Maart

Het is dit jaar erger dan vorig jaar, met Het Rijmpje. De weersomstandigheden blijven dan ook aanleiding geven: het ene moment zit er een onmiskenbaar vleugje voorjaar in de lucht en kun je het witbier al bijna proeven, het andere moment snijdt een gure wind dwars door je optimistische jasje. De lente bungelt als een wortel voor onze neus en we sjokken hoopvol voort, maar steeds als we toe willen happen blijkt dat er niets is om de tanden in te zetten.

We worden er massaal ongedurig van. Ik zie het aan de vermoeide gezichten op straat, aan de tegenzin waarmee dassen worden omgeknoopt of handschoenen uit een tas gevist. Maar ondertussen lijkt het een record te worden, wat Het Rijmpje betreft. U weet wel wat ik bedoel. Het is dat zinnetje dat ook in uw geheugen opgeslagen ligt als u aan het woord ‘maart’ denkt. Waarschijnlijk ligt het opgeslagen bij de reclameslogans, waar het voor eeuwig zal blijven. (Zo las ik ooit op een etalageruit: ‘Wat de meeste mensen willen, is een zaak vol mooie brillen.’ Nooit meer uit mijn hoofd gegaan.) Dat is het venijn van het rijm, uiteraard: dat zet zich in je vast. En nu is het dus maart. De kans is groot dat iemand langs de neus weg opmerkt dat het weer zo veranderlijk is. ‘Gisteren was het zo lekker zacht en nu is het zo koud.’ U wilt het dan natuurlijk niet denken maar u denkt het natuurlijk tóch. En anders is er altijd wel iemand die het gewoon schaamteloos zegt. Men steekt elkaar aan. Tijdens weerpraatjes bij de bushalte of in een gesprekje bij de koffie­automaat. In de rij voor de kassa. Op televisie. Op het schoolplein. Zelfs thuis! Ik ben heus waar een vredelievend mens, maar als je een partner hebt die Het Rijmpje in de mond neemt, tja. Als de lente nu maar doorzet en de hele boel duchtig in bloei krijgt, dan zijn we er hopelijk gauw van af. Mocht dat niet het geval zijn, dan staat ons nog iets veel ergers te wachten. April. O, de horreur.