VerhaaL: Aan het bed

Machine

Medium illustratie harriet van reek bij gpeek

Spreek. De mond blijft stil, alle fluistering is uitgesloten. Beweeg. Maar de borst is leeg, beweging is met de herinnering verdwenen. De huid is warm en dood. Er was alles en daarna niets. Er was alles en daarna niets.

Het was een kamer op een van de hogere etages en hij kon de toppen van de bomen zien die de zon steeds donkerder beschutten. Toen het te ­schemerig werd om verder te lezen, probeerde hij alle schakelaars voor een goed licht in zijn hoek. Een van de lampen in het plafond scheen opeens recht op het gezicht van zijn vader en geschrokken deed hij het licht uit, ook al had zijn vader niet bewogen in de tijd dat hij er was, doof en blind en verlamd door de morfine, meer dromend dan slapend.

Een flauwe spot blonk op in het plafond boven de andere hoek aan het voeteneind en hij verschoof zijn kruk. Hij sloeg zijn boek open, vond de alinea waar hij was gebleven. Het werd al minder erg, de regelmatige, kwaad kermende ademhaling van zijn vader, het ene oog dat op een kier afwezig op de loer leek, het vermagerde gezicht met de open mond. De lakens waren tot zijn kin opgetrokken, een dubbelgevouwen handdoek lag onder de lekkende mondhoek.

Af en toe klonk kort het apparaat dat de morfine doseerde. Zijn broer had gezegd dat hij een verpleegster moest roepen als het geluid aanhield. Niets ernstigs, er moest dan alleen een nieuwe, volle spuit in. Zijn broer had ook gezegd dat de verpleegsters hem zouden vragen of hij iets wilde drinken, maar dat was nog niet gebeurd.

Hij dronk water in de kamer door zijn mond onder de kraan bij het aanrecht te houden.

Toen hij zich omdraaide lag zijn vader nog hetzelfde.

In zijn boek was het nog altijd nacht in Rusland. Hij keek nog eens op zijn horloge, bestudeerde het linoleum, de naden in het plafond, strekte zijn benen en tenen, zijn rug voelde de uren op de leuningloze kruk. Hij hoorde stemmen op de gang, stappen en afscheid, verwonderde zich over de dunne deuren in het ziekenhuis. Zijn boek gleed van zijn schoot en viel dicht op de vloer. Hij bukte om het op te rapen, daarna las hij bladzijde na bladzijde die hij halverwege al eerder meende te hebben gelezen.

En dan, eindelijk, de stem van zijn broer, slecht nieuws, hij moet komen. Hij schrijft de naam van het ziekenhuis op zijn hand. Zijn broer: het kan twee dagen duren, maar ook twee weken. Zijn broer en moeder wisselen elkaar af in de kamer. Zijn broer, zijn kalme, onbegrijpelijke broer, de wonderlijk droge stem, de onbekende gebaren, de vreemde grijze haren boven zijn oren. Zijn broer die hem de zak van het katheter wijst, de roestige droesem op de bodem, de lege slang. De passen van de parkeerplaats naar de hal, de denktijd voor de lift, het geheugen voor de gang en de genummerde deur. Hij komt de kamer binnen voor de uitleg van zijn broer op de vierde nacht van zijn vader.

Als negentienjarige was zijn vader aangereden door een vrachtwagen. De Kever waarin hij reed had zich om zijn lichaam gevouwen, hem zijn milt afgenomen. Na enkele dagen sjouwden broeders zijn bed naar een sterf­kamer op zolder. Hij overleefde het, een jonge man met gekartelde strepen op zijn buik.

Zijn vader vertelde hem over de hoeren. Dat ze hun baarmoeder omkeerden om niet zwanger te worden.

Op reis in Engeland, als kind, had hij zijn vader en moeder naakt gezien. Ze lagen op een sofa, zijn moeder fluisterde steeds de voornaam van zijn vader, die haar met zijn stoten in bedwang hield.

