Macabere kamphumor

De jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Marc Reugebrink en Xandra Schutte - koos dit keer Onbepaald door het lot van Imre Kertesz tot Groene- Boek van de Maand. De overige mededingers waren:
Mo Yan, De knoflookliederen. (Vertaling Peter Abelsen, uitg. Bert Bakker, 307 blz., f45,-): Het Chinese staatscommunisme verordonneert knoflookteelt en weigert daarna de oogst te kopen. Wat te doen tegen deze post- Maomoloch? Een opstandig verhaal schrijven met vele tegenstemmen.
Wolfgang Hilbig, De wijven. (Vertaling Gerrit Bussink, uitg. Goossens- Manteau, 130 blz., f29,50): Een hallucinerende en grimmige zoektocht naar alle plotseling uit een stad verdwenen vrouwen en naar de onzichtbaar geworden vrouwelijkheid. De geknotte seksualiteit is in deze roman een metafoor voor de mentale gesteldheid in de voormalige DDR.
Geoffrey Chaucer, De Canterburry-verhalen. (Vertaling Ernst van Altena, uitg. Ambo, 695 blz., f99,-): De bonte Canterburry-tales voor het eerst integraal vertaald, naar het oud-Engels en gedeeltelijk op rijm.
Imre Kertesz, Onbepaald door het lot. Uit het Hongaars vertaald door Henry Kammer, uitg. Van Gennep, 242 blz., f39,90
VERBAZING EN verwarring overvallen de veertienjarige Gyorgy Koves, ik-verteller uit de zojuist in vertaling verschenen roman Onbepaald door het lot (1975) van Imre Kertesz, als hij op een ochtend door de Hongaarse politie wordt opgepakt. Het is zomer 1944. Hij was op weg naar zijn baantje bij een Shell-raffinaderij aan de rand van Boedapest, maar zijn levenslot zal een onverwachte wending nemen. Enkele dagen later zit hij al op transport naar Duitsland.

Gyurka, zoals zijn vader hem noemt, is van joodse komaf, maar van geloofszaken is hij niet erg op de hoogte. Die hadden thuis weinig prioriteit. Toen zijn oom Lajos hem twee maanden eerder - op de dag voordat zijn vader naar ‘het kamp’ is vertrokken - uitnodigde voor een gebed, verstond hij de woorden daarvan niet. Daarom richtte hij zijn aandacht vooral op diens 'beweeglijke, vlezige, vochtig glanzende lippen’, maar terugkijkend herinnert hij zich minstens zo scherp het meisje van de overkant. Want er is ook die andere verwarring, de ontdekking van de seksualiteit.
Direct na zijn aanhouding heeft hij het gevoel in een dwaas toneelstuk te zijn beland waarin hij zijn rol niet goed kent. Toch is de regie daarvan - om in de beeldspraak van Kertesz te blijven - in Hongarije al in 1924 begonnen met een reeks anti-joodse maatregelen. Na 1938 werden de joden stelselmatig uit de openbaarheid geweerd. Maar net zo min als het geloof is het opkomend nazisme en zijn toenemende greep op de samenleving, plus de vraag hoe zich daar tegenover te verhouden, gespreksstof geweest. Op de dag voor zijn vaders vertrek hoort Gyorgy van dezelfde oom Lajos plotseling iets over 'het gemeenschappelijke lot van de joden’ dat zou bestaan uit een 'al duizend jaren durende, niet aflatende vervolging’ die de joden 'met berusting, offervaardigheid en geduld moesten aanvaarden’.
En ten slotte is er dan nog de scheiding van zijn ouders, die al evenzeer met een sfeer van zwijgen en verzwijgen is omringd. Vragen stellen is derhalve niet de sterkst ontwikkelde kant van Gyorgy. Van zijn gebrek aan kennis over vroeger en nu en de zwijgzaamheid waarin hij zich heeft leren schikken, krijgt hij in Auschwitz spijt. Daar komt hem de toespraak bij de opening van het schooljaar voor de geest, die zijn directeur afsloot met de woorden: 'Non scholae sed vitae discimus’ - 'Wij leren niet voor de school, maar voor het leven.’ Een wrange wijsheid nu : 'Toen ik daaraan terugdacht, kwam onwillekeurig de gedachte bij me op dat ik, als dat waar was, dus voor Auschwitz had geleerd. Als ik naar de kampen had gevraagd, zouden mijn docenten me alles hebben uitgelegd, openhartig, eerlijk en in zorgvuldig gekozen bewoordingen, maar omdat ik dat niet had gedaan, had ik op school gedurende die vier jaar geen woord over Auschwitz horen spreken.’
Daarmee zadelt Kertesz zijn alter ego op met een stevige portie naiviteit. Een naiviteit die samen met de onwetendheid en onbevangenheid het perspectief in zijn roman bepaalt. Eenmaal in Polen aangekomen, compenseert Gyorgy zijn achterstand door een allesverslindende nieuwsgierigheid aan de dag te leggen naar het reilen en zeilen in het kamp en de organisatie ervan, waarin gevangene en bewaker in een huiveringwekkende symbiose met elkaar leven.
