Maarten ‘t hart

‘EIGENLIJK WAS IK het allerliefst kerkorganist geworden. Maar in mijn jeugd was muziekles ondenkbaar. Ik kon alle psalmen spelen, dat vonden mijn ouders genoeg. Al het andere was maar werelds vermaak. En ik zou er geen droog brood mee verdienen. Daar heb ik wel pijn over, dat ik niet vanaf mijn vierde les heb gehad. Maar ik heb ook altijd beseft dat je als musicus ontzettend goed moet zijn om het te redden. De concurrentie is zo groot, iedereen speelt dezelfde stukken, anders dan in de literatuur, waarin iedere schrijver een ander boek schrijft. Echt moeilijk heb ik het er nooit mee gehad. Dat zou alleen het geval zijn als ik wist dat ik een heel goede organist had kunnen worden. Ik heb nog steeds pianoles, dus ik weet inmiddels wat ik wel en niet kan. Ik zou een middelmatig organist zijn geworden.

Met schrijven ben ik begonnen in militaire dienst. Ik was op een laboratorium geplaatst om met ratten te werken, maar er was eigenlijk niks voor me te doen. Om toch de indruk te wekken dat ik hard aan het werk was, begon ik een roman te schrijven. Dat was al een ambitie vanaf mijn vroegste jeugd, maar ja, ik was opgevoed met het idee dat je toch iets in de wereld moest doen, een baan moest hebben. Al mijn grote voorbeelden hadden dat ook: Bordewijk was advocaat, Vestdijk was arts. Ik vond dat ik goed in de maatschappij moest rondkijken, anders had ik geen stof om te schrijven. Bovendien zei mijn vader altijd: “Met lezen en schrijven kun je geen geld verdienen”. Nou, dat valt reuze mee! Zelfs met lezen. Als jurylid van de ECI word ik heel goed betaald voor het lezen. Als mijn vader dat wist…’
‘TWINTIG JAAR geleden zou ik gezegd hebben dat ik me bioloog voelde, maar omdat ik sinds 1987 niet meer aan de universiteit zit en eigenlijk nog maar weinig aan de wetenschap doe, voel ik me nu toch veel meer schrijver.
Ik heb nog wel wat onderzoek lopen. Dit voorjaar ga ik, samen met een collega, weer wat opzetten. Thuis in de kelder, omdat, met de komst van een nieuwe hoogleraar, op het laboratorium van de universiteit alles moest worden opgedoekt. Alle stekelbaarzen weg! Binnenkort krijgen we hier dus een bak met stekelbaarzen, compleet met eventrecorders en meetapparatuur. We gaan onderzoek doen naar de ritmiek in het gedrag van de driedoornige stekelbaars. Bij de stekelbaarzen is die ritmiek zo ontzettend precies: als hij om negen uur iets onderneemt, kun je er zeker van zijn dat hij dat om tien uur en om elf uur weer doet. Waarom is dat zo strak geregeld? Zit ’m dat in de hormonen? Wanneer je daar achter kon komen, zou dat voor allerlei andere ritmische processen relevant kunnen zijn. Het is echt niet alleen maar zitten voor die bak en naar zo'n beestje kijken. Het is altijd knutselen en puzzelen, en dat is ontzettend leuk. Ook het wereldvreemde ervan, dat het buiten alles staat, maatschappelijk niet relevant is en dat niemand er eigenlijk op zit te wachten. Behalve ikzelf natuurlijk, en professor Sevenster.
Voordat de stekelbaarzen arriveren, wil ik mijn nieuwe roman af hebben, zodat ik me een pauze kan permitteren. Vroeger, toen ik nog op het lab werkte, lag altijd het schrift naast me. Maar soms werd ik dan zo gegrepen door mijn eigen verhaal dat ik maar doorschreef en ja, dan komt er van het onderzoek niks terecht. Wetenschap vergt een enorme inzet. Je kunt het niet half doen. Dus die stekelbaarzen sluiten het schrijven voorlopig uit.’
'DE BIOLOGIE en het schrijverschap liggen voor mijn gevoel in elkaars verlengde. Als bioloog ben je bezig met observatie van gedrag van dieren, terwijl je als schrijver gedrag van mensen observeert. Het enige verschil is dat ik bij mensen vooral luister naar wat ze zeggen, omdat ik graag goede dialogen wil schrijven. Bij een visje valt natuurlijk niks te luisteren.
Voor het schrijven heb ik ook veel aan mijn biologiestudie gehad: het doorzetten, de grote tie, het feit dat je er constant mee bezig bent. Je schrijft een zin, dan ga je even de tuin in, een stukje spitten, en dan hé, weer een zin, gauw naar binnen en opschrijven. Dat gaat ’s(nachts gewoon door. Voor een goede, nieuwe zin kom ik mijn bed uit.