Hij las verder. De vreemde namen ontglipten hem, hij begon passages over te slaan, bladerde door naar kampvuren met nobel brood uit arme zakken. Soms dacht hij dat hij op zou staan, naar zijn vader zou lopen en iets zou zeggen, maar hij bleef zitten in zijn hoek en maakte zo min mogelijk geluid. Hij was al lang niet naar de wc geweest. Hij stak zijn kin omhoog, rolde zijn achterhoofd heen en weer in de kom van zijn schouders en hoorde en voelde de knakkende speling tussen de spieren.

Zijn broer zou douchen, schone kleren aantrekken, misschien even op bed gaan liggen. Zijn broer verwachtte niets na drie doorwaakte nachten, maar als er iets zou gebeuren mocht hij niet bellen, niet ervoor of tijdens, maar alleen erna. Hij zou zo terug zijn en hij was nog niet terug.

Hij keek op zijn telefoon, die in dit soort kamers aan mocht blijven. Zijn vader maakte een slikkend geluid, maar zijn mond bewoog niet, zijn adem stokte, daarna een hijgend hoesten, hij leek het slijm uit te zuchten, hervond het zware, sterke ritme. Op tafel lagen oude kranten en roddelbladen, omslagen met de gezichten naar boven, lege bekers van beneden stonden rond elkaar op het aanrecht.

Plotseling het besef dat hij zijn vader gelijk gaf door bij hem te wachten. Hij sloeg zijn boek dicht, stond op van de kruk en verliet de kamer.

Beneden liep hij langs de gesloten kapper, langs de rolluiken van de kiosk en een winkel voor zeep en sponzen. Hij probeerde zich te herinneren hoe zijn vader had geklonken toen hij de kamer verliet. Er kwamen mensen binnen door de hoofdingang, een man en een vrouw. De hakken van de vrouw maakten een hol vat van de hoge hal, de man noemde het nummer van een afdeling. Hij draaide met de deur mee naar buiten, eindelijk buiten, en ging op het asfalt staan van de draaicirkel voor de ingang. Hij zag rijen huizen aan de overkant, de ramen waar nog licht brandde, ze keken uit op het ziekenhuis en hadden de gordijnen open. Hij strekte zijn armen boven zijn hoofd en liet ze naast zich vallen, hij deed dit een paar keer tot hij merkte dat hij niet alleen was. Op een stenen bank, net buiten het vale bereik van een stoeplicht, zat een vrouw in badjas. Een forse vrouw, haar armen rustten gevouwen op haar buik. Ze rookte en keek hem recht aan. Hij knikte naar haar, stak zijn handen in zijn zakken, veinsde gewenning aan de kille buitenlucht. Maar het was zacht en windstil en hij kon de zure dauw ruiken van de bomen verderop. Ze keek nog steeds naar hem.

Als je buiten kan wachten dan kan je naar huis.

Het duurde even voor hij besefte wat elk woord betekende, wat de zin zei.

Ik ga zo weer naar binnen. Even frisse lucht.

Hier. Dan lijkt het nog ergens op.

De vrouw hield een pakje sigaretten omhoog.

Hij liep op haar af, zei dankjewel voor hij een sigaret te voorschijn trok. Ze gaf hem vuur van haar aansteker, zijn gezicht naderde haar mollige hand die zich bolde rond de vlam. Hij inhaleerde, bedankte haar nog een keer, blies zuchtend uit.

U ziet de nachtploegen binnenkomen.

Zeg maar je. Dit is mijn plek. Als je drinkt zoals je rookt ben je een gezellige vent.

Haastig en hoorbaar had hij teug na teug genomen, hij deed alsof ze hem had betrapt, liet met een grijns de sigaret even tussen zijn vingers rollen. >

Daar lig ik eigenlijk, op de vierde, op die hoek. Best goed, maar ’s avonds met al dat gesnurk en die andere geluiden is het buiten beter.

Ze wees naar het gebouw, maar hij keek uit over de verlichte parkeerplaats. De auto van zijn broer zou hij niet kunnen herkennen, maar zodra een slagboom opensloeg, zou hij weer naar binnen gaan. Door de bedarende resten rook in zijn lichaam kreeg hij zin om zijn ogen te sluiten, te gaan zitten.