DE ROMAN Onbepaald door het lot beweegt zich op de ooghoogte van deze vijftienjarige. Dat is een jongen die nog maar net het leven begint te proeven, zoals hij voor het eerst de lippen van zijn vriendinnetje Annamaria proefde. Iemand die enthousiast en leergierig is, nauwelijks afstand kan nemen en daarom graag meedenkt, ja zelfs overdenkt wat beter geregeld had kunnen zijn in de situatie waarin hij is terechtgekomen. Het kamptenue bijvoorbeeld: 'Wat had je onder dergelijke klimatologische omstandigheden nu aan een linnen jasje, dat men ons overigens met de beste bedoelingen had verstrekt?’ De scheidslijn tussen goed en kwaad bepaalt hij met categorieen als mooi en lelijk of jong en oud. Hij kan goed observeren en weet de indrukken die hij opdoet een plaats te geven in zijn kijk op het leven. Daardoor is de plotse reis naar het noorden voor hem vooralsnog een avontuur, een mogelijkheid om aan het duffe, oninteressante thuis te ontkomen. Zelfs wanneer al na drie dagen Auschwitz de afschuwelijke werkelijkheid van de crematoria tot hem doordringt, gebeurt dat met het gevoel dat 'achter dit alles een macabere humor’ steekt.
Dit is wat het boek zo curieus maakt en hoogst intrigerend tegelijkertijd: de poging van Kertesz om aan de werkelijkheid van het kamp zo vorm te geven dat hij aan de waarachtigheid van zijn oorspronkelijke ervaringen, opgedaan als vijftienjarige, geen afbreuk doet. Een uiterst riskante onderneming uiteraard, die appelleert aan de vraag naar waarachtigheid en geloofwaardigheid. Want het is uiteindelijk de auteur met overzicht en kennis van de afloop, die de gedachten van de ontluikende knaap die hij ooit was, literair vorm moet geven.
Onder die omstandigheid is de toon die in het boek wordt aangeslagen van een allesbeslissende betekenis. Ik moet zeggen dat Kertesz nauwelijks beter in zijn opzet had kunnen slagen. In zijn vertellen komt het verkennende, met opgewektheid en transparantie geladen denken van zijn hoofdrolspeler volledig tot zijn recht. Het boek ligt helemaal in balans. Kertesz heeft precies de juiste afstand weten te creeren tussen de jongen die zich in al zijn onschuld en optimisme orienteert op de omvang van de catastrofe en gefascineerd raakt door gebeurtenissen die hij als volwassene totaal anders zal beoordelen.
Hoezeer ze hem tot in zijn ziel en botten hebben geraakt en zijn verdere leven bepaalden, valt te lezen in zijn roman Kaddisj voor een niet geboren kind (1990), waarin zijn kampervaringen in verband worden gebracht met kinderloosheid. De gekozen invalshoek maakt intussen van Onbepaald door het lot een van de opmerkelijkste boeken die over de holocaust zijn geschreven.
GYORGY’S naiviteit geeft hem aanvankelijk de kracht om het kampleven te verdragen. Maar naarmate de tijd vordert en zijn weerstand afneemt als gevolg van honger, dorst, slaapgebrek en afmatting, gaat ook zijn geestelijke scherpte achteruit. Wel probeert hij die nog op te rekken door zich zorgvuldig te houden aan de overlevingsregels die hem door zijn engelbewaarder Bandi Citrom zijn ingegeven: de moed niet opgeven, je onder alle omstandigheden wassen, het dagrantsoen zorgvuldig in porties verdelen, de juiste positie op de appelplaats kiezen en eigenzinnig zijn. Zelf ontdekt hij de voordelen van het doordacht werken, zoals regelmatig je pauzes nemen en niet te veel ineens willen doen, dus de porties last zo scherp mogelijk afpassen en je tot de allernoodzakelijkste krachtsinspanningen beperken. Tijdens dat werk leert hij de betekenis van de verbeeldingskracht kennen. Dank zij dat fantaseren kan hij regelmatig aan de sleur van het concentratiekamp ontsnappen.
Maar wat Gyorgy had willen voorkomen, overkomt hem uiteindelijk toch. Langzaam krijgen verveling en verwaarlozing een stevige greep op hem. Hij wordt onverschillig, vervuilt, komt onder het ongedierte te zitten, verliest het contact met zijn omgeving doordat alles en iedereen - ook Bandi Citrom - hem begint te irriteren en verandert 'snel in een afgeleefd oud mannetje’, een nummer. Zijn nummer. Als hij in het ziekenhuis van Buchenwald de vraag krijgt hoe hij heet, antwoordt hij: 'Vier-und-sech-zig, neun, ein-und-zwanzig.’
DE BEVRIJDING uit het concentratiekamp Buchenwald komt voor hem allerminst als een verlossing. Terug in Boedapest overheersen bij Gyorgy behalve gevoelens van onverzadigbare haat opnieuw verbazing en verwarring. Verbazing over het feit dat de kampen dan al tot een verhaal over de hel zijn geworden, verwarring om de leidraad daarin - de wens namelijk om zo snel mogelijk te vergeten. Dat is voor hem onbestaanbaar. Zijn lot kan niet anders dan een integraal deel van zijn bestaan zijn. Niets daaruit mag hem worden afgenomen. Al helemaal niet de kleine gelukservaringen die hij onder de schoorstenen van Auschwitz ondervond. Die waren belangrijker geweest dan de gruwelen. De slotconclusie moet daarom zijn dat hij altijd een kampbewoner zal blijven.