Economie

Macht

Dat vervloekte lijnenspel van vraag en aanbod. Als financieel journalist heb ik altijd moeite gehad de wereld te bekijken door de economenbril.

Terwijl journalisten zich bezighouden met personen, met marktmacht, met politieke invloed, kortom met de economie in haar volle complexiteit, proberen economen alles wat dynamisch en menselijk is aan de economie te reduceren tot simpele mechanica. Prijs is een natuurlijk uitvloeisel van vraag en aanbodverhoudingen, de inkomensdistributie vertegenwoordigt ieders productieve bijdrage en goederen en diensten worden geproduceerd omdat er consumenten­behoefte bestaat. Mocht de realiteit niet overeenkomen met dit harmonische plaatje, dan spreekt de econoom van marktfalen. Een onfortuinlijke afwijking van de norm.

De praktijk wijkt echter zo radicaal af van de theorie dat marktfalen bijna universeel moet zijn. Want wat is in godesnaam een markt? Microsoft, dat voor duizenden softwareontwikkelaars en consumenten het standaardbesturingssysteem bepaalt? Albert Heijn, dat eenzijdig de inkoopprijs kan verlagen ten koste van haar leveranciers? Autofabrikanten, die hun voorraden wegwerken door autodealers bonussen te geven, door marketing, door goedkope autoleases en hogere inruilwaardes? Met vraag en aanbod heeft dit allemaal weinig te maken. Met planning des te meer.

Marktfalen dekt de lading niet. Er is iets veel fundamentelers mis met het economistische verhaal. Uit peilingen van de ECB blijkt bijvoorbeeld dat de meerderheid van de Nederlandse bedrijven slechts één keer per jaar de prijzen wijzigt. De onzichtbare hand heeft het klaarblijkelijk niet zo druk. Nog erger: de meeste bedrijven zeggen hun prijs vast te stellen door simpelweg een opslag op hun kosten te rekenen. Voor de bedrijfskundige misschien begrijpelijk, maar voor de econoom een oncomfortabel gegeven.

Misschien ben ik unfair, omdat dit markten zijn waarin weinig concurrentie is. De markt komt er een stuk beter vanaf bij bedrijfstakken waarin wel degelijk prijsvorming plaatsvindt. Neem de bloemenhandel. Elke dag brengt de veilingklok vraag en aanbod van ’s werelds fijnste flora op de Nederlandse veilingen bij elkaar. Uniek aan de bloemenhandel is dat de veilingen eigendom zijn van de bloementelers. ‘De coöperatieve bloemenveiling wil voor haar leden maximale verkoopopbrengst tegen minimale kosten behalen,’ zo luidt al meer dan honderd jaar de missie van de bloemenveiling. Een belangrijk gegeven, want dit verschaft de telers een veel sterkere marktpositie dan gebruikelijk in de landbouw.

Alleen al het veilingsysteem werkt sterk in het voordeel van de telers. In tegenstelling tot zogenaamde Engelse veilingen, waarbij kopers tegen elkaar op bieden, gebruiken de bloemenveilingen een Nederlands veilingsysteem. De prijs begint hoog en tikt terug tot er een koper is gevonden. Dat voor dit veilingsysteem is gekozen is geen toeval, want Nederlandse veilingen geven gunstigere prijzen dan Engelse. Om een hoge prijs te krijgen is maar één bieder nodig, niet meerdere.

Daar houden de voordelen van de veiling niet op. Een onverkochte bloem verliest in 24 uur vijftien procent van haar waarde. De efficiënte logistiek van de veiling zorgt er daarom voor dat de ruim 35 miljoen bloemen met een minimum aan waardeverlies op hun bestemming komen. Telers hebben via de veiling bovendien actuele marktinformatie tot hun beschikking. Zo weten ze welke bloemen in trek zijn en kunnen ze redelijk anticiperen op de vraag. Winst maakt de veiling nauwelijks en als ze die maakt vloeit deze terug naar de telers.

De politiek van de commercie speelt dus ook in de bloemenhandel, toch een markt uit de schoolboekjes, een cruciale rol. Stel namelijk dat de ­bloemenhandel anders was ­georganiseerd. Dat groothandelaren de logistiek in handen hadden, dat marktinformatie niet beschikbaar is voor telers, dat de veiling überhaupt geen rol meer speelt bij de bloem­verkoop. Al deze veranderingen zouden de machtsverhoudingen en daarmee de prijs veranderen. Om de bloemenmarkt te vatten in simpele vraag-en-aanbod-verhoudingen, zonder daarbij macht te betrekken, is alsof iemand het fluctuerende waterpeil in het Panamakanaal verklaart door de in- en uitstroom van water – zonder de drie gigantische sluis­complexen te noemen.

Er is simpelweg niet zoiets als ‘de markt’. Elke markt kent zijn eigen spelregels. Spelregels gedicteerd door techniek, politiek, verkopers en kopers. Die spelregels kunnen rechtvaardig zijn of onrechtvaardig, maar er is geen formule die zegt dat het vrije spel van economische krachten altijd voor dezelfde uitkomsten zorgt. Om te begrijpen waarom de prijs is zoals hij is, waarom de inkomensdistributie is zoals hij is, waarom onze producten zijn zoals ze zijn, moet je de machtsverhoudingen begrijpen.

Door macht te negeren behoudt de economie misschien haar elegantie, maar verliest ze al haar relevantie.