Maartje de vries

‘NOOIT VERGETEN dat het niet je eigen familie is die je begraaft. Als je snel ge‰motioneerd raakt, hou je dit werk niet vol. Maar kinderbegrafenissen blijven me raken. Zo'n klein kistje met daarin een mensje dat nog een heel leven voor zich had. We doen zo'n duizend begravingen per jaar en elfhonderd crematies. Voor alle leeftijden. Daarnaast onderhouden we het terrein. Bossen en paden verzorgen, grasrandjes knippen, graven onkruidvrij maken. Ook daar betalen de mensen voor.

Met het grafdelven hebben we het in het regenseizoen het drukst. Dan overlijden de meeste mensen. Niemand weet hoe het komt. Zal wel iets te maken hebben met de treurigheid die je voelt als het met bakken uit de hemel valt. Lullig voor ons. Moeten we graven delven in de regen.
Ik heb een prachtbaan, begrijp me niet verkeerd. Lekker buiten de hele dag, leuke collega’s. En absoluut geen doods sfeertje. Er is juist heel veel vrolijkheid hier. Als er een stoet voorbijkomt, moeten we ons een beetje inhouden, maar verder is de lol hier net zo aanwezig als bij ieder ander bedrijf. Natuurlijk hebben we wel zoveel normbesef dat we ons gedeisd houden. Het verdriet van de mensen bij het graf is Çcht, begrijp je.
We blijven op afstand totdat de nabestaanden weg zijn. We stellen ons een beetje verdekt op. Je moet het fatsoen hebben even te wachten. Je kan er wel naast gaan staan met je schep, maar je kan er pas bij als de mensen bij het graf klaar zijn. Meestal staan we een paadje verderop, zodat we kunnen zien of het graf al vrij is. Als het druk is, moet de kuil meteen dicht als de overledene is neergelaten. Soms moet je acht graven per dag sluiten. Schep je je een ongeluk. Hartstikke zwaar.’
‘HOE DIEP EEN graf moet worden, hangt af van hoeveel overledenen erin gaan. Hoe meer, hoe dieper. Het maximum is drie, boven op elkaar. Niet naast elkaar. Dat zou een beetje duur worden. Een graf is in feite een stukje grond dat je huurt. Er zijn familiegraven en algemene graven. In familiegraven worden alleen mensen bijgezet voor wie de rechthebbende toestemming hebben gegeven. In algemene graven liggen drie mensen boven elkaar in ÇÇn kuil. Die kennen elkaar niet. Op zo'n kuil liggen drie kleine grafstenen. Algemene graven worden vaak op ÇÇn dag gevuld. De kist gaat erin, een laag zand erover, dan de volgende kist. En zo door. Dat vereist aardig wat planning.
Een goed graf maken is niet makkelijk. Je leert het door net zo lang te stumperen tot het je goed afgaat. Je graaft eerst een stukje met een kleine graafmachine, zo'n vijftig centimeter diep. Dan ga je de eerste planken zetten om het graf te stutten. Vervolgens graaf je verder en zet je opnieuw planken. Die zorgen ervoor dat het zand niet terugloopt in de kuil. Je moet balkjes plaatsen om de planken tegen de wand te drukken. Als die niet strak genoeg zitten, zakt de kuil in. Soms is het zand zo zacht dat er geen beginnen aan is. Gaat het tot drie keer toe mis. Krijg je zin om naar huis te gaan, naar je bed en er drie weken niet meer uit te komen.’
'IK BEN NU negenentwintig en ik doe dit werk bijna negen jaar. Ik zou niet anders meer willen. Ik ben toevallig in het vak terechtgekomen. Ik werkte in de gezinsverzorging en kwam tijdelijk in de WAO. Toen ik daaruit kwam, moest ik solliciteren, maar ik had nog niet zo'n zin om aan de slag te gaan. Bij het jobcenter zag ik een vacature voor een begraafplaats. Dat zit wel goed, dacht ik, daar nemen ze me nooit aan. Dus wel. Ik werd de eerste vrouwelijke doodgraver in Amsterdam.
De jongens moesten wel even wennen toen ik hier kwam: “Een vrouw? En nog zo'n kleintje ook? Dat wordt niks”, riepen ze. Het is zwaar werk, niemand haalt hier zijn pensioen. Maar ik kan het goed aan. Ik heb zo mijn eigen trucjes. Bij zware grafstenen kijk ik ze eens lief aan. En om uit een graf te klimmen zet ik mijn schep tegen de rand, ga op het handvat staan en hijs me omhoog. Daarna haal ik met een hark mijn schep eruit.
Op dagen dat we de graven leeghalen, mogen we niet in de kantine eten. Dat is voor de hygi‰ne. Tijdens het ruimen hebben we speciale overalls aan. Witte of blauwe, van een papierachtig materiaal. Als we klaar zijn, gooien we ze weg. Aan het eind van de dag zie je er niet meer uit.