Je zou een wetenschappelijk onderzoek ook wel kunnen vergelijken met het opzetten van een boek. Je maakt een schema hoe je het gaat uitvoeren, dat doe je met een roman ook. Als je eenmaal met dat onderzoek bezig bent, wijk je vaak af van dat schema, en dat geldt ook voor een roman. Je stelt je helemaal voor hoe je dat boek gaat schrijven, maar op pagina vier gaat het al anders dan je je had voorgesteld.
Meestal heb ik van een roman een paar belangrijke scènes in mijn hoofd. Daar omheen kristalliseert zich dan de rest. Over het algemeen houd ik me aan de volgorde van mijn schema, hoewel ik van Het woeden der gehele wereld het laatste hoofdstuk het eerst heb geschreven en vandaar ben gaan terugwerken.
Aan de biologie heb ik heel lang mijn zekerheid ontleend. Want schrijver in opkomst, dat is een hachelijk bestaan. Die voortdurende angst dat je zo door de kritiek of collega’s neergesabeld kon worden, of dat de uitgever je volgende boek zou weigeren. Dat had je in de biologie helemaal niet. Je deed onderzoek, publiceerde artikeltjes en die werden gewaardeerd - mijn afdeling in Leiden was wereldberoemd.
Nu gaat dat schrijven zó goed en is de waardering zó groot, vooral in het buitenland - in Zweden ben ik de op een na meest vertaalde Nederlandse schrijver - dat helpt allemaal. Ik heb nog wel veel tegenstanders, maar dat schijnt te horen.’
'DAT IK MIJN schrijven als een talent beschouw, kan ik niet zeggen. Ik denk dat ik wel een verteltalent heb, en een talent om goede dialogen te schrijven, maar of ik nou een echte schrijver ben, weet ik eigenlijk niet, al heb ik dan dertig boeken gepubliceerd. Ik zou bijvoorbeeld graag meer een talent hebben om elegant te schrijven, zoals Adri van der Heijden. Een soort flux de bouche, maar dan op papier. Die sierlijkheid van taal, daar benijd ik hem om.
Dat is iets wat ik niet kan verwerven. Ik moet gewoon uitbouwen waar ik goed in ben. Ik heb een soort levendigheid in mijn werk, er zit gang in, en ik zie de mensen voor me, ik kan ze horen praten. Dat hebben andere schrijvers dan misschien weer niet.’
'IN DE PERIODES dat ik als dame door het leven ging, schreef ik niet. Dat is allesabsorberend. Het neemt al je aandacht in beslag, omdat je voortdurend bezig bent die vrouwenfiguur te perfectioneren. Ik heb nooit in vrouwenkleren kunnen schrijven; daar wil je mee naar buiten en eenvoudige dingen doen, winkeljuffrouw of zo, maar schrijven, nee. Ik zie het als een soort gekte, maar het is bij mij wel een uitlaatklep om aan mijn eigen beperkingen te ontsnappen. Aan mijn zuinigheid - ik geef moeilijk geld uit, behalve als ik die dameskleren aan heb. Dan vind ik het ook leuk om naar feestjes te gaan, wat ik anders helemaal niet heb, ik ben echt een thuiszitter. Op het ogenblik heb ik er geen behoefte aan, maar ik weet dat als je eraan toegeeft, het zich helemaal meester van je maakt. Behalve in Ik had een wapenbroeder heb ik er nooit iets over geschreven, misschien uit angst het te versterken. Mensje van Keulen heeft er, in haar boek Geheime dame, alles over gezegd. Daar was ik wel blij mee. Ook met de manier waarop ze dat gedaan heeft.’
'HOEWEL IK NU praktisch fulltime schrijver ben, voel ik me veel beter thuis onder biologen. Een tijd geleden was ik in Zweden met een hele groep schrijvers, maar daar pas ik helemaal niet bij. Dat zijn van die drinkebroers, die tot diep in de nacht doorhalen. En maar paffen en drinken. Ik zit ’s morgens om zes uur aan het ontbijt. Als je met biologen op reis zou zijn, zou de zaal dan vol zitten, want dat zijn allemaal van die vroeg-opstaanders. Dan begint de dag, dan worden de vogeltjes wakker. Maar ik zat daar in m'n uppie. De eersten die verschenen waren de kinderboekenschrijfsters, Els Pelgrom, Rita Tornquist, maar die gingen ’s avonds ook niet pimpelen. Nee, in gezelschap van schrijvers voel ik me helemaal niet op m'n gemak. Ze zijn aardig en collegiaal, daarover heb ik geen klagen, maar ik voel me gewoon niet thuis. Ook aan dat hele circus van diners, ontvangsten en prijsuitreikingen probeer ik me zoveel mogelijk te onttrekken.
Toch voel ik me schrijver, en als ik echt moest kiezen, om welke reden dan ook, zou ik toch wel voor het schrijverschap kiezen.’