Een drankje zou niet slecht zijn.

Ik wist het toen ik je zag.

Ze lachten naar elkaar, de vrouw hoestte enkele keren, zwaaide schei uit.

Nog even en het is zomer. Je bent hier duidelijk niet om te roken.

M’n vader is binnen, boven. Hij is ziek.

Hij bereidde zich voor op een vervolgvraag, maar de vrouw stond steunend op, waardoor haar trage lichaam opeens licht ving. Met de sigaret in haar mond veegde ze grijs haar van haar voorhoofd achter haar oren. Haar badmantel viel open en hij kon haar mannelijke pyjama zien.

Ik maak elke avond dezelfde wandeling. Over het pad en weer terug. Wil je er nog eentje?

Hij nam de laatste lange haal van zijn sigaret, doofde daarna de vonk van de korte peuk onder zijn hak. Hij bedankte haar, wenste haar een goede wandeling, zei dat hij weer naar binnen ging. Ze haalde haar schouders op, stapte uit het licht, de schaduw in naar haar wandeling.

In de kamer stond een verpleegster over zijn vader gebogen. Ze zei dat ze de spuit had vervangen, vroeg of hij haar misschien had gezocht. Voordat ze zich kon verontschuldigen, zei hij dat hij even naar buiten was gegaan voor een sigaret. Nadat ze was vertrokken, zag hij dat ze zijn leeslicht had uitgedaan. Hij vond de juiste knop, ging daarna op zijn kruk zitten en opende zijn boek.

Een suite, ze moesten morgen maar weer vragen, misschien kwam er dan iets kleiners vrij. Twaalf passen in een L, lege ruimte bij de hoge ramen, ruimte rond het wijde, witte bed, marmer en een menslang bad, in de kasten vonden ze kamerjassen. Hij wilde zijn vrouw hier naakt zien. Ze vroeg of hij wilde dat ze meeging. Hij zei dat hij niet wist hoe lang het zou duren, of er wel iets zou gebeuren. Hij omhelsde haar en voelde haar borsten tegen zijn hunkerende lichaam.

De adem lichter, en nog eens, en nog eens. Hij sloeg zijn boek dicht en luisterde. De rasp verzachtte, zijn vader begon te snuiven, alsof iets open was gegaan, iets doorbroken, alsof hij te voorschijn kwam, de mond boven water.

Hij stond naast het bed. Het lichte ademhalen van zijn vader gleed dicht in gehijg. Alle rust was verdwenen. Hij voelde de onverwachte krachtsinspanning van het lichaam op het bed tegenover hem. Het gebeurde allemaal in zijn bijzijn.

Zijn vader had moeite uit te ademen. Het was een gevecht en het was dat meer dan andere dingen.

De ogen van zijn vader vielen open, maar keken nog altijd nergens naar, een plek op de muur, een plaats in het hoofd, hij merkte dat hij het warm had, zijn handen naast zijn lichaam hield. Het hoofd van zijn vader duwde dieper in het kussen.

Zijn broer kwam binnen. Vreemd de taal van mensen, nu een blik voldoende bleek. Zijn broer knielde bij het bed, legde zijn voorhoofd tegen de slaap van hun vader.

Je moeder wacht op je. Je moeder wacht op je.

De mond hapte, haperde, hij herkende de grimas, herkende de laatste adem toen hij hem hoorde. Het hoofd van zijn vader draaide op het kussen, daalde naar de schouder en doofde.

Alsof hij even niet had opgelet, alsof het zich niet mocht laten betrappen, maar zijn vader was van kleur verschoten. Een bleke huid is een rode huid en nog lang niet dood zoals het weke geel dat zijn vader nu bedekte.

Het lichaam stil, de kamer anders, de mond van zijn vader in de verstarde nasleep van een onmogelijk woord.

Zijn broer stond op en veegde zijn ogen droog, aaide daarna de wangen en haren van hun vader.

Goed gedaan. Stil maar, slaap maar.

