Machofratsen aan de maas

Het zou mooi zijn als dit voorlopig het laatste stukje was dat in de pers over de Erasmusbrug verscheen - maar dat zal wel niet lukken. Rotterdam heeft weer eens ondubbelzinnig positief nieuws, nadat de berichtgeving over de stad geruime tijd voornamelijk het wapengekletter ten stadhuize behandelde tussen schemerig neorechts en fysiek danwel telefonisch belaagde wethouders, gesecondeerd door een boertige burgemeester.

Wat verklaart nu opeens alle jubelaandacht voor de inwijding van zoiets profaans als een brug? En vooral - toch wel een van de moeilijkst te aanvaarden berichten van het afgelopen jaar -, wat bezielde de mensen die de kaartjes afnamen voor de Erasmusbrunch die afgelopen zondag op de brug werd geserveerd? Is het het werk van een geoliede PR-machinerie, waardoor iedereen tijdelijk het verstand verloor en tot onwaarschijnlijk enthousiasme werd gebracht? Misschien, al heeft Rotterdam sinds de viering van het stadsjubileum niet de reputatie dat het bestuur veel kijk heeft op het organiseren van een feestje. Interessanter is het om het succes van de Erasmusbrug in verband te brengen met haar eigen beeldkwaliteiten. Hoe is, om het plechtig te zeggen, de brug te ‘lezen’ als iconologisch object?
Het begrip burgerlijke trots hecht zich niet meer zomaar aan stadhuis en kerk, maar is met veel ander traditioneel gedachtengoed geleidelijk aan in ideologisch drijfzand terechtgekomen. Menige stad cultiveert desondanks een op haarzelf van toepassing verklaarde mythologie. In Rotterdam heeft die mythologie de stoere werkstad als thema: stoer is de stad, stoer haar bevolking. Een brug is voor de verspreiding van dat idee een bruikbare drager, vooral wanneer deze kan worden opgeladen met een retorische slogan die aannemelijk maakt dat de brug een verbinding tot stand brengt met iets nieuws en hoopvols. Rotterdamse politici hebben die formule inderdaad beproefd, maar wie wel eens 'op Zuid’ is geweest, weet dat de door de Erasmusbrug veroorzaakte connectie nu niet direct een verrukkelijk Arcadië dichterbij brengt.
Nee, mijn stellige indruk is dat in de wording van de mythe van de brug met name twee, meestal in combinatie gebruikte, argumenten de doorslag hebben gegeven. Het eerste daarvan betrof de uitzonderlijkheid van de vorm, waar tot vervelens toe op is gewezen. De brug is niet op de eenvoudigste manier in elkaar gezet, maar opzettelijk omslachtig, waardoor ze duidelijk zichtbaar moet rekken en strekken, torsen en sjorren om haar verbindende werk te doen. Zo'n vorm kost altijd wat meer geld en het merkwaardige in dit geval is dat de meerprijs een extra argument werd in het voordeel van het ontwerp. Zonder enig embarrassment meldde iedere hotemetoot en iedere krant de 'typisch Rotterdamse’ bereidheid om voor zoiets bijzonders de portemonnee te trekken. Zo kwam de Erasmus-rage te steunen op een fraai duo van machoeigenschappen: een haast socialistisch-realistisch expressionisme gevoegd bij een ostentatieve kostbaarheid. En zo kreeg de klassieke Rotterdamse mantra van 'Samen de schouders eronder’ een nieuwe, meer hedonistische inhoud. Dat maakte de brug op slag tot een promotioneel wonder, en bovenal: tot teken van de tijd.