De meeste mensen denken er niet bij na dat een graf ook weer een keer leeg moet. Nederland is veel te klein om alles maar te laten rusten. Andere landen hebben zo'n gigantische oppervlakte dat het ruimen van graven niet nodig is. Er is een wettelijke grafrusttermijn van tien jaar. Pas na die tijd mag een overledene verwijderd worden. Als na tien jaar een familiegraf vol is, maar er moet nog iemand bij, kijken we of de stoffelijke resten in die mate verteerd zijn dat er geruimd kan worden. Als dat zo is, maken we een plaatsje vrij.
Het ruimen wordt hier groots aangepakt. Machinaal, terwijl het bij de meeste andere begraafplaatsen nog handmatig gaat. Soms komt een delegatie collega’s kijken hoe wij het doen. Handmatig ruimen heb ik ook nog gedaan, op een andere begraafplaats. Maar ik ben blij dat het hier machinaal gaat. Veel hygi‰nischer. In deze tijd van het jaar wordt er niet geruimd. Het is te warm.
We zetten een schutting om het vak waarin we bezig zijn, om de mensen die de begraafplaats bezoeken te beschermen tegen de aanblik en de stank van de lijken. De mensen komen hier ter nagedachtenis van iemand. Ze vragen er niet om geconfronteerd te worden met wat wij opruimen.
Ik heb een paar collega’s die niet tegen het ruimen kunnen. Ook degenen die het werk wel willen doen hebben er soms moeite mee. Gelukkig rook ik. Als ik de kans krijg, steek ik een shaggie op om de lijkengeur te verdrijven. Is soms echt nodig. Als je je laat bevangen en je begint te kokhalzen, gaat binnen een mum van tijd iedereen over zijn nek. Dan kun je je werk niet meer doen. Soms staan de jongens bij de kar met hun gezicht in een kramp. Kun je de stank van hun smoel aflezen.’
'WE GEBRUIKEN een enorme kraan op rupsbanden. Hij kan net door de poort. De kraan is zo groot dat hij drie kisten tegelijk kan pakken. Het hangt ervanaf welk hout is gebruikt, maar meestal is van de kisten niet veel meer over. De laatste jaren zie je veel spaanplaat. Dat verteert, maar mahonie of eiken kan na tien jaar nog intact zijn. Soms halen we ook zinken kisten omhoog. Daarin liggen mensen die in het buitenland zijn overleden. Die moeten een stevige, goed afsluitende kist hebben, want ze blijven soms wel anderhalve week boven de grond. Op de kisten zitten nummertjes. Een heel enkele keer vind je zo'n nummertje terug. De laatste graven waren van 1968. Die hebben we deze winter gedaan.
De machine graaft het graf uit en zeeft het zand in een trommelzeef. Na het zeven gaan de resten op een kar waarmee we naar de beenderenkuil rijden. Die is alleen voor botten en schedels. Als we er ook zand en houtresten in zouden gooien, is hij veel te snel vol. Kun je wel bezig bl¡jven. Dus moet de boel gesorteerd. Dat gebeurt in het vak, binnen de schutting. Da’s werk waar je vies van wordt. Vooral als je oude graven ruimt, met veel eiken en mahonie. Al dat hout moeten we tussen de stoffelijke resten vandaan halen.
Vroeger werden de lichamen in plastic lijkzakken in de kist gelegd. Plastic houdt zuurstof buiten, dus de inhoud vergaat niet zo snel. Tegenwoordig moeten lijkzakken afbreekbaar zijn. De tijd moet leren of dat werkt. Nu heb je met die oude graven vaak dat je nog aardig wat terugvindt van wat erin is gegaan. Plastic lijkzakken verdrogen en breken in stukjes als je er alleen maar naar wijst. Kijk je opeens tegen een pop aan. Zo noemen we een lijk waar nog vlees aan zit. Het varieert nogal hoe die eruitzien.
Een pop is niet meer herkenbaar - oren, neus en ogen verteren het makkelijkst. Vaak kun je aan de kleding zien of het een man of een vrouw is geweest. De kleur kan vari‰ren van donkerbruin tot wit. Geen idee hoe dat komt. Dat kan te maken hebben met de grond, met het zuurstofgehalte, met medicijngebruik, met de kleding die iemand draagt. Haar vind je bijna altijd terug. Dat verteert als laatste.’
'IK WAS ALS de dood toen de eerste keer een graf werd geopend. Op de begraafplaats waar ik begon, vertelden de jongens me waanzinnige indianenverhalen. Ik stelde me scŠnes voor uit een horrorfilm, maar het viel reuze mee. Mensen vragen me soms of ik geen nachtmerries krijg van het werk. Gelukkig niet, ik slaap prima. Laatst droomde ik wel over Miss Venezuela. Die heb ik in mijn slaap begraven. Niet geruimd, godzijdank.’