwenstrijd, de inrichting van Nederland, de Hongaarse opstand, ontwikkelingswerk en nog veel meer. Met op het einde een mooie brand waarin alles volkomen terecht ondergaat.

Anker laat zijn verhaal voortdurend becommentariëren door een bemoeizuchtige commentator die alles ziet, uitlegt en becommentarieert. Hij kruipt regelmatig in de huid van de personages, laat Wies’ vader bijvoorbeeld denken: ‘Hij heeft het hem weer geflikt.’ Legt Wies en haar vriendinnen allerlei aandoenlijke teksten in de mond (‘hij keek haar heel mal aan’) en weet precies dat een paar muzikanten van een harmonieorkest een stemmige ouverture besluiten ‘met een capriccio dat soms te springerig is voor de boerenvingers maar op de been wordt gehouden door een moppig pompende baslijn van de tuba’. Deze commentator ziet dus alles, weet alles en hij deelt de lakens uit. En hij oordeelt ook, hij weet wanneer iets moppig is of mal of aandoenlijk of boertig. Hij is de poppenspeler die alle touwtjes in handen heeft. Dit systeem heeft voordelen, je hoeft bijvoorbeeld als lezer (en als schrijver) niet de hele tijd in één kop te zitten, je gebruikt hem om het blikveld van de lezer en van jezelf als schrijver te verruimen. Je kunt via hem afstand nemen van je personages.

Maar er zijn ook nadelen en Anker is er volgens mij niet in geslaagd die in een voordeel om te zetten. Zijn commentator houdt ervan het verhaal te begeleiden met allerlei verlekkerde beschrijvingen van interieurs, feesten, woonwijken, koloniale gebieden, Brabantse bruiloften, natuurtaferelen, zonder dat duidelijk is wat dat allemaal met zijn Wies te maken heeft. Beschrijven om het beschrijven. Het is de vraag of hij haar wel interessant genoeg vindt, hij relativeert er geweldig op los, steeds meer begint deze commentator zichzelf op de voorgrond te plaatsen en wordt Wies een marionet. Hij geeft bijvoorbeeld van Wies’ jeugd een nogal Joop ter Heul-achtig beeld van tuttige meisjes, die tuttige en overigens ook best grappige belevenissen beleven en daar dan verder tuttig op reageren. ‘We hebben een club opgericht! Hij heet “De Lettergreepclub” omdat al onze namen één lettergreep tellen: Kit, Til, Fie, Lot en ik zei de gek.’ Anker kent deze stijl op zijn duimpje en rekt hem via zijn commentator lange tijd verlekkerd op, maar hij lijkt te vergeten dat hij hiermee ook aangeeft geen al te hoge pet van Wies op te hebben. Hij geeft haar geen obsessie mee, geen dwang, geen verwoestende blik. Alleen een paar angstige gevoelens over het verleden van haar vader. Het zal allemaal wel, begon ik steeds vaker te denken wanneer ik weer een beschrijving voor de kiezen kreeg. Mooi geschreven, dat wel, maar wat dan nog?

De commentator gaat te veel in zichzelf op, hij geniet van zichzelf, hij hanteert allerlei stijlregisters, van impressionisme tot expressionisme en pointillisme en laat zien dat hij dit alles voortreffelijk beheerst. Maar waartoe? Hij geeft vaak, te vaak en te uitvoerig, niet erg prikkelende exposés over allerlei maatschappelijke, filosofische, bouwkundige kwesties die tussen 1960 en heden een rol speelden en in de culturele bijlagen werden besproken, maar je krijgt zelden het gevoel dat dit alles op een dwingende manier met Wies verbonden is. Het lijkt of de commentator liever essays had geschreven, of de politiek was ingegaan, dan dat hij zich om Wies bekommert. Ik zat erbij en keek ernaar. Tja, zo zijn de mensen, zo gaat het, en we worden allemaal oud. Op pagina 96 wist ik nog steeds niet wat nu precies de noodzaak was om deze roman te schrijven, afgezien dan van de demonstratie van verschillende schrijfstijlen. ‘Maar waar gaat het om’, schreef ik daar en ook elders wanhopig in de kantlijn. En deze vraag bleef voortdurend in me opkomen.