Maarten Asscher vervolgt debat over literatuurgeschiedenis

Maarten AsscherAimez-vous Brems? Of: de student met de lege ogen

Het lijkt ondoenlijk literatuur te vangen in een logisch-chronologische ordening. Aan studenten zal zo’n literatuurgeschiedenis in ieder geval niet besteed zijn, zo betoogde hoogleraar Thomas Vaessens. In reactie op hem verklaarde criticus Arnold Heumakers dat er een fundamentelere verandering gaande is, die ons hele begrip van kunst en literatuur op losse schroeven zet. Het neemt niet weg dat er ondertussen wél een kersverse literatuurgeschiedenis is verschenen. Maar waarom lijkt die meer op het werk van een boekhouder dan van een historicus? Vervolg van een polemiek.

Er waart een sprookje door literatuurwetenschappelijk Nederland. Het kon de afgelopen tijd meermalen worden opgetekend uit de mond van de recent benoemde hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA Thomas Vaessens. Om te beginnen vertelde hij het in het eerste nummer van Literatuur [De Groene Amsterdammer]. Vervolgens herhaalde hij het in een opiniestuk in NRC Handelsblad en in interviews. Tijdens een debatavond in De Balie in Amsterdam kwam het opnieuw ter sprake: het sprookje over de student met de lege ogen.
In het kort komt het erop neer dat volgens Vaessens hedendaagse studenten door technologische, maatschappelijke en onderwijspolitieke ontwikkelingen niet meer vatbaar zijn voor het traditionele academisch literatuuronderwijs. Tegenover de «lege ogen» waarmee studenten de universitaire docent aankijken als hij zijn literatuurwetenschappelijke inzichten tracht over te brengen, kan de hooggeleerde, aldus Vaessens, niet anders doen dan zijn traditionele, ja verouderde gezagsinstrumentarium laten zakken om zich open te stellen voor het revolutionair nieuwe, totaal andere culturele wereldbeeld van waaruit deze studenten teksten, media en eigentijdse communicatiecultuur beleven.

Men zou deze beroepshouding van een literatuurdocent het perfecte tegendeel kunnen noemen van wat in het Amerikaanse politieke jargon het leerstuk van de «pre-emptive strike» is gaan heten: in plaats van toe te slaan voordat hij in verlegenheid kan worden gebracht, capituleert de hoogleraar reeds op het moment dat de chattende, sms’ende, webloggende studenten de collegezaal betreden. Het verhaal van de lege ogen is Vaessens dan ook op pittige reacties komen te staan van al dan niet hooggeleerde opponenten als Maarten Doorman en Michaël Zeeman.

Vaessens gaat zelfs nog een stap verder, zoals hij onder meer ook tijdens het genoemde slaa-debat deed, door te beweren dat de culturele desintegratie die de kloof tussen de literatuurwetenschap en het studentenpubliek veroorzaakt er ook voor verantwoordelijk is dat er helemaal geen traditionele literatuurgeschiedenis meer valt te schrijven. Immers, aldus Vaessens, in een literaire cultuur die gefragmenteerd is, ongrijpbaar en meervoudig, valt onmogelijk nog een ordening aan te brengen, zoals de nationale literatuurgeschiedenis dat in de afgelopen eeuw heeft kunnen doen. De canon, de vertrouwde sextant op de reis over deze woelige baren, verwijst Vaessens daarbij categorisch naar de afvalbak met historische instrumenten: niet meer van deze tijd.

In het tweede nummer van Literatuur [De Groene Amsterdammer] neemt ook Arnold Heumakers het tegen Vaessens op. Hij pakt Vaessens stevig aan. Heumakers komt met een veel fundamentelere benadering die de hele notie van literatuurwetenschap en literaire geschiedschrijving in ons postromantische tijdperk problematiseert. Wat wij op dit moment meemaken, aldus Heumakers, is «verwarring en onzekerheid» en «een permanent gevoel van crisis» die de schone kunsten en letteren al een aantal jaren teisteren. Ons begrip van kunst en literatuur is volgens Heumakers zodanig op losse schroeven gezet dat wij als het ware slaapwandelaars zijn geworden met een gerede kans om «onderweg onze kop te stoten».