Daarna keek zijn broer op, schraapte zijn stem schoon en vroeg hem of hij een verpleegster wilde halen.

De gang was leeg en blauw, de balie op de afdeling verlaten. Hij doorliep de gangen tot hij een verpleegster vond, ze telde of verzamelde iets op een tafel, en hij verontschuldigde zich en zei van welke afdeling hij kwam, daarna zei hij dat hij geloofde dat zijn vader was overleden. Ze legde een hand op zijn arm en vroeg naar het kamernummer. Hij noemde het nummer, voor de zekerheid de achternaam, die daarmee de naam van een dode was geworden. Ze keek op haar horloge en zei dat ze iemand zou sturen van die afdeling, de dokter zou nog wel even duren. Hij herhaalde de informatie in zijn hoofd op weg terug naar de afdeling. In de kamer had zijn broer opgeruimd.

Ik heb je boek daar gelegd.

De tafel was leeg, het aanrecht schoon. Zijn broer klapte een stoel uit en zette die tussen het bed en het raam.

Als ’t goed is komt er een verpleegster. De dokter komt ook, maar dat gaat blijkbaar nog even duren.

Zijn broer liet zich op de klapstoel zakken, knikte en zei dankjewel.

Het is het beste als je nu naar mama gaat. Ze slaapt, doe voorzichtig. Als ze je ziet zal ze ’t wel begrijpen.

De klapstoel kraakte onder het gewicht. Zijn broer strekte zijn benen, kruiste de schenen, vouwde zijn vingers voor zijn buik.

Hij zou niet meer terugkomen, wat nu niet gebeurde zou verloren gaan zodra hij de kamer verliet. En toch leek alles hem eerst ongepast en daarna te eenvoudig. Hij keek over zijn broer heen naar buiten, naar de spoken van bomen in de grauwe gloed van het ziekenhuis.

Achter hem passeerden mensen, hij had de deur open laten staan.

Hij boog zich voorover, kuste zijn vader op de warme kruin van het afgewende hoofd, fluisterde een afscheid dat hij zich later niet meer kon herinneren. Voordat hij wegliep met zijn boek, keek hij om en hij zag zijn broer voor het raam zitten, de blik op het bed, in de ontspannen houding van een man vlak voor de eerste woorden van een gesprek.

Geen muziek gekozen, geen vingers geteld. Niet in dromen verschenen, nergens neergeschreven. Niets leeggedronken, niet om brand geschreeuwd. Niet aan tijd gedacht. Geen kom terug geroepen.

Hij herinnerde zich de hoge koorts. Hij sliep toen al boven in het nieuwe huis, onder het schuine, houten dak, eindelijk zijn eigen kamer. Hij had moeite zijn rillende lichaam stil te houden onder de dekens. Zijn tanden klapperden, zijn borst werd een balg, hij hoorde zichzelf hijgen, zijn keel kneep dicht. De lange balken van het plafond, het lege dakraam, er was niets meer om de gedachten af te wenden. Tot hij zeker wist dat hij zou verdrinken, stikken, alsof hij moest spartelen, uit bed moest springen om te rennen voor zijn lucht. Zijn vader duwde zijn schouders op het bed, zijn moeder perste koude lappen om zijn enkels. Nog even en hij ging dood, hij probeerde het te zeggen.

Later, ’s avonds, nadat hij was bijgekomen en antibiotica de felle koorts hadden gekoeld, schaamde hij zich. Hij voelde zich schoon en leeg en steeds sterker en absoluut niet in staat om te sterven. Hij zat rechtop in hetzelfde bed, kussens in zijn rug, een mompelende radio binnen handbereik, hij rook het avondeten van beneden.

Hij had aan de ene kant gestaan, maar nu stond hij aan de andere kant. Schoon en vrij.

Hieraan dacht hij en aan vele andere dingen toen hij in het donker terugreed naar zijn vrouw.


Voor zijn derde roman Ik was Amerika ­ontving Gustaaf Peek de BNG Nieuwe Literatuur­prijs 2010