Wat Arnold Heumakers met zijn welluidende analyse lijkt te doen is aan de student met de lege ogen en aan de wanhopige literatuurhoogleraar samen een groot cadeau overhandigen, om ze te troosten. Het zit in prachtig cultuurhistorisch en kunsttheoretisch cadeaupapier verpakt. Maar als het cadeau wordt geopend, blijken er precies die vraagstukken in te zitten waardoor ze juist in moeilijkheden zijn geraakt. Helaas zonder zelfs maar een begin van de bijbehorende antwoorden. Want waaruit bestaat nu die paradigmawisseling? En wat voor fundamentele veranderingen maken wij precies mee? Zijn die inderdaad van een volstrekt andere orde dan wat er aan het eind van de negentiende eeuw of in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw in historisch en cultureel opzicht aan onbegrijpelijks gebeurde?

Op deze wijze wordt het sprookje van Vaessens tot een dramatische tragedie over een hele tak van wetenschap (de literatuur- en cultuurgeschiedenis) die niet met lege ogen maar met een mond vol tanden lijkt te staan. Dat kan de bedoeling niet zijn, ook niet van Vaessens of Heumakers. Beiden hebben dat – elk op eigen wijze – in hun poëziekritische respectievelijk cultuurhistorische publicaties laten zien. Maar vanwaar dan toch die desoriëntatie, dat wanhopige onvermogen, die crisisbevangenheid van deze docenten-cultuurwetenschappers, oog in oog met de veelheid en de volheid van de literaire en kunstzinnige productie van onze eigen tijd?

Iemand die recentelijk geprobeerd heeft die veelheid en volheid op het terrein van de moderne Nederlandstalige literatuur in één boek samen te brengen, is de Vlaamse literatuurwetenschapper Hugo Brems. Het door hem in opdracht van de Nederlandse Taalunie geschreven Deel 7 van een grote nieuwe literatuurgeschiedenis van onze taal, getiteld Altijd weer die vogels die nesten beginnen, wordt in hetzelfde tweede nummer van Literatuur [De Groene Amsterdammer] door Sander Bax een «verpletterend boek» genoemd. Bax prijst vooral Brems’ keuze voor een «zo groot mogelijke objectiviteit» en noemt het «een helder en leesbaar overzicht» en «een staalkaart van de eigentijdse Neerlandistiek».

Tegen zoveel loftuitingen is het lastig om beleefd te blijven wanneer men, zoals ik, na lezing van hetzelfde boek tot een diametraal tegenovergestelde conclusie is gekomen. Brems’ objectiviteit, zijn drang om alles even aan te stippen, zijn onvermogen en/of onwil om voorkeuren, schakeringen, hiërarchieën aan te brengen in de enorme hoeveelheid namen en teksten die hij een plaatsje in zijn staalkaart wenste te geven, getuigen mijns inziens van plichtsverzuim. Een historicus is geen boekhouder die beroepshalve streeft naar sluitende compleetheid. Integendeel: wie niemand durft over te slaan, kan maar weinigen voldoende recht doen. Het laat zich slecht voorstellen dat literatuurstudenten al dan niet met lege ogen door deze nieuwe «staalkaart» van de moderne Nederlandstalige letterkunde tot nader begrip van en een gedreven belangstelling voor de rijkdom en diepgang van (onze) literatuur zullen worden gebracht. In dat opzicht heeft Vaessens misschien meer gelijk met zijn wantrouwen jegens de heersende traditie van literatuurgeschiedschrijving in ons taalgebied dan hem tot dusverre is gegund.

Ironisch genoeg lijkt de weigering van Brems om als schrijver met behulp van de door Heumakers terecht geëiste «waarde, kwaliteit en erkenning» voldoende reliëf in de hem toevertrouwde materie aan te brengen – door mij hierboven een geval van plichtsverzuim genoemd – juist voort te komen uit een te grote plichtsbetrachting jegens de Nederlandse Taalunie als zijn opdrachtgever. Die overkoepelende cultuurpolitieke instelling, die met deze opdracht de hoogste eer bewijst aan het misverstand dat alle Vlaamse en alle Nederlandse schrijvers en literaire teksten eo ipso meer met elkaar dan met de rest van de wereld te maken hebben, heeft Brems voor de onmogelijkheid geplaatst om zijn horizon internationaler te trekken, zijn keuzes als schrijver en als lezer persoonlijker uit te werken, en aldus zijn boek waarlijk betekenisvol te maken.

Of kon Brems juist prima leven met deze beperkingen? Tijdens het eerdergenoemde debat in De Balie, waar Brems zelf ook aan het woord kwam, sprak hij over het «relatief gesloten geheel van de Nederlandstalige literatuur», wat mij voor onze letterkunde van de afgelopen decennia in toenemende mate een onhoudbare kwalificatie lijkt. Enerzijds verdedigde Brems de gekozen opzet van zijn boek door te verwijzen naar de hem verleende opdracht, anderzijds beweerde hij desgevraagd dat hij, ware hij bij het schrijven geheel vrij geweest in zijn keuzes, precies hetzelfde boek geschreven zou hebben. Het eerste is moeilijk te billijken in het geval van een auteur die immers ook een eigen wetenschappelijke verantwoording heeft af te leggen, het tweede is nauwelijks voor te stellen. Waarom zou je anders, om maar één voorbeeld te noemen, twee volkomen uiteenlopende hedendaagse schrijvers als Peter Verhelst en Marcel Möring samen op één bladzijde behandelen, met de suggestie dat zij – aan beide zijden van de grens die hun twee Taalunie-landen met elkaar verbindt – iets voor elkaar te betekenen hebben? Dat de een in 1957 en de ander in 1962 is geboren en dat beiden proza in de Nederlandse taal schrijven is de enige basis waarop Brems enkele korte algemene kanttekeningen bij hun werk plaatst, die op geen enkele manier verraden waarom hun beider werk het opmerken laat staan het lezen zo buitengewoon waard is.

Waar ik als niet literatuurwetenschappelijk geschoolde lezer behoefte aan zou hebben en waar ik als student – zelfs (of juist) met lege ogen – voor zou tekenen is een literatuurwetenschap die mij leert wat een tekst tot literatuur maakt, hoe dat literaire gehalte zich manifesteert, welke culturele, historische en maatschappelijke factoren daarbij een rol spelen en welke literaire werken en auteurs om welke redenen mogen gelden als de belangrijkste voor hun eigen tijd en voor die van mij. Daartoe is gewenst dat literatuurdocenten op basis van de primaire teksten, die dan ook door hun studenten gelezen moeten zijn of worden, met overtuigingskracht en een zekere presentatiekunst hun gerijpte inzichten weten over te brengen.

Aan het slot van zijn Diëslezing dit jaar, uitgesproken op 9 januari 2006, stelde de rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam Paul van der Heijden: «College geven is theater maken.» Die vergelijking spreekt aan, juist vanwege het professionele element in het maken van theater. Je hoeft bij het maken van dat theater jezelf niet te veranderen in iemand die je niet bent, maar je moet je rol wel zo spelen dat je je publiek overtuigt en in beroering brengt. Anders gezegd: je hoeft – zoals kennelijk voor Vaessens geldt – in je «heart of hearts» niet in zoiets ontastbaars als een canon te geloven, als je hem maar niet verloochent oog in oog met de eerstejaars die je geacht wordt ervoor te enthousiasmeren. Je mag best – zoals Heumakers doet – twijfelen aan de interpreteerbaarheid van de kunsten en de letteren in je eigen verwarde tijd, maar ten overstaan van je studenten en je lezers zul je alle moeite van de wereld moeten doen om ze te betrekken in je pogingen er toch een bevattelijk beeld van te geven. En al is het nog zo lastig – zoals Hugo Brems bij het schrijven van zijn boek ondervond – om te ontsnappen aan de egalitaire en nationalistische tendens in de Vlaams-Nederlandse taalpolitiek, je moet als (literatuur)historicus toch markante keuzes durven maken en wijdere verbanden durven aanbrengen om leesbaar voor nu en waardevol voor later te zijn.

Te lang lijkt de bremsiaanse Neerlandistiek zich opgesloten te hebben in wat Vaessens in ander verband een «autonoom subveld» pleegt te noemen. Dat «subveld» is onderhand geslonken tot het formaat van een zandbak, terwijl daarbuiten de letteren in Nederland, in Vlaanderen en vooral ook in andere literaire culturen waarmee onze literatuur verband houdt, een grenzeloze dynamiek ten toon spreiden.

Tegenover de officiële Nederlands-Vlaamse literatuurgeschiedenis van Brems is volop ruimte voor andere («witte») literatuurgeschiedenissen. Wie durft? En anders zullen we moeten wachten op die ene student met de lege ogen die zo meteen in zijn tweede of derde jaar van zijn hoogleraar de smaak te pakken krijgt en na zijn afstuderen besluit te promoveren en een gooi te doen naar een hoogleraarschap in de Nederlandse letterkunde, om vervolgens een literatuurgeschiedenis van onze tijd te schrijven die even complex, veelvormig en gelaagd is als onze huidige dichtkunst, onze romanliteratuur en onze essayistiek.

* Maarten Asscher is jurist, boekhandelaar en schrijver. Op 17 februari leidde hij «Het ultieme literatuurdebat» in De